Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2537

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
21-000955-19
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is: opzetheling van een mobiele telefoon, gelet op alle - nader in de uitspraak aangeduide - omstandigheden waaronder de koop van die telefoon heeft plaatsgevonden. Veroordeeld tot geldboete van vijfhonderd euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000955-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 december 2018 met het parketnummer 18-065230-17 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte ter zake van opzetheling zal veroordelen tot een geldboete van vijfhonderd euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode 29 december 2016 tot en met 3 januari 2017, te [plaats] , althans in Nederland, een goed, te weten een mobiele telefoon (merk LG, type Gold), heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan opzetheling. Gelet echter op hetgeen de verdachte in het politieverhoor en ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over de omstandigheden waaronder hij de mobiele telefoon heeft verworven en voorhanden heeft gekregen, zoals hierna vermeld, acht het gerechtshof opzetheling wettig en overtuigend bewezen.

Het gerechtshof heeft gelet op alle omstandigheden waaronder de koop van de telefoon plaatsvond. Met name acht het gerechtshof doorslaggevend dat het bedrag dat de verdachte voor de telefoon op straat – nabij een coffeeshop – heeft betaald aan de hem volslagen onbekende verkopende partij € 30,- was en dat de verdachte de telefoon vervolgens heeft verkocht aan Used Products voor € 90,-. Van een dergelijk, beduidend prijsverschil was de verdachte zich naar eigen zeggen bewust ten tijde van zijn aanschaf van de telefoon. Verdachte verklaarde bij de politie: ‘(..) Ik dacht ik sla een klapper. (..).’ Sterker nog: dat was voor hem de reden voor die transactie. Onder die omstandigheden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem aangekochte telefoon een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover de verdachte stelt dat hij vooraf (en ook de dag ná de aankoop) de zogenaamde Stopheling-app heeft geraadpleegd, duidt dit erop dat de verdachte het kennelijk niet zonder meer vertrouwde. Dat die app vervolgens niet uitwijst dat de telefoon gestolen is, zegt op zich echter onvoldoende. Er zal immers logischerwijs altijd enige tijd verstrijken tussen het wegnemen van die telefoon en het registreren van die telefoon als gestolen, zoals verdachte zelf ter terechtzitting in hoger beroep in vergelijkbare zin ook heeft verklaard. In die tussentijd kan die telefoon worden verhandeld en dat is hier ook daadwerkelijk gebeurd.

De app biedt dus niet direct en zonder meer zekerheid en de verdachte kan zich daarom niet vrijpleiten met een beroep op het raadplegen van die app.

Dat de verkopende partij aan de verdachte het wachtwoord van de mobiele telefoon zou hebben verstrekt, acht het gerechtshof niet aannemelijk geworden. Pas in hoger beroep is de verdachte met dit verhaal gekomen. Dat is opmerkelijk en ongeloofwaardig, aangezien het voor de hand zou hebben gelegen dat hij dit verhaal in het politieverhoor al naar voren zou hebben gebracht. Dat zou immers een potentieel ontlastende omstandigheid voor de verdachte kunnen opleveren, namelijk in het geval dat dit - bij verificatie van dit verhaal door de politie - juist zou blijken te zijn. Niet vaststaat daarnaast dat de telefoon was beveiligd door middel van een wachtwoord. Daarvan is niet gebleken uit het politieonderzoek.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde delict heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 29 december 2016 tot en met 3 januari 2017 te [plaats] een goed, te weten een mobiele telefoon (merk LG, type Gold), heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

 de omstandigheid dat de verdachte heeft geprofiteerd van een door een ander of anderen gestolen goed en daarmee heeft bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt van gestolen voorwerpen, waardoor het plegen van vermogens-misdrijven door derden lucratief kan zijn.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 februari 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van heling, maar wel eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige vermogensdelicten en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn. Dit pleit niet in zijn voordeel, nu eerdere bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een vermogensdelict te plegen;

 de financiële draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Gelet op al het bovenstaande zal het gerechtshof de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigen en de door de advocaat-generaal geëiste straf opleggen, uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 21 april 2017 onder CJIB nummer 1132542002920991.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.