Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2481

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
200.264.333
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Geen afwijking van forfaitaire berekening behoefte. In afwijking van wat gebruikelijk is uitgaan van betaling van verblijfsoverstijgende kosten door man, gelet op voortdurende strijd hierover tussen partijen. Geen terugbetalingsverplichting, gelet op bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.333

(zaaknummer rechtbank Gelderland 343576)

beschikking van 24 maart 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. N. Vinke te Eindhoven,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M.J.P. Michiels te Wijchen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 14 augustus 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vinke van 26 september 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vinke van 9 oktober 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Michiels van 1 november 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vinke van 8 november 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2019 in het gerechtsgebouw te Zwolle plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , (verder: [de minderjarige] ) geboren [in] 2010 te [B] ,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. De vrouw heeft uit een eerdere relatie twee kinderen:

- [C] , (verder: [C] ), geboren [in] 1999;

- [D] (verder: [D] ), geboren [in] 1996.

[de minderjarige] groeide voor het uitgaan van zijn ouders in gezinsverband om met zijn ouders, [C] en [D] .

3.2

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 15 mei 2019 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) zal betalen van € 401,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met elf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

15 mei 2019. De grieven zien op de behoefte van [de minderjarige] (grieven 1 en 5), het netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) van de man (grief 2) en de vrouw (grief 3) ten tijde van de samenwoning en daarna en het netto gezinsinkomen (hierna ook: NGI) in 2018 van partijen (grief 4), de draagkracht van de vrouw (grief 3), de draagkracht van de man (grieven 6 en 7), het aandeel van partijen in de kosten van [de minderjarige] (grief 8), de zorgkorting (grief 9) en verrekening van de bijdrage met eigen kosten ten behoeve van [de minderjarige] (grief 10). Grief 11 ziet op de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage op grond van de grieven 1 tot en met 10 en mist zelfstandige betekenis. De man verzoekt het hof de beschikking van

15 mei 2019 te vernietigen en de verzoeken van de vrouw (het hof begrijpt: het verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie) alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] op nihil wordt vastgesteld, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht, kosten rechtens.

4.2

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof het door de man ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken, bij de bespreking hieronder van de verschillende onderwerpen.

5.2

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum is tussen partijen in hoger beroep niet in geschil, zijnde 15 mei 2019.

Behoefte [de minderjarige]

5.3

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van [de minderjarige] aan een bijdrage.

De man stelt in zijn eerste grief dat voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] in deze specifieke situatie moet worden afgeweken van de (forfaitaire) berekeningssystematiek van de behoefte (de behoeftetabel) conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: de Expertgroep). Van het gezamenlijk inkomen werd een relatief klein deel aangewend ter bestrijding van de kosten van verzorging en opvoeding van de in het gezin aanwezige kinderen en daarom moet worden uitgegaan van een behoeftelijstje althans van de werkelijke kosten van [de minderjarige] . Toepassing van de behoeftetabel zorgt voor een onacceptabele en onaanvaardbare uitkomst die geen recht doet aan de situatie van partijen. De werkelijke behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 350,- per maand waarop de toelagen nog in mindering komen, aldus nog steeds de man.

De vrouw betwist dat en stelt dat geen sprake is van bijzondere kosten waardoor afgeweken zou moeten worden van de behoeftetabel.

Het hof volgt de man niet. De specifieke wijze waarop het gezinsinkomen werd besteed acht het hof onvoldoende grond om af te wijken van de forfaitaire berekening van de behoefte conform de aanbevelingen van de Expertgroep, de behoeftetabel, nog daargelaten dat de man het door hem overgelegde behoeftelijstje ook niet heeft onderbouwd. Voor de bepaling van de behoefte zoekt het hof dan ook net als de rechtbank aansluiting bij voornoemde aanbevelingen.

5.4

Het hof zal bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] volgens de behoeftelijst uitgaan van het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen en op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vaststellen. Het hof zal daarbij, evenals de rechtbank, 2018 als referentiejaar nemen nu daar niet tegen is gegriefd.

5.5

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voor de berekening van het NGI, het NBI van de man berekend kan worden aan de hand van zijn jaaropgaaf over 2018 nu daarin alle inkomsten die de man heeft ontvangen van zijn werkgever in dat jaar zijn verwerkt.

Anders dan de man is het hof met de rechtbank van oordeel dat er rekening moet worden gehouden met de bonus (die ook in de jaaropgaaf 2018 is verwerkt) nu vaststaat dat de man deze ten tijde van de samenleving ontving en onderdeel uitmaakte van het NGI van partijen. Voorts is het hof net als de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen, geen rekening dient te worden gehouden met de kosten van de leaseauto. Het door de man aangevoerde geeft het hof geen aanleiding van die aanbevelingen af te wijken.

Op grond van het vorenstaande neemt het hof de berekening van de rechtbank van het NBI van de man (ten behoeve van de berekening van het NGI) over en gaat het hof net als de rechtbank uit van een NBI van de man van € 6.891,- per maand.

5.6

Anders dan de man stelt in zijn derde grief houdt het hof net als de rechtbank in het kader van de berekening van het NGI, bij de vaststelling van het NBI van de vrouw(gemiddeld over de jaren 2016, 2017 en 2018) rekening met de financiële keuzes van de vrouw als ondernemer ten tijde van de samenleving van partijen. Het gaat hierbij om keuzes betreffende (eventueel versneld) afschrijven op de materiële vaste activa en personeelskosten. Dit zijn niet alleen keuzes die de vrouw als ondernemer mag maken, maar het hof acht het ook reëel daarvan uit te gaan in het kader van de berekening van de behoefte, nu voor die berekening de feitelijke (financiële) situatie ten tijde van de samenleving van belang is en niet die, welke er wellicht ook had kunnen zijn. Om die reden houdt het hof ook, net als de rechtbank, rekening met de aflossing van de lening, nu de lening toen nog niet was afgelost.

Op grond van het vorenstaande neemt het hof voor de berekening van het NGI de berekening van de rechtbank van het NBI van de vrouw over en gaat het hof derhalve, net als de rechtbank, uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 19.209,- en van een NBI van de vrouw van € 1.561,- per maand.

5.7

Het NGI (het totaal van het NBI van de man en dat van de vrouw) bedroeg in 2018 derhalve € € 8.452,-per maand.

Net als de rechtbank gaat het hof bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] uit van de behoeftetabel voor twee kinderen nu [D] in 2018 al 21 jaar oud was en een eigen inkomen genoot. Het hof laat haar bij de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] dan ook buiten beschouwing. Nu voor het overige geen grieven zijn aangevoerd bedraagt de behoefte van [de minderjarige] aan een bijdrage van zijn ouders in 2018 € 715,- per maand. Geïndexeerd naar 2019 is dit afgerond € 729,- per maand.

5.8

Bij het bepalen van het aandeel van de man/vrouw in de behoefte van [de minderjarige] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.

5.9

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man/vrouw zijn/haar NBI tot uitgangspunt nemen. De draagkracht zal conform de aanbevelingen van de Expertgroep en gelet op de ingangsdatum van 15 mei 2019 worden vastgesteld aan de hand van de voor 2019 geldende formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,-)], als het een NBI betreft dat hoger is dan

€ 1.625,- per maand.

5.10

De man heeft betoogd om uit te gaan van een lager salaris dan de jaaropgaaf 2018 omdat hij geen bonus meer ontvangt dan wel zijn bonus in ieder geval lager zal worden dan wel zal moeten worden besteed aan uitgaven aan de woning, maar uit de loonstrook van september 2019 blijkt dat de man een met 2018 vergelijkbare bonus ook toen nog ontving. De man heeft bovendien zijn stelling dat hij minder bonus zal gaan ontvangen niet onderbouwd en de wijze waarop de man de bonus wil besteden is naar het oordeel van het hof geen reden om van geen of een lager bedrag aan bonus uit te gaan. De man heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt/aangetoond dat hij in 2019 (of daarna) minder salaris heeft (of zal) ontvangen dan in 2018 zodat voor de berekening van zijn huidige draagkracht, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, van de jaaropgaaf 2018 zal worden uitgegaan.. Ten aanzien van de stelling van de man dat rekening moet worden gehouden met zijn hogere belastingdruk vanwege zijn leaseauto, verwijst het hof naar hetgeen daarover hierboven onder 5.4 reeds is overwogen.

Het hof ziet evenmin reden om de woonlasten te corrigeren zoals de man heeft verzocht. En ditzelfde geldt voor zijn verzoek om rekening te houden met de nutsvoorzieningen.

Voor zover de man hier nog een beroep op de aanvaardbaarheidstoets heeft gedaan, wijst het hof er op dat die toets bij de toepassing van de formule ter berekening van draagkracht niet aan de orde is, terwijl de man zijn beroep daarop ook overigens niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd.

Concluderend neemt het hof voor wat betreft de berekening van de huidige draagkracht van de man de berekening van de rechtbank over, nu die voor wat betreft het gehanteerde inkomen juist is en voor het overige niet is betwist. De draagkracht van de man bedraagt derhalve het door de rechtbank berekende bedrag van € 2.772,-per maand.

5.11

Het hof is van oordeel dat, anders dan bij de berekening van het NBI van de vrouw ter bepaling van de behoefte van [de minderjarige] , voor de vaststelling van de huidige draagkracht van de vrouw (van belang voor de berekening van de alimentatie voor [de minderjarige] die toekomstgericht is) er gelet op het hetgeen de man ook naar voren heeft gebracht redenen zijn om het gemiddelde bedrijfsresultaat van haar onderneming over 2016, 2017 en 2018 van € 19.209,- per jaar te corrigeren. Inde jaarstukken wordt uitgegaan van een afschrijving op de materiële vaste activa van € 6.710,- per jaar, gebaseerd op een afschrijvingstermijn van vijf jaar, maar nu de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat de levensduur van de meeste apparaten acht jaar bedraagt, acht het hof het redelijk om uit te gaan van een afschrijvingstermijn van acht jaar en de winst uit onderneming daarmee te corrigeren. Dit betekent dat de afschrijving over acht jaar € 6.710,- x 5 : 8 = afgerond € 4.194,- per jaar is en zal het gemiddelde bedrijfsresultaat met € 2.516,- per jaar (€ 6.710,- - € 4.194,-) worden gecorrigeerd. Voorts zal het hof geen rekening meer houden met de rente en aflossing van de lening nu gebleken is dat deze in juli 2019 is geëindigd.

Het hof is van oordeel dat de vrouw de noodzaak voor het inzetten van extra personeel voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij naast het werk op haar bedrijf ook thuis de boekhouding van het bedrijf doet. Het hof is van oordeel dat de vrouw op dit moment voldoende aan haar inspanningsverplichting voldoet. Het hof zal de winst uit onderneming dan ook niet corrigeren met minder personeelskosten zoals de man heeft verzocht.

Uit de door de vrouw overgelegde nieuwe huurovereenkomst blijkt dat de huur met ingang van 1 november 2019 € 15.300,- per jaar bedraagt. Nu gebleken is dat de oude huur

€ 21.000,- bedroeg, acht het hof het redelijk de gemiddelde winst te corrigeren met € 5.700,-ter zake van huisvestingskosten.

Rekening houdend met het vorenstaande bedraagt het gecorrigeerde gemiddelde bedrijfsresultaat (€ 19.209,-+ € 2.516,- + € 5.700,- ) € 27.425,- per jaar.

De vrouw heeft voorts recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

De vrouw vormt met [C] en met [de minderjarige] een gezin. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw heeft recht op een kindgebonden budget en alleenstaande ouder kop.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2019 vast op € 2.562,- per maand

5.12

Conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2019 70% x [2.776 – (0,3 x 2.776 + 950)] stelt het hof de draagkracht van de vrouw vast op € 590,- per maand.

5.13

De draagkracht van de man en de vrouw vergeleken, dienen de man en de vrouw van hun draagkracht € 601,- respectievelijk € 128,-aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van [de minderjarige] .

5.14

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Nu sprake is van een zorgregeling van tenminste drie dagen per week, zal het hof in lijn met het Rapport Alimentatienormen een percentage van 35% in aanmerking nemen. Ten behoeve van de man merkt het hof op dat ook bij een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dit percentage in aanmerking wordt genomen.

