Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2531

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
21-003314-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is mishandeling van een horecabezoeker door de verdachte, werkzaam als portier. Veroordeeld tot geldboete van duizend euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003314-18

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 mei 2018 met het parketnummer

18-046043-18 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:

- de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraken ter zake van de onder 1, 2, 3 en 5 aan hem ten laste gelegde geweldsdelicten;

- het onder 4 ten laste gelegde geweldsdelict bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal opleggen een geldboete van duizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis, welke geldboete mag worden voldaan in vijf maandelijkse termijnen van tweehonderd euro.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Korvemaker, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraken ter zake van de onder 1, 2, 3 en

5 aan de verdachte ten laste gelegde geweldsdelicten, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen, nu daartegen op grond van het bepaalde in artikel 404, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep mogelijk is. Het gerechtshof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de verdachte ter zake van de onder 4 aan hem ten laste gelegde mishandeling veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.

Het gerechtshof zal dat vonnis, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd - voor zover hier van belang - dat:

4.
hij op of omstreeks 19 februari 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen althans eenmaal tegen diens be(e)n(en) te schoppen / trappen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep stellig ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] . Meer in het bijzonder heeft hij aangevoerd dat hij uiteindelijk - in zijn functie als portier in café [naam café] in [plaats] - rond sluitingstijd een recalcitrante bezoeker naar de trap in het café en van die trap af heeft begeleid door zijn lichaam in te zetten, zonder daarbij te trappen of te schoppen. In het verlengde hiervan heeft de verdediging vrijspraak bepleit, op grond van gebrek aan overtuigend bewijs. Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdachte en diens raadsman gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van de mishandeling van [slachtoffer] , wordt weerlegd door de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Naast de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt hanteert het gerechtshof ook als bewijsmiddel de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende dat de verdachte die [slachtoffer] daar toen de trap af naar beneden heeft begeleid.

Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en volgt de verdachte niet in zijn andersluidende lezing. Evenmin acht het gerechtshof aannemelijk geworden de stelling van de verdediging dat de beleving van dit voorval door [slachtoffer] en diens stapmaatje - de getuige [getuige] - heel anders kan zijn geweest als gevolg van het gebruik van alcohol. Die stelling is - bij gebrek aan nadere onderbouwing - te speculatief.

De verdediging heeft er voorts op gewezen dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] enkele dagen na het voorval zijn afgelegd en dat beiden niet (geheel) op één lijn zitten in hetgeen zij hebben verklaard. Met name opvallend is dat de getuige [getuige] onder meer heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] tegen zijn rug werd geschopt door de verdachte en dat [slachtoffer] daarover in het geheel niet heeft verklaard, aldus de verdediging.

Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.

Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid.

De enkele omstandigheid dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onjuist. Dit kan immers zijn veroorzaakt door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet teweeg gebracht onder invloed van emoties door het delict. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en van de getuige [getuige] komen in hoofdlijn met elkaar overeen. De op ondergeschikte onderdelen voorkomende verschillen in die verklaringen maken dit niet anders.

De verklaring van de getuige [getuige] biedt - aldus bezien - overtuigend steunbewijs voor de aangifte van [slachtoffer] , mede gelet ook op het letsel aan de benen dat is vastgesteld bij [slachtoffer] . Dat letsel past aldus de conclusie van de onderzoekend forensisch arts bij hetgeen [slachtoffer] over de toedracht heeft verklaard.

De verdediging heeft er daarnaast op gewezen dat een onderdeel van de verklaring van [slachtoffer] onmogelijk gebeurd kan zijn, gelet op de - imposante - lichaamslengte van de verdachte. Het gaat hier om hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard over het afdalen van de trap van [naam café] , waarbij hij tegen zijn benen zou zijn geschopt door de achter hem op de trap lopende verdachte. Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.

Dit onderdeel van het verweer hanteert als uitgangspunt dat de verdachte zogenaamde knietjes heeft uitgedeeld aan [slachtoffer] . Dat volgt aldus de verdediging letterlijk uit hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard, namelijk dat het telkens “voelde alsof er een knie tegen zijn been werd gedrukt”.

Het gerechtshof stelt vast dat [slachtoffer] onder meer het volgende heeft verklaard: "Vervolgens liep ik de trap af naar beneden en halverwege de trap voelde ik dat ik weer op mijn been werd geschopt.". Het gegeven dat [slachtoffer] dit geweld interpreteert dat het voelde als een knie, die tegen zijn been werd gedrukt maakt niet dat verdachte niet heeft geschopt. [slachtoffer] heeft in zijn beschrijving van de toedracht over een eerder moment boven aan de trap verklaard dat hij voelde dat er vier of vijf keer van achter tegen zijn rechterbeen werd geschopt. Het gerechtshof vindt in de inhoud van aangifte geen aanleiding te twijfelen aan de omschrijving van het geweld door aangever. Het hof acht aldus bewezen dat [slachtoffer] is geschopt door de verdachte.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer.

Evenals de rechtbank ziet het gerechtshof geen rechtvaardiging voor het handelen van de verdachte. Hij heeft bij het verwijderen van [slachtoffer] uit het café de door hem in acht te nemen grenzen overschreden en heeft daarbij op de trap een gevaarlijke situatie doen ontstaan.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 aan hem ten laste gelegde delict heeft begaan, met dien verstande dat:

4.
hij op 19 februari 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen tegen diens benen te schoppen.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en hem pijn en letsel heeft toegebracht;

  • -

    de oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als handreiking voor de rechterlijk straftoemeting ten aanzien van mishandeling.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 februari 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit. Ook overigens zijn geen justitiële antecedenten aanwezig die van substantieel belang kunnen zijn bij de strafoplegging;

 de financiële draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Kern daarvan is dat de verdachte nu bij een ander horecabedrijf werkt als portier, daarnaast nu ook werkt als zorgbegeleider en dat hij dat werk graag wenst te blijven kunnen doen, meer in het bijzonder inhoudende dat een mogelijke veroordeling in deze zaak geen gevolgen zal hebben voor het aanvragen van een verklaring omtrent het gedrag.

Het gerechtshof heeft in het bijzonder ook in aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van het feit werkzaam was als portier. Een portier wordt geconfronteerd met situaties waarin moet worden gehandeld die - vanwege alcoholgebruik - soms buitengewoon lastig kunnen zijn. Daarin wordt enerzijds van de portier verwacht dat hij die moeilijke situaties ten einde brengt. Anderzijds mag van de portier worden verwacht dat hij bij uitstek handelt op een wijze die de (beschonken) gast van een gelegenheid niet in gevaar brengt. Het gerechtshof is van oordeel dat verdachte zoals hierboven overwogen niet juist heeft gehandeld en zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Gelet op al het bovenstaande zal het gerechtshof de door de advocaat-generaal geëiste geldboete opleggen, uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 200,00 (tweehonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.