Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2477

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
200.259.151
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding en nevenvoorzieningen. IPR. Rechtsmacht Nederlandse rechter; geen toepassing Egyptisch recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5523
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.151

(zaaknummer rechtbank Gelderland 335846)

beschikking van 24 maart 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] (Egypte),
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. el Hannouche te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.G. Hendriks te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 28 november 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Hendriks van 17 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. El Hannouche van 6 februari 2020 met productie(s).

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

28 november 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof, alvorens verder te beslissen, de vrouw in de gelegenheid gesteld het document te overleggen waaruit blijkt dat door de Egyptische autoriteiten is geaccepteerd dat zij afstand heeft gedaan van de Egyptische nationaliteit

(volgens de door de vrouw overgelegde bijlage 3: het ministerieel besluit van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken van 23 februari 2017 met nummer 385) en een beëdigde vertaling daarvan, en iedere verdere beslissing aangehouden.

Toepasselijk recht echtscheiding

2.3

De vrouw heeft ten bewijze van haar stelling dat zij met succes afstand heeft gedaan van de Egyptische nationaliteit, bij haar journaalbericht van 17 januari 2020 overgelegd een schriftelijk stuk in de Egyptische taal van luitenant dr. [C] , directeur van het directoraat-generaal voor Paspoorten, Immigratie en Nationaliteit van 10 december 2018 en een beëdigde vertaling daarvan. In dit stuk wordt aan de vrouw het volgende bevestigd:

“ (..)

- Dat u van origine de Palestijnse nationaliteit heeft en op 31-08-2015 de Egyptische nationaliteit verkregen hebt door het huwelijk met de heer: [verzoeker] - door toepassing van de definitie van het zesde artikel/1 van wet nummer 26 van het jaar 1975 en met ingang van deze datum de Egyptische nationaliteit door ons gehanteerd wordt.

-Op 23-02-2017 is ministerieel besluit nummer 385 van het jaar 2017 uitgevaardigd waarmee het u toegestaan is om de Palestijnse nationaliteit aan te nemen zonder behoud van de Egyptische nationaliteit. Wij beschouwen u als de Egyptische nationaliteit verloren hebbende vanaf de datum van uitvaardiging van het besluit.

(…).”

2.4

Met het overleggen van voormeld stuk heeft de vrouw voldoende aangetoond dat zij op 23 februari 2017 afstand heeft gedaan van de Egyptische nationaliteit.

Nu de vrouw ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek op 10 april 2018 de Egyptische nationaliteit niet meer bezat, was die nationaliteit op dat moment voor de man en de vrouw geen gemeenschappelijke nationaliteit meer en kan op grond van artikel 10:56 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het verzoek van de man om primair Egyptisch recht toe te passen op het verzoek tot echtscheiding niet worden toegewezen. Daarmee faalt grief 1.

Voor zover de man in zijn brief, behorend bij het journaalbericht van 6 februari 2020, wederom heeft betoogd dat zijn subsidiaire verzoek om toepassing van het Palestijnse recht op het verzoek tot echtscheiding moet worden toegewezen (grief 2), wijst het hof op hetgeen hierover reeds is overwogen in zijn tussenbeschikking van 28 november 2018, onder rechtsoverweging 5.3, waarin dit subsidiaire verzoek reeds is besproken en is geoordeeld dat deze tweede grief faalt. Hetgeen de man hierover nog nader heeft aangevoerd - nog afgezien van het feit dat het hof daarvoor aan de man geen toestemming had gegeven en de vrouw daarop ook niet meer heeft kunnen reageren - geeft het hof geen aanleiding om die eindbeslissing te heroverwegen.

Concluderend is op grond van artikel 10:56 lid 1 BW Nederlands recht op het onderhavige verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.6

In zijn derde grief komt de man op tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zowel naar Nederlands recht als naar Egyptisch subsidiair Palestijns recht. Nu Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding, zal het hof bij de bespreking van deze grief zich beperken tot hetgeen de man in verband daarmee heeft aangevoerd. De man betwist, kortgezegd, dat het huwelijk duurzaam zou zijn ontwricht.

Het hof overweegt daarover het volgende.

Op grond van artikel 1:151 BW wordt echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Vast staat dat partijen inmiddels sedert circa drie jaar feitelijk uiteen zijn waarbij de vrouw in Nederland woont en inmiddels ook beschikt over de Nederlandse nationaliteit en de man in Egypte woont. Partijen hebben sinds hun uiteengaan en inmiddels dus jarenlang al niet meer met elkaar gecommuniceerd. Het is reeds hierom aannemelijk dat sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw heeft duidelijk en herhaald, ook weer ter mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard, dat zij zich niet meer met de man wenst te herenigen en er geen uitzicht is op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Het hof concludeert dan ook dat, anders dan de man stelt, er geen uitzicht bestaat op herstel van de echtelijke verhoudingen, dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat daarmee de echtscheiding tussen partijen terecht door de rechtbank is uitgesproken.

Grief 3 faalt eveneens.

Gezag, contact/omgangsregeling en informatieregeling met [D]

2.5

Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de rechtsmacht, de Nederlandse rechter, en het toepasselijke recht, Nederlands recht met betrekking tot het ouderlijk gezag, de informatieregeling en de contactregeling.

Gezag

2.6

Blijkens het eerste lid van artikel 1:251 BW oefenen de ouders gedurende het huwelijk gezamenlijk het gezag uit. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:251 BW blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed gezamenlijk uitoefenen. Ingevolge artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.7

Het hof vindt met de rechtbank dat gezamenlijk ouderlijk gezag niet langer in het belang is van [D] en dat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk alleen met het gezag dient te worden belast.

Het hof verwijst naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze over en maakt deze, na eigen onderzoek, tot de zijne en voegt daaraan nog het volgende toe.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat het nog steeds ontbreekt aan communicatie tussen partijen en dat de slechte verstandhouding tussen partijen niet is verbeterd. . Nu niet te verwachten is dat de verhouding tussen partijen binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren, de man in Egypte woonachtig is, geen aansluiting heeft met de Nederlandse samenleving, er geen zicht op heeft hoe het met [D] gaat en zich daarom geen goed oordeel kan vormen van wat in het belang is van [D] , is er een onaanvaardbaar risico aanwezig dat [D] klem of verloren zal raken wanneer de ouders met het gezamenlijk ouderlijk gezag blijven belast.

Daarmee faalt ook de vierde grief.

Omgangsregeling en informatieregeling

2.8

In zijn vijfde en zesde grief komt de man op tegen de door de rechtbank vastgestelde informatie- respectievelijk contactregeling. Nu de vrouw ter mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft verklaard dat de man nog geen enkele keer gebruik heeft gemaakt van de door de rechtbank vastgestelde contactregeling, is het hof van oordeel dat er op dit moment geen reden is om de contactregeling uit te breiden zoals de man heeft verzocht.

Ook met betrekking tot de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling van eenmaal per maand is het hof van oordeel dat deze regeling op zichzelf redelijk is en ook recht doet aan de huidige situatie waarbij geen sprake is van (overige) communicatie tussen partijen. De huidige frequentie van een keer per maand is door de vrouw op te brengen en leidt voor de man tot voldoende recente informatie. Het hof ziet dan ook geen reden de informatieregeling op dit moment uit te breiden naar eenmaal per week zoals de man heeft verzocht.

Grief 5 en 6 slagen evenmin.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

3.3

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van

7 februari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, M.P. den Hollander en H. Phaff, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van genoemde raadsheren getekend door mr. R. Feunekes, en is op 24 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.