Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2443

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.249.339/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 9 Wahv. De financiële situatie van de betrokkene kan aanleiding geven tot matiging van de sanctie als aannemelijk is dat hij onevenredig wordt getroffen door de hoogte van de sanctie. Dat er gemeentelijke belastingen zijn kwijtgescholden en de betrokkene en zijn partner slechts AOW genieten, is daarvoor onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.249.339/01

CJIB-nummer

: 211677934

Uitspraak d.d.

: 20 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 september 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op

9 oktober 2017 om 13.58 uur op de Noordhaven in Zevenbergen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . De officier van justitie heeft bij beslissing van 24 mei 2018 de in de inleidende beschikking genoemde pleeglocatie gewijzigd in “Zuidhaven”. Deze wijziging is juist en heeft de instemming van de betrokkene.

2. Met de betrokkene stelt het hof vast dat de kantonrechter bij zijn bestreden beslissing, na vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, het beroep tegen de inleidende beschikking deels gegrond had dienen te verklaren en de inleidende beschikking wat betreft de pleeglocatie in voormelde zin had moeten wijzigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook in zoverre vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3. De klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie het beroep van de betrokkene kennelijk niet-ontvankelijk in plaats van kennelijk ongegrond heeft verklaard, kan, nu kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd, onbesproken blijven.

4. De bezwaren van de betrokkene richten zich verder tegen de hoogte van het sanctiebedrag. Hij voert in dit verband aan dat hij en zijn vrouw slechts over een AOW-pensioen beschikken en dat hem de afgelopen jaren steeds kwijtschelding is verleend van de verschuldigde gemeentelijke belastingen op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Een dergelijke kwijtschelding wordt slechts verleend in het geval de belastingplichtige niet beschikt over vermogen en er geen betalingscapaciteit aanwezig is. Op basis van dit “overheidscertificaat” staat naar de mening van de betrokkene vast dat hij niet in staat kan worden geacht het sanctiebedrag te voldoen. Daarnaast biedt de Wahv ook de ruimte voor de rechter om het bedrag van de administratieve sanctie lager vast te stellen indien de persoonlijke omstandigheden waarin de betrokkene verkeert daartoe aanleiding geven. De betrokkene verwijst daartoe naar pagina 17 van de memorie van toelichting op het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (kamerstukken II, 1987/1988, 20329, nr. 3): “(….) de rechter heeft een volledige toetsingsbevoegdheid ten aanzien van de vragen of (….) de persoonlijke omstandigheden van dien aard zijn dat betaling van de administratieve sanctie niet geheel kan worden gevergd.” Tot slot wijst de betrokkene erop dat een sanctie in het kader van de Wahv gelijkgesteld kan worden gesteld met een bestuurlijke boete als bedoeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Net als in het kader van die regeling dient op grond van de Wahv een indringende toets ter beoordeling van de financiële draagkracht plaats te vinden, aldus de betrokkene. De kantonrechter is hier naar de mening van de betrokkene niet, althans onvoldoende op het door hem aangevoerde ingegaan.

5. Het hof stelt voorop dat de door de betrokkene genoemde Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 geen betrekking heeft op de oplegging van sancties en de hoogte van het bedrag van de sanctie op grond van de Wahv. Dat betekent dat de omstandigheid dat de betrokkene kwijtschelding is verleend van de verschuldigde gemeentelijke belastingen op zichzelf niet meebrengt dat het bedrag van de sanctie op grond van de Wahv op nihil moet worden gesteld of op een lager bedrag dan opgenomen in de bij artikel 2, derde lid, van de Wahv behorende bijlage.

6. Dit neemt niet weg dat de officier van justitie, en in het verlengde van de officier van justitie de rechter, op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv gehouden is het bedrag van de sanctie te matigen indien de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert daartoe nopen. Dat doet zich voor als de hoogte van het sanctiebedrag zodanig is dat de betrokkene daardoor, in het licht van zijn financiële situatie, onevenredig wordt getroffen.

7. Dat heeft de betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de betrokkene met zijn echtgenote slechts over een AOW-pensioen en niet over vermogen beschikt, is daartoe onvoldoende. De betrokkene, die kennelijk beschikt over betaalcapaciteit ter financiering van zijn auto en voor een lening om zekerheid te kunnen stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten, heeft niet inzichtelijk gemaakt - bijvoorbeeld door een overzicht van zijn uitgaven - dat de sanctie, gelet op de hoogte daarvan, hem onevenredig treft.

8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;

bevestigt deze beslissing voor het overige, met verbetering van gronden;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de in de inleidende beschikking genoemde locatie in “Zuidhaven”.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.