Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2421

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.248.267/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 8 Wahv. Niet aannemelijk dat de auto van de betrokkene tegen zijn wil is verplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.248.267/01

CJIB-nummer

: 204443141

Uitspraak d.d.

: 19 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 4 december 2018, 28 december 2018, 2 januari 2019, 4 januari 2019, 3 april 2019, 30 april 2019, 14 mei 2019, 20 mei 2019, 21 juni 2019, 2 juli 2019 en 24 september 2019 zijn nog brieven van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter hem belangrijke informatie heeft onthouden. In de beslissing van de kantonrechter wordt verwezen naar het relaas van de verbalisant, maar dat stuk heeft de betrokkene nooit ontvangen. Hij heeft zich daartegen dus niet kunnen verweren. Verder klaagt de betrokkene erover dat in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter zijn bezwaren onjuist en onvolledig zijn weergegeven.

2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid, (destijds: vierde lid) van de Wahv. Op grond van deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier meegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

3. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene bij brief van 6 augustus 2018 erop is gewezen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende een in die brief vermelde termijn ter inzage liggen. Niet gesteld of gebleken is dat de betrokkene binnen die termijn heeft verzocht om afschriften van die stukken. Het verweer van de betrokkene faalt dan ook. Het hof stelt vast dat de betrokkene inmiddels beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

4. Met betrekking tot de klacht van de betrokkene over het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter overweegt het hof dat het proces-verbaal een zakelijke weergave bevat van wat is voorgevallen tijdens de zitting. Er bestaat geen verplichting voor de kantonrechter om daarin een letterlijke en volledige weergave van de besproken argumenten op te nemen. De klacht van de betrokkene wordt dan ook verworpen.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 december 2016 om 17:01 uur op de Pater Bleijsstraat in ‘s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

6. De betrokkene stelt dat hij zijn auto correct heeft geparkeerd en niet voor een garagedeur. Zoals te zien is op de foto van de ambtenaar is de auto van de betrokkene op een slordige manier aangetroffen. Zo zou de betrokkene zijn auto nooit achterlaten. Door zijn autisme is hij namelijk dwangmatig perfectionistisch. Verder voert de betrokkene aan dat de in-/uitrit waarop zijn auto stