Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2533

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
21-001059-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is poging tot diefstal in vereniging. Bewijsoverweging over daderschap van de verdachte. Veroordeeld tot gevangenisstraf van vier weken, met aftrek van voorarrest. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001059-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2019 met het parketnummer 16-231001-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 01-845493-16, in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en vervolgens dezelfde beslissingen zal nemen als de politierechter, zoals hieronder nader aangegeven.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.M. Oerlemans, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, alsmede de vordering na voorwaardelijke veroordeling toegewezen.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 november 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) geprobeerd met een breekijzer, althans een breek-voorwerp, twee geldautomaten open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft op vrijwel alle vragen in het kader van het onderzoek naar het ten laste gelegde delict een beroep gedaan op zijn recht om te zwijgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte niet veel meer willen verklaren dan dat hij daar toen wel omstreeks 04.20 uur met anderen aanwezig was in de auto die - na ontdekking op heterdaad- door aangever is gevolgd en door de politie is gestopt, maar dat hij niets te maken heeft met het ten laste gelegde delict. Ook heeft hij verklaard dat hij er verder niets over wil zeggen, om de andere inzittenden van die auto - zijn familieleden - niet te belasten. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, op grond van onvoldoende bewijs voor het daderschap van de verdachte.

Het gerechtshof overweegt hierover het volgende.

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde bewijsverweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Bedoelde bewijsmiddelen komen grotendeels overeen met de bewijsmiddelen die de politierechter heeft gehanteerd.

Met name redengevend acht het gerechtshof dat door de politie in het onderzoek naar het ten laste gelegde delict is vastgesteld dat enkel de schoenen die de verdachte draagt oplichten in het donker wanneer die schoenen verlicht worden. Dat gegeven, bezien in combinatie met afdrukken van camerabeelden, waarop een dader is te zien die - bij lichtinval bij nacht - oplichtende schoenen draagt, plaatst de verdachte onmiskenbaar op de plaats van het delict.

De stelling van de verdediging dat één van de andere drie inzittenden van de auto waarin de verdachte is aangetroffen, meer in het bijzonder: [medeverdachte] , mogelijk óók schoenen heeft gedragen die oplichten wanneer er licht op valt, is niet aannemelijk geworden.

Op basis van het politieonderzoek kan niet zonder meer worden vastgesteld dat de politie ten tijde van het fotograferen van drie van de vier verdachten in deze zaak, tot welke drie gefotografeerde personen wèl de verdachte behoort, maar niet de medeverdachte [medeverdachte] , wist dat het oplichten van de schoenen van één van de beide personen die op de camerabeelden figureren van evident belang kon zijn voor het traceren van een dader.

Dat gegeven is immers in het geheel niet genoemd in het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 18 november 2018 (pagina's 99 en 100), die in de nacht van 18 november 2018 samen met aangever ter plaatse camerabeelden van het incident hebben bekeken en heel globaal hebben beschreven wat zij daarop hebben gezien. Het gegeven van de oplichtende schoenen is de dag erna beschreven, door de verbalisant [verbalisant 3] , aan de hand van gedetailleerde beschrijving van de camerabeelden. Op welk moment de foto's van de drie verdachten zijn gemaakt is echter niet bekend.

Niettemin is duidelijk dat de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die de verdachte op 18 november 2018 hebben verhoord, wél bekend zijn met de betekenis van de oplichtende schoenen voor het onderzoek in deze zaak. Immers, zij hebben de verdachte voorgehouden dat hij de enige is met dergelijke schoenen. Deze beide verbalisanten hebben even nadien op dezelfde dag [medeverdachte] verhoord en mogen daarom verondersteld worden bekend te zijn met het schoeisel dat [medeverdachte] toen heeft gedragen. Het ligt voor de hand dat zij [medeverdachte] in dat verhoor zouden hebben geconfronteerd met het gegeven van de oplichtende schoenen, in het geval dat [medeverdachte] dergelijke schoenen zou hebben aangehad. Die confrontatie heeft echter niet plaatsgevonden en dat duidt er naar het oordeel van het gerechtshof op dat [medeverdachte] toen geen oplichtende schoenen heeft aangehad. Was dat wel zo geweest, dan had de politie daar ongetwijfeld aandacht aan geschonken. Het enkele ontbreken van een foto-afdruk van [medeverdachte] in het politieonderzoek is voor het gerechtshof daarom geen reden tot twijfel over het daderschap van de verdachte. Het hof baseert zich voor dit oordeel ook op hetgeen in het proces-verbaal van relaas (pagina 4) is vermeld, te weten de constatering dat na onderzoek van de camerabeelden bleek dat één van de verdachte een zeer opvallend paar schoenen droeg, welke op de camerabeelden, duidelijk, te zien waren. Dit betreffen aldus het proces-verbaal de schoenen van verdachte [verdachte] .

Het gerechtshof plaatst op grond van het bovenstaande de verdachte direct op de plaats van het delict. De stelling van de verdediging dat de politie de verdachte heeft aangetroffen op de bijrijderszitplaats van de auto en niet achterin de auto, waar aangever twee mensen heeft zien instappen, doet hieraan niet af. Het hof overweegt in dit verband dat de verdachte mogelijk eerst inderdaad achterin de auto heeft plaatsgenomen en dat hij tijdens de rit van plaats heeft gewisseld. Ook zou sprake kunnen zijn van de feilbaarheid van de waarneming van aangever die in het holst van de nacht gestoord werd in zijn slaap en vervolgens in een achtervolging met de auto waarin verdachte zat verzeild is geraakt. Niet ondenkbaar is daarom ook dat aangever in het donker een of twee mensen achterin heeft zien instappen, maar niet heeft gezien dat verdachte aan de voorzijde is ingestapt.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde delict heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 november 2018 in het arrondissement Midden-Nederland tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehorende, te weten aan [benadeelde partij] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader geprobeerd met een breekvoorwerp twee geldautomaten open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door zijn handelen schade, overlast en ergernis heeft veroorzaakt voor de gedupeerde en dat de verdachte en de mededader zich niets gelegen hebben laten liggen aan diens eigendomsrecht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 februari 2020, waaruit blijkt dat eerder is veroordeeld, zowel ter zake van andersoortige delicten als ter zake van vermogensdelicten, waaronder diefstal, en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn. De eerdere veroordelingen ter zake van diefstal pleiten niet in zijn voordeel, nu eerdere bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw te proberen een vermogensdelict te plegen;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Gelet op al het bovenstaande is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hier passend en geboden. Daarom zal het gerechtshof de door de advocaat-generaal geëiste straf opleggen, uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 1.315,46. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2016 tot aan de dag van algehele voldoening

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover de mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de rechtbank Oost Brabant van 12 oktober 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftig dagen, parketnummer 01-845493-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.315,46 (duizend driehonderdvijftien euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.315,46 (duizend driehonderdvijftien euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 november 2018.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 oktober 2017, parketnummer 01-845493-16, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. E. de Witt en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.