Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2423

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
21-004242-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens belaging, het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing en vernieling tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Gemaximeerde TBS. Oplegging TBS met verpleging van overheidswege is geen ultimum remedium maar een passende maatregel. Ook oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht en de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende een contactverbod voor de duur van vijf jaren, waarbij de dadelijke uitvoerbaarheid is bevolen. Toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004242-19

Uitspraak d.d.: 20 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2019 met parketnummer 16-263496-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

verblijvende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest;

- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

- toepassing van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

- toepassing van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht door oplegging van een contactverbod met aangeefster en familie, dadelijk uitvoerbaar, gedurende vijf jaren, waarbij per overtreding zeven dagen vervangende hechtenis moet worden toegepast;

- toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ad € 1.851,53, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Pardijs, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2019 ter zake van – kort gezegd – belaging (feit 1), opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, meermalen gepleegd (feit 2) en vernieling (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, met daaraan verbonden verschillende voorwaarden, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Ook is de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod, aan verdachte opgelegd, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Tot slot is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 7 januari 2019 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door

- meermalen berichten te versturen via internet/social media (WhatsApp, facebook, instagram, snapchat) naar die [benadeelde partij] en/of

- meermalen reacties te plaatsen onder foto's op haar Instagram-account en/of

- meermalen (anoniem) te bellen naar die [benadeelde partij]

- meermalen accounts en/of advertenties op internet/social media aan te maken op naam van die [benadeelde partij]

met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;


2.
hij in of omstreeks de periode van 23 november 2018 tot en met 22 december 2018 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 23 november 2018 gegeven door de officier van justitie te Midden-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met die [benadeelde partij] ;

door

- te bellen naar die [benadeelde partij] en/of

- berichten te sturen via internet/social media (Whatsapp, Instagram) naar die [benadeelde partij] en/of

- ( een) Instagram- en/of Facebook-account(s) aan te maken met haar naam en/of met dat account familie van die [benadeelde partij] te benaderen;


3.
hij op of omstreeks 21 november 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een kussen en/of tijdschriften en/of een ophoudruimte/cel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie eenheid Midden-Nederland toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 1 september 2018 tot en met 7 januari 2019 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door

- meermalen berichten te versturen via internet/social media (WhatsApp, facebook, instagram, snapchat) naar die [benadeelde partij] en

- meermalen reacties te plaatsen onder foto's op haar Instagram-account en

- meermalen (anoniem) te bellen naar die [benadeelde partij]

- meermalen accounts en advertenties op internet/social media aan te maken op naam van die [benadeelde partij]

met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te dulden;


2.
hij in de periode van 23 november 2018 tot en met 22 december 2018 te [plaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 23 november 2018 gegeven door de officier van justitie te Midden-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met die [benadeelde partij] , door

- te bellen naar die [benadeelde partij] en

- berichten te sturen via internet/social media (Whatsapp, Instagram) naar die [benadeelde partij] en

- Instagram- en Facebook-accounts aan te maken met haar naam en met dat account familie van die [benadeelde partij] te benaderen;


3.
hij op 21 november 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een kussen en tijdschriften, die aan de Politie eenheid Midden-Nederland toebehoorden, heeft vernield en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Om te bepalen of en, zo ja, in welke mate het bewezenverklaarde aan de verdachte is toe te rekenen, heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 10 april 2019 uitgebracht door S.A. Moonen, GZ-psycholoog, en de Pro Justitia rapportage van 13 april 2019 uitgebracht door N. Duits, psychiater.

