Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
21-005564-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is diefstal in vereniging en zware mishandeling. Bewijsoverweging over daderschap van de verdachte. Veroordeeld tot taakstraf van tweehonderdveertig uren. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005564-17

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 september 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers 16-118387-17 en 16-118526-17 inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal,

inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte ter zake van de onder het parketnummer 16-118387-17 en het parketnummer

16-118526-17 primair aan hem ten laste gelegde delicten zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel zal toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. N.C. Milani, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte ter zake van de onder het parketnummer 16-118387-17 en het parketnummer 16-118526-17 primair aan hem ten laste gelegde delicten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen en de schadevergoedings-maatregel opgelegd.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 16-118387-17 - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 17 augustus 2015 tot en met

24 augustus 2015, althans augustus 2015, te [plaats] , althans in Nederland, althans in het arrondissementsparket Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer cd's en/of dvd's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s).

Aan de verdachte is in de zaak met het parketnummer 16-118526-17 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 april 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan een persoon genaamd [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel bestaande uit (een) steek/snijverwonding(en) in het gezicht (met als gevolg een of meer litteken(s) in het gezicht), heeft toegebracht, door voornoemde persoon opzettelijk in het gezicht te slaan/stompen/steken en/of met een mes en/of een glas, althans een scherp/puntig voorwerp, in het gezicht te snijden en/of te steken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 april 2016 [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- voornoemde persoon in/op/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt en/of

- een mes, althans een scherp voorwerp, in het gezicht van voornoemde persoon heeft gesneden en/of gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 april 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandeld [benadeelde partij] meerdere malen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [benadeelde partij] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Overweging met betrekking tot het bewijs voor zware mishandeling

De verdachte heeft in het politieverhoor en ter terechtzitting van de rechtbank ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan zware mishandeling van [benadeelde partij] . De verdediging heeft vrijspraak bepleit, op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en op grond van het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Met name de betrouwbaarheid van de aangifte van [benadeelde partij] is betwist door de verdediging.

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde bewijsverweer dat strekt tot vrijspraak van zware mishandeling, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en acht de andersluidende lezing van de verdachte over hetgeen is voorgevallen niet aannemelijk geworden.

[benadeelde partij] heeft bij de raadsheer-commissaris een naar het oordeel van het gerechtshof plausibele uitleg gegeven over de omstandigheid dat hij aanvankelijk niet aan zijn vader heeft verteld dat het letsel dat hij had opgelopen was toegebracht door de messteken van de verdachte. Hij durfde dat eerst namelijk niet te vertellen aan zijn vader en hij noemde toen een val met zijn hoofd in kapot glas als oorzaak van zijn letsel . Dit heeft de vader van [benadeelde partij] - uiteindelijk - ook bevestigd bij de raadsheer-commissaris. Dit verklaart tevens hoe het mogelijk is dat in twee specialistenberichten wordt gesproken over een val van [benadeelde partij] met het hoofd in kapot glas.

Dat de vader van [benadeelde partij] in september 2019 kennelijk op diverse vragen van de raadsheer-commissaris het antwoord niet meer heeft of het niet goed weet, kan veroorzaakt zijn door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet (mede) als gevolg van het tijdsverloop tussen april 2016 en september 2019. Dit kan de door de verdediging aangehaalde verschillen in de verklaringen van [benadeelde partij] enerzijds en van zijn vader anderzijds verklaren.

Dat geen mes is aangetroffen door de politie en dat onduidelijk is waar het mes vandaan kwam, doet niet af aan het gegeven dat uit de aangifte blijkt dat de verdachte toen een mes heeft gehad en dat heeft gebruikt.

De hakkende bewegingen, van boven naar beneden, die de verdachte met het mes in het gezicht van [benadeelde partij] heeft gemaakt, kunnen naar het oordeel van het gerechtshof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet (als bedoeling) van de verdachte daarop gericht is geweest. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat de verdachte met de voor het bewijs van het ten laste gelegde feit vereiste opzet heeft gehandeld.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdediging.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met het parketnummer 16-118387-17 en in de zaak met het parketnummer 16-118526-17 primair ten laste gelegde delicten heeft begaan, met dien verstande, dat:

16-118387-17 -

hij in augustus 2015 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen cd's en dvd's, toebehorende aan [slachtoffer] .

16-118526-17 primair -


hij op 16 april 2016 te [plaats] aan een persoon genaamd [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel bestaande uit een steek/snijverwonding in het gezicht, met als gevolg een of meer littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door voornoemde persoon opzettelijk in het gezicht te steken met een mes.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-118387-17 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 16-118526-17 primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door het plegen van de diefstal in vereniging schade, overlast en ergernis heeft veroorzaakt voor de gedupeerde en zich niets gelegen heeft laten liggen aan diens eigendomsrecht;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door het plegen van de zware mishandeling een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij] en hem pijn, blijvend letsel, schade en overlast heeft bezorgd;

  • -

    de ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als handreiking voor de rechterlijke straftoemeting, ter zake van diefstal in vereniging en zware mishandeling.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 maart 2020, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van diefstal, alsmede ter zake van andersoortige delicten en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn. De veroordeling ter zake van diefstal pleit niet in zijn voordeel, nu een eerdere bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw een vermogensdelict te plegen;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Kern daarvan is dat ook nu nog sprake is van verslavingsproblematiek.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Gelet op al het bovenstaande zal het gerechtshof de door de advocaat-generaal geëiste straf opleggen, uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 83,50 en immateriële schade ten bedrage van € 5.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht geheel toegewezen.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met het parketnummer 16-118526-17 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2016 tot aan de dag van algehele voldoening

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-118387-17 en in de zaak met parketnummer 16-118526-17 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-118387-17 en in de zaak met parketnummer 16-118526-17 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-118526-17 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.083,50 (vijfduizend drieëntachtig euro en vijftig cent) bestaande uit

€ 83,50 (drieëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-118526-17 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.083,50 (vijfduizend drieëntachtig euro en vijftig cent) bestaande uit € 83,50 (drieëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 april 2016.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.