5.15

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtige ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de volledige behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Aangezien de behoefte in 2019 € 729,- per maand bedraagt is de zorgkorting afgerond € 255-,- per maand.

5.16

De man heeft ter mondelinge behandeling aangeboden alle verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] , niet zijnde de verblijfskosten, te willen betalen. In afwijking van wat ten deze gebruikelijk is, zal het hof bij het bepalen van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage hiervan uitgaan. Het is het hof uit het dossier en de mondelinge behandeling gebleken dat er voortdurend strijd is tussen partijen over met name (de noodzaak) van de verblijfsoverstijgende kosten, wat voor [de minderjarige] erg belastend is. Het hof acht het, mede gelet op de zorgregeling zoals die geldt, ten aanzien van [de minderjarige] , in zijn belang dat de strijd op dat punt wordt weggenomen en het hof is van mening dat dit het geval zal zijn als de man in plaats van de vrouw die verblijfsoverstijgende kosten, die op 30% van het behoeftebedrag, zijnde afgerond € € 219,- per maand, dienen te worden begroot, voor zijn rekening zal nemen. De vrouw zal dan nog slechts de kosten van verblijf van [de minderjarige] bij haar dienen te voldoen.

Aangezien de behoefte € 729,- per maand bedraagt zijn de verblijfsoverstijgende kosten

afgerond € 219,- per maand.

Het eerder berekende aandeel van de man van € 601,- per maand dient dan te worden verminderd met de zorgkorting en de verblijfsoverstijgende kosten zodat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw nog € 127,- per maand dient te voldoen, als bijdrage in de kosten van verblijf van [de minderjarige] bij haar.

5.17

Gelet op het vorenstaande behoeft grief 10 geen bespreking meer. Grief 10 slaagt in zoverre.

5.18

Het hof gaat er van uit dat de man tot heden de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van [de minderjarige] aan de vrouw zal hebben voldaan. Op de zitting in hoger beroep was hij “bij” met betalen en het hof verwacht dat dit nu niet anders zal zijn. Dit betekent ook dat de man tot heden meer aan de vrouw zal hebben voldaan dan hij op grond van deze beschikking zou moeten voldoen. Dit is onder meer het gevolg van het feit dat het hof de draagkracht van de vrouw op een hoger bedrag dan de rechtbank heeft bepaald waardoor het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] kleiner is geworden en dat van de vrouw hoger. In principe zou die omstandigheid, mede in aanmerking genomen dat er voldoende totale draagkracht is om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien, nominaal tot een terugbetalingsverplichting van de vrouw aan de man kunnen leiden. Echter, gelet op de omstandigheden van dit bijzondere geval, acht het hof het niet gewenst indien deze beschikking, die is bedoeld om voor de toekomst in het belang van [de minderjarige] , strijd tussen partijen over geld ten behoeve van [de minderjarige] te voorkomen, juist daarover weer strijd genereert. Het hof weegt bovendien mee dat de man nog steeds, vergeleken bij de vrouw, over een zeer ruime draagkracht beschikt en dat het uiteindelijk door de man aan de vrouw teveel betaalde bedrag, berekend aan de hand van de door het hof berekende aandelen van de man en de vrouw in de kosten van [de minderjarige] , ook niet zodanig hoog zal zijn dat, naar het oordeel van het hof, het belang van de man bij terugbetaling van het teveel betaalde zwaarder zou moeten wegen dan het belang van [de minderjarige] bij rust op financieel gebied. Concluderend zal het hof daarom om proceseconomische redenen de beschikking van de rechtbank bekrachtigen, voor zover het de periode tot heden betreft en vanaf heden opnieuw beslissen conform het hof heeft overwogen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking deels vernietigen en beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw ten behoeve van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

15 mei 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met ingang van heden en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 127,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man met ingang van heden alle verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] , niet zijnde verblijfskosten, betaalt;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

15 mei 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en het de periode tot heden betreft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, R. Feunekes en M.P. den Hollander, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes, en is op 24 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.