Uit het rapport opgemaakt door Moonen volgt dat er sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Deze problematiek was deels aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde, waarbij onduidelijk is gebleven in welke mate in deze periode sprake was van (paranoïde) psychotische symptomatologie. De autismespectrumstoornis heeft doorgewerkt bij het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Verdachte kan vanuit een zeer gebrekkig zicht op en voeling met zijn emotionele binnenwereld weinig overweg met emoties, waardoor deze hem als het ware overkomen. De teleurstelling en/of krenking over de afwijzing van aangeefster en het daarover ‘roddelen’ naar collega’s heeft zich bij verdachte vertaald in (paranoïde) woede, die hij niet kon beteugelen en vanuit zijn onverstoorbaarheid niet tot een halt kon roepen, alle justitiële interventies ten spijt. Ook het aan de problematiek inherente gebrekkige empathische vermogen van verdachte fungeerde niet als rem op zijn handelen. Vanwege deze doorwerking adviseert Moonen om het onder 1 en 2 ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde kan de mate van toerekening niet worden beoordeeld.

Het rapport opgemaakt door Duits houdt – eveneens – onder meer in dat verdachte een autismespectrumstoornis heeft, alsook chronisch paranoïde psychotische problemen, die hem maatschappelijk doen disfunctioneren. Zijn cannabisgebruik doet zijn psychopathologie verergeren. De ziekelijke stoornissen van de geestvermogens waren aanwezig tijdens het ten laste gelegde en hebben zijn gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde bepaald. Verdachte kan door zijn autisme geen contacten aangaan en onderhouden, zeker niet met vrouwen. Verdachtes paranoïde psychose, mogelijk versterkt door cannabisgebruik, maakte dat hij afwijzing paranoïde interpreteert. Dit heeft hem waarschijnlijk aangezet tot stalking. Over de vernieling van spullen in de politiecel is geen duidelijkheid. Het lijkt aannemelijk dat verdachtes paranoïde psychose hem hier parten speelde. Duits adviseert om het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen.

Het hof kan zich verenigen met de bevindingen van de deskundigen, zoals die hiervoor over verdachtes geestesvermogens zijn weergegeven en maakt deze tot de zijne..

Op grond van het voorgaande komt het hof – evenals de rechtbank – tot het oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte is dan ook een strafbare dader.

Ook overigens is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende ruim vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [benadeelde partij] . Ook heeft verdachte zich niets aangetrokken van de als gevolg van de belaging en ter bescherming van aangeefster opgelegde gedragsaanwijzing, door deze meerdere keren te overtreden. Verder heeft verdachte zich na zijn aanhouding in zijn cel schuldig gemaakt aan vernieling. Dit gebrek aan respect voor de eigendommen van een ander heeft geleid tot schade en hinder.

Nadat aangeefster had aangegeven geen (privé)contact te willen met verdachte, haar nieuwe collega, is hij haar desondanks veelvuldig en indringend gaan lastigvallen door op allerlei manieren contact met haar te zoeken, online accounts op haar naam aan te maken en een seksadvertentie van haar op internet te plaatsen. Verdachte heeft haar online identiteit besmeurd en in diskrediet gebracht. Verdachte wist – ook door zijn stoornissen – van geen ophouden. Zelfs na officiële waarschuwingen, zoals een stopgesprek, de oplegging van de gedragsaanwijzing en een schorsing onder voorwaarden, begon hij telkens weer met lastigvallen. Door zijn handelen heeft verdachte in ernstige mate inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De impact van zijn handelen op het leven van aangeefster was groot. Het gedrag van verdachte heeft heftige gevoelens van angst, boosheid en verdriet bij aangeefster veroorzaakt, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring ter zitting in hoger beroep.

Uit het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2020 blijkt dat verdachte onder meer wegens vernieling eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Ook houdt het hof rekening met de eerder genoemde Pro Justitia rapporten van 10 april 2019 en 13 april 2019, alsook de door de reclassering uitgebrachte adviezen en voortgangsverslagen. Zoals hiervoor is overwogen houdt het hof rekening met het feit dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Over de belaging wordt in de rapportage in het bijzonder nog gesteld dat verdachte door zijn stoornissen een zogenoemde rancuneuze stalker is die niet uit zichzelf stopt en daarnaast vanwege zijn autisme geen empathie voor de ander kan opbrengen

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden.

Oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

Standpunt verdediging

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Na afwijzing van dit verzoek heeft de raadsman zijn standpunt bij pleidooi herhaald. De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat het onderzoek moet worden heropend, zodat het hof zich beter kan laten voorlichten door de behandelaars van de verdachte over de huidige stand van zaken, dan wel om inzage te krijgen in de behandelverslagen betreffende de verdachte. Door de raadsman is tevens verzocht om het horen van de deskundigen Moonen en Duits ter zitting, dan wel om een actualisering van de door hen opgemaakte rapportages.

Subsidiair is door de raadsman bepleit dat opnieuw de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd. Hiertoe is door hem aangevoerd dat verdachte nog niet toe is aan de terbeschikkingstelling met verpleging. De raadsman heeft opgemerkt dat deze vorm van TBS vanuit het perspectief van behandeling wel wordt gezien als ultimum remedium. Bovendien zijn de voorliggende rapporten niet overtuigend, aldus de raadsman.

Overwegingen van het hof

Afwijzing verzoek om heropening

Er zijn omtrent de persoon van verdachte verschillende rapportages opgemaakt. Verdachte is onderzocht door S.A. Moonen, GZ-psycholoog, en N. Duits, psychiater. Op basis van uitvoerige gesprekken met verdachte hebben beiden op respectievelijk 10 april 2019 en 13 april 2019, minder dan een jaar geleden, gerapporteerd over verdachte.

Daarnaast beschikt het hof over adviezen van Reclassering Nederland uitgebracht op 15 januari 2019, 15 april 2019 en 10 juli 2019, alsook voortgangsverslagen van 12 september 2019, 7 november 2019, 6 februari 2020 en 5 maart 2020, waarin op basis van (wekelijkse) gesprekken tussen verdachte en de reclassering de voortgang in, kort gezegd, de dadelijk uitvoerbaar verklaarde TBS maatregel wordt gerapporteerd, mede op basis van aan de reclassering verstrekte informatie van de behandelaars van de verdachte.

Inhoudelijke argumenten gericht tegen de bevindingen van de deskundigen, op grond waarvan aan deze bevindingen getwijfeld zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken.

Het hof acht zich op grond van deze rapportages, adviezen en verslagen, waarvan een deel van zeer recente datum is, voldoende geïnformeerd over de persoon van verdachte. Het hof acht het gevraagde nader onderzoek, waaronder het horen van de deskundigen ter zitting, niet noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Motivering oplegging van de maatregel

Niet ter discussie staat dat wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel, te weten:

- verdachte heeft een misdrijf (belaging) begaan genoemd in artikel 37a, lid 1, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht;

- bij verdachte was ten tijde van het begaan van dit feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

- door deskundigen wordt de kans op recidive hoog ingeschat, waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist.

Tot slot beschikt het hof over (tenminste) adviezen van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld bij welke behandelvorm de verdachte en de maatschappij het meest gebaat zijn. De keuze die voorligt is die tussen terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de verdediging is bepleit, en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Voor die beoordeling is allereerst van belang dat het hof acht heeft geslagen op de Pro Justitia- rapporten van 10 april 2019 uitgebracht door S.A. Moonen, GZ-psycholoog, en van 13 april 2019 uitgebracht door N. Duits, psychiater.

GZ-psycholoog Moonen beschrijft in zijn rapport het volgende:

Door de autismespectrumstoornis-problematiek heeft verdachte een zeer gebrekkige empathie, is hij onverstoorbaar en rigide en kan hij zijn impulsen niet in toom houden. Daarbij is de aard en omvang van de psychiatrische problematiek en het mogelijke verband daarmee met de huidige feiten onduidelijk gebleven. Verdachte is op meerdere momenten (paranoïde) psychotisch ontregeld geweest. In detentie gebruikt hij (antipsychotische) medicatie. Buiten gebruikt hij deze medicatie niet omdat ‘de gang naar de apotheek hem te vermoeiend was’. Het gegeven dat hij zich in 2016/2017 richtte op een ander slachtoffer, maakt dat er gesproken kan worden van een patroon. Verdachte ontkent dat hij zijn woede fysiek zal uitageren richting aangeefster. Onderzoeker kan dit niet onderbouwd bevestigen maar evenmin uitsluiten. Het feit dat hij ook op een niet-fysieke agressieve wijze iemands leven ernstig kan verstoren deert hem niet (vindt hij zelfs wel komisch), evenmin als justitiële interventies. Onderzoeker krijgt niet de indruk dat de boosheid jegens aangeefster sterk is afgenomen. Er zijn bij verdachte nauwelijks protectieve factoren gevonden. Zijn intelligentie zou bij goed gebruik ervan hem kunnen helpen om een studie af te ronden en zich te richten op een baan.

Al met al wordt de kans op toekomstig stalkinggedrag vergelijkbaar als waarvan hij momenteel wordt verdacht, alsmede op het niet naleven van een interventie zoals een gedragsaanwijzing, als hoog ingeschat bij het uitblijven van een behandeling. Niet uitgesloten wordt dat hij medicatiegebruik zal staken, het blowen weer zal oppakken bij gebrek aan alternatieve coping en dan mogelijk weer (paranoïde) psychotisch kan ontregelen, wat hem in combinatie met zijn ASS problematiek vatbaar maakt voor het onverstoorbaar reageren op krenking of anderszins zijn (paranoïde) woede doel triggeren.

Gezien de hoge kans op toekomstig stalkinggedrag in combinatie met zijn (psychiatrische) problematiek, wordt een behandeling noodzakelijk geacht. In het verleden is gebleken dat verdachte zich niet tot nauwelijks aan voorwaarden heeft gehouden, waardoor toezicht, begeleiding en hulpverlening niet (structureel) van de grond zijn gekomen. Hij is ongrijpbaar en moeilijk tot niet aanspreekbaar op het niet nakomen van afspraken, waarbij hij justitiële interventies aan zijn laars lapt.

Momenteel zou hij inzien dat hij hulp nodig heeft en zich aan behandeling willen committeren. Vanwege het voorgaande en de noodzaak van behandeling, wordt geadviseerd om deze in een gedwongen kader op te leggen middels een maatregel TBS met voorwaarden. Omdat niet verwacht wordt dat verdachte zich zondermeer aan voorwaarden houdt, is het noodzakelijk dat de behandeling klinisch aanvangt in een forensisch psychiatrische kliniek (met een hoog beveiligingsniveau). Op die wijze kan hij gemotiveerd worden een behandeltraject aan te gaan, wat gezien zijn problematiek een langdurig en taai proces kan worden – waarin procesdiagnostisch de psychiatrische problematiek in kaart moet worden gebracht. Het is wenselijk dat de rollen van cannabis en medicatie aandacht krijgen in zowel de behandeling, de diagnostiek als in psychoeducatieve vorm. Tot slot wordt het van belang geacht om met verdachte een gedegen delictanalyse op te stellen. In de behandeling dient men ervoor te waken dat verdachte te snel vrijheden krijgt (zoals toegang tot internet/sociale media). Het nazorgtraject zal zich onder andere moeten richten op huisvesting (mogelijk semi-zelfstandig) en het vervolgen van een opleiding/werktraject dat recht doet aan de intellectuele capaciteiten van verdachte.

Indien blijkt dat niet aan de voorwaarden kan worden voldaan van een klinische opname, rest naar de mening van onderzoeker niets anders dan aan verdachte een TBS maatregel met bevel tot verpleging op te leggen.

Ook psychiater Duits overweegt onder meer:

Verdachte is de enige bron van informatie, er is geen informatie van anderen. Uit de differentiaal diagnostische overwegingen en de eerdere collaterale informatie wordt duidelijk dat verdachte een autismespectrumstoornis en chronisch paranoïde psychotische problemen heeft, die hem maatschappelijk deden en doen disfunctioneren. Hij is eenzaam, kan door zijn autisme geen contacten aangaan en onderhouden, zeker niet met vrouwen, hij is zeer onhandig. Er is geen sociaal-emotionele wederkerigheid en hij begrijpt non-verbale communicatie niet. De paranoïde psychose maakte dat hij dacht een relatie te hebben en een zogenaamde afwijzing paranoïde interpreteerde. De contactproblemen en de paranoïde interpretatie lijken nu weer aan de orde te zijn. Hij wilde wraak nemen, [benadeelde partij] (het hof begrijpt: aangeefster [benadeelde partij] ) had hem in het openbaar vernederd, en verdachte verloor zich in deze wraak, hij stalkte haar.

Verdachte heeft ook antisociaal opportunistische kenmerken, hij rijdt illegaal auto en maakt enorme schulden. Hij maakt vrijblijvende excuses, houdt veel informatie achter over zichzelf, zijn functioneren en het ten laste gelegde, maakt het mooier dan het is. Maar dat weghouden van informatie komt ook door verdachtes achterdocht van zijn paranoïde psychose of paranoïde schizofrenie, ondanks het gebruik van antipsychotica. Verdachte heeft geen ziektebesef en geen ziekte-inzicht. Hij denkt zonder antipsychotische medicatie te kunnen.

Door zijn autismespectrumstoornis is verdachte niet in staat om in te schatten wat zijn gedrag voor anderen betekent en kan hij zich niet verplaatsen in anderen. Zijn psychotische achterdocht wordt mede geluxeerd door het niet gebruiken van antispychotica maar ook door gebruik van cannabis. Door zijn paranoïde psychose interpreteert hij relaties en afwijzing op een absoluut boze wijze, hij wil wraak nemen. Op basis van verdachtes psychopathologie wordt de kans dat verdachte opnieuw tot stalking komt als hoog ingeschat.

De kans dat verdachte als sociaal geïsoleerde man door zal gaan met stalking wordt als hoog ingeschat. Hij uitte zich eerder suïcidaal en homicidaal, hij blijft het slachtoffer uit wraak en psychotische achterdocht en zonder meegevoel of empathie benaderen ondanks contactverboden en wettelijke maatregelen. Hij is overtuigd van zijn recht, kent de verblijfplaats van het slachtoffer, en is eerder veroordeeld vanwege een vergaande langdurige stalking en bedreiging Hij werkte eerder niet mee aan behandeling en is bekend met een autismespectrumstoornis en een paranoïde psychose. Dit met inachtneming van ontbrekende collaterale informatie over het tenlastegelegde. Verdachte disfunctioneert al langer op de levensgebieden door zijn psychopathologie. Zijn intelligentie kan een beschermende factor zijn, maar kan ook helpen met het verhullen van zijn achterdocht.

Gezien de risicoscenario’s en de hoge kansen op gewelddadig handelen en de hoge kans op recidive van het ten laste gelegde dient er bij verdachte te worden ingezet op een klinische behandeling in een voorwaardelijk tbs-kader, ook en vooral om toekomstige stalking te vermijden. De kans dat verdachte in de komende maanden tot stalking komt indien hij weer (voorwaardelijk) vrijkomt, wordt ingeschat als hoog gezien verdachtes stoornis en de risico indicatoren en het ontbreken van beschermende factoren.

Er is minimaal een dwingend justitieel behandelkader nodig om toekomstige slachtoffers te vermijden, een klinische plaatsing in een forensische psychiatrische instelling. Daar moet langdurig aandacht besteed worden aan procesdiagnostiek en medicamenteuze behandeling van zijn psychopathologie.

Resumerend wordt uit de rapportage duidelijk dat de mogelijkheden van interventies voor de preventie van verdachtes hoge kans op recidive gering zijn. Indien verdachte een voorwaardelijke TBS opgelegd krijgt gecombineerd met een klinische plaatsing in een forensische psychiatrische kliniek, dan zal binnen dat kader gedegener procesdiagnostiek kunnen plaatsvinden. Verdachte heeft door zijn psychopathologie weinig ziektebesef en ziekte-inzicht is niet in staat tot zelfreflectie. Hij zal ook zijn intenties en ziekte willen verhullen. Zijn huidige medicatie heeft de actieve paranoïde psychose ook doen dempen. De interventies om tot recidivepreventie zullen beperkt succes hebben, en mede daardoor een lange adem benodigen. De klinische plaatsing zal dan ook langduriger moeten zijn. Bij het niet nakomen van de voorwaarden zal een plaatsing met een TBS tot een behandelkader en bescherming leiden.

Er kan ook gedacht worden aan een TBS met dwang om langduriger de kans op hoge recidive te verminderen met dezelfde overwegingen als bij de voorwaardelijke TBS. Hier staat de bescherming van de maatschappij en het noodzakelijke risicomanagement meer op de voorgrond. Dit lijkt nog niet aangewezen als ultimum remedium.

Een voorwaardelijke TBS-maatregel heeft de voorkeur, maar vooral als de klinische plaatsing in een forensische psychiatrische kliniek geeffectueerd kan worden en ook langdurig kan plaatsvinden.

Naast deze rapporten heeft Reclassering Nederland op 15 januari 2019, 15 april 2019 en 10 juli 2019 adviezen uitgebracht. In haar laatste advies constateert de reclassering dat een betrouwbare samenwerking met verdachte tot dan toe niet mogelijk is gebleken. De reclassering concludeert dat een TBS met voorwaarden waarschijnlijk niet haalbaar zal zijn omdat intrinsieke motivatie bij verdachte ontbreekt. De reclassering schat in dat het niet mogelijk dan wel zeer moeilijk zal blijken om met verdachte tot een samenwerking te komen. De verwachting is dan ook dat hij er niet in zal slagen om zich aan de voorwaarden te houden.

Verder zijn door Reclassering Nederland op 12 september 2019, 7 november 2019 en 6 februari 2020 voortgangsverslagen toezicht aan opdrachtgever opgemaakt, alsook op 5 maart 2020 een ‘aanvullend advies aan opdrachtgever toezicht’. Uit deze verslagen blijkt dat verdachte – die in eerste instantie een licht stijgende lijn liet zien in de behandeling – sinds 18 februari 2020 ‘in staking’ is gegaan. Volgens de kliniek heeft verdachte eerst overal aan meegewerkt, maar was hij hierbij niet intrinsiek gemotiveerd. Uit het bericht van 4 maart 2020 uit de kliniek volgt dat verdachte op dat moment niet meewerkt aan afdelingstaken, niet luistert naar aanwijzingen van het personeel en beperkt meewerkt aan het behandelprogramma. Volgens de behandelaar heeft verdachte op 3 maart 2020 gezegd dat hij dit doet om te bewijzen dat hij TBS dan ook echt waardig is. Verdachte heeft daarbij aangegeven ‘over vier jaar haar dood te schieten en daarna zichzelf dood te schieten’, hetgeen hij ook tijdens de zitting wil zeggen ‘zodat ze weet dat ze nog maar vier jaar te leven heeft en daar nu maar van moet genieten’.

Alles afwegend, gelet op de hiervoor aangehaalde onderbouwing van de gedragsdeskundigen en de rapporten van Reclassering Nederland, acht het hof het juridisch kader van de TBS met verpleging van overheidswege het enige passende kader, waar zowel verdachte als de maatschappij baat bij zullen hebben. Het hof is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging eist. Het hof heeft hierbij in het bijzonder ook gelet op de ernst en complexiteit van de stoornis zoals door de deskundigen hiervoor beschreven en de (langdurige) klinische behandeling en medicatiegebruik die benodigd zijn teneinde het hoge recidivegevaar weg te nemen. Het hof realiseert zich dat een bevel verpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het (vrijwel geheel) ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht bij verdachte - die behept is met ernstige psychiatrische problematiek - en het ontbreken van intrinsieke behandelmotivatie geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Deze TBS maatregel met bevel verpleging zal dan ook naast eerdergenoemde gevangenisstraf aan verdachte opgelegd worden.

Het hof benadrukt dat de stelling dat de oplegging van TBS met verpleging van overheidswege een ‘ultimum remedium’ is, niet uit de wet volgt. Voor de vraag of TBS moet worden opgelegd dient te worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Voor de vraag of een bevel moet worden gegeven dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd dient te worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat daarbij om het opleggen van de meest passende maatregel in de specifieke situatie. Overwogen moet worden of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging eist. De wet eist niet dat eerst een minder ingrijpende sanctie (straf of maatregel) moet worden opgelegd dan wel een vrijwillig of minder ingrijpend behandeltraject moet worden gevolgd alvorens de maatregel TBS met bevel tot verpleging van overheidswege kan worden opgelegd. Het gaat erom dat een passende maatregel wordt opgelegd. Voor deze verdachte geldt dat het elimineren van de risico’s op herhaling niet anders kan plaatsvinden dan binnen het kader van de TBS met verpleging van overheidswege.

Conclusie

Het hof zal gelasten dat verdachte zal worden verpleegd van overheidswege. Aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, aangezien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, zowel het opleggen van de maatregel als de verpleging eist. De totale duur van de maatregel is gemaximeerd nu het hof oordeelt dat geen sprake is van veroordeling voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e, eerste lid Sr. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal de periode van vier jaar niet te boven kunnen gaan. De zorgwekkende signalen uit het laatste voortgangsverslag kunnen niet de conclusie dragen dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan, nu de wet daarvoor geen mogelijkheid biedt.

Motivering van de maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht

Het hof zal – naast de maatregel van TBS met verpleging – tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de gemaximeerde TBS maatregel onder toezicht te stellen indien dat in verband met alsdan bestaande risico's noodzakelijk is.

Ook in dit verband heeft het hof acht geslagen op de hierboven aangehaalde rapportage Pro Justitia. Hieruit komt onder meer naar voren dat de psychische problematiek van verdachte structureel van aard is, dat verdachte niet of nauwelijks ziektebesef of -inzicht heeft en dat de kans op recidive groot is. Omdat niet verwacht wordt dat verdachte zich zondermeer aan voorwaarden houdt, is het noodzakelijk dat de behandeling klinisch aanvangt zodat verdachte gemotiveerd kan worden een behandeltraject aan te gaan, wat gezien zijn problematiek een langdurig en taai proces kan worden. Daarnaast moet langdurig aandacht besteed worden aan procesdiagnostiek en medicamenteuze behandeling van verdachtes psychopathologie.

In de behandeling dient men ervoor te waken dat verdachte te snel vrijheden krijgt (zoals toegang tot internet/sociale media).

De door het hof op te leggen gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling zal na ommekomst van ten hoogste vier jaren van rechtswege eindigen. Het is de vraag of binnen die tijd de benodigde langdurige behandeling van verdachte kan plaatsvinden. Toekomstige risico's ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kunnen op met de gemaximeerde TBS in die zin mogelijk beperkt ondervangen worden.

Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde ter beschikkingstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Motivering van maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht

Het hof zal aan verdachte ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten een contactverbod voor de duur van vijf jaren met [benadeelde partij] en haar familieleden opleggen als vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Iedere keer dat verdachte niet aan deze maatregel voldoet, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van veertien dagen, met een maximum van zes maanden. Daarbij zal het hof bovendien bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is nu er, gelet op de recidive en de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens voornoemd slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.851,53, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte, die de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft betwist, is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 57, 63, 184a, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] en haar familieleden. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.851,53 (duizend achthonderdeenenvijftig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 51,53 (eenenvijftig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 1.800,00 (duizend achthonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.851,53 (duizend achthonderdeenenvijftig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 51,53 (eenenvijftig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 1.800,00 (duizend achthonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 december 2018.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 20 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.A. Hartsuiker en mr. Brink zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.