Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2524

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
21-003510-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank op grond van artikel 422a, eerste lid, Sv. Inleidende dagvaarding dient nietig te worden verklaard. Betekening inleidende dagvaarding in eerste aanleg niet overeenkomstig de wet plaatsgevonden. Ten onrechte is verstek verleend in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003510-18

Uitspraak d.d.: 3 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers 18-036343-18 en 18-142574-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland op grond van artikel 422a, eerste lid, Sv. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. de Kruijff, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 6 juni 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van opzetheling en witwassen bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij MDS toegewezen tot een bedrag van € 2.569,04, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De omvang van het hoger beroep

Het hof acht het namens verdachte ingestelde hoger beroep gericht te zijn tegen het vonnis in zijn geheel, te weten het vonnis in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers 18-036343-18 en 18‑142574-17.

Betekening van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2020 heeft de raadsman zich – overeenkomstig zijn pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig dient te worden verklaard en dat de zaak op grond van artikel 422a, eerste lid, Sv zal worden teruggewezen naar de rechtbank.

Het hof overweegt als volgt.

Op het gegevensblad verdachte in het strafdossier staat als adres van verdachte het adres [adres 1] vermeld.

Blijkens het proces‑verbaal van aanhouding van verdachte betrof het op 18 juli 2017 door verdachte opgegeven adres het adres [adres 2] .

Uit de Informatiestaat SKDB van 2 maart 2020 volgt dat verdachte van 21 november 2016 tot 22 november 2017 op het adres [adres 3] in de Basisregistratie Personen stond geregistreerd.

De dagvaarding van verdachte voor de zitting van de politierechter van 6 juni 2018 met parketnummer 18-142574-17 is op 23 mei 2018 ter griffie van de rechtbank uitgereikt en overeenkomstig artikel 588a Sv naar het adres [adres 4] verzonden, nu dit blijkens de akte van uitreiking het adres is dat door verdachte zou zijn opgegeven bij gelegenheid van ‘het begin van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg’. Met de raadsman en de advocaat-generaal constateert het hof dat het onderzoek op de zitting in eerste aanleg echter op dat moment nog niet was aangevangen.

Uit de omstandigheden dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan verdachte is uitgereikt, dat verdachte in eerste aanleg niet is verschenen, dat het hof niet is gebleken dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting van de politierechter d.d. 6 juni 2018 verdachte bekend was en het standpunt van de verdediging in hoger beroep kan niet worden afgeleid dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. Gelet hierop en nu is gebleken dat een afschrift van de inleidende dagvaarding weliswaar is verzonden naar het van verdachte bekend geworden adres aan de [straat] , waarbij echter het verkeerde huisnummer is vermeld, heeft de betekening van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg niet overeenkomstig de wet plaatsgevonden. De politierechter had de zaak niet bij verstek mogen afdoen, maar het onderzoek ter zitting dienen te schorsen om het verzuim te herstellen.

Dit brengt mee, dat de inleidende dagvaarding, gelet op het bepaalde in artikel 422a Sv van het Wetboek van Strafvordering, nietig moet worden verklaard. Nu de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep terugwijzing naar de rechtbank heeft verlangd, zal het hof op grond van artikel 422a Sv de zaak niet zelf afdoen, maar – na vernietiging van het vonnis – de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst op grond van artikel 422a, eerste lid, Sv de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 3 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.