Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2435

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
18/00733
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1576
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Uitspraak op verzet. Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht. Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-03-2020
FutD 2020-1039
NTFR 2020/1028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00733

uitspraakdatum: 17 maart 2020nummer 07/005620111

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het verzet van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht gedane uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 22 januari 2019 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, nummer AWB 18/865, van 20 juli 2018, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding.

1.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 20 juli 2018 hoger beroep ingesteld bij een op 15 augustus 2018 ter griffie van het Hof ontvangen beroepschrift.

1.2

De griffier heeft belanghebbende bij brief van 3 oktober 2018 en daarna bij aangetekende brief van 2 november 2018 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In laatstgenoemde brief is aan belanghebbende meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening. De griffier heeft belanghebbende er daarbij op gewezen dat bij niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

1.3

Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 22 januari 2019 niet-ontvankelijk verklaard omdat het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend. Het verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 30 januari 2019.

1.5

Belanghebbende is bij aangetekend verzonden brief van 3 januari 2020 aan het adres [a-straat] 29, [Z] uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van 25 februari 2020 om 13.30 uur te Arnhem. Deze brief is blijkens informatie van post.nl op 4 januari 2020 om 16.18 uur bij belanghebbende bezorgd. Voor de ontvangst is getekend. Aan de Inspecteur is ter kennisneming een afschrift van voormelde uitnodigingsbrief gestuurd. Ter zitting is namens belanghebbende niemand verschenen.

Beoordeling van het verzet

2.1

Het griffierecht dient ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Niet-betaling of niet-tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht leidt op grond van het bepaalde in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het hoger beroep in verzuim is geweest.

2.2

De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 2 november 2018, met betalingskenmerk 4000 8591 0186 2275, gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In die brief is aan belanghebbende meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening. De griffier heeft belanghebbende er daarbij op gewezen dat bij niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.3

Belanghebbende heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2018 (nummers AWB 18/992 en 18/793), welke uitspraak geen betrekking heeft op met de onderhavige zaak samenhangende zaken. Voor dat hoger beroep heeft de griffier belanghebbende op 2 november 2018 een nota griffierecht, met betalingskenmerk 2000 8591 0186 2276, ten bedrage van € 126 gezonden. Belanghebbende heeft op 29 november 2018, onder vermelding van de kenmerknummers van beide nota’s, slechts eenmaal een bedrag van € 126 betaald. Die betaling is door de griffier aangemerkt als te zijn gedaan op de nota met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2018.

2.4

Belanghebbende heeft in verzet aangevoerd dat hij het verschuldigde griffierecht op 29 november 2018 heeft betaald. Mocht blijken dat hij niet heeft betaald, dan is belanghebbende bereid alsnog te betalen.

2.5

Blijkens de administratie van de griffie heeft belanghebbende het voor de behandeling van de onderhavige zaak in rekening gebrachte griffierecht van € 126 niet betaald. Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij wel heeft betaald niet door overlegging van een bankafschrift of anderszins aannemelijk gemaakt. Voorts heeft belanghebbende geen omstandigheden gesteld op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Ook overigens is daarvan niet gebleken.

2.6

Voormeld oordeel brengt mee dat belanghebbende terecht wegens het niet voldoen van het griffierecht niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep.

2.7

Indien belanghebbende, zoals hij heeft aangeboden te doen, het griffierecht alsnog zou betalen, zou dat geen tijdige betaling kunnen bewerkstelligen, nu de termijn voor die betaling met 30 november 2018 is verstreken.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het verzet ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. S.M. Evers en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 17 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 maart 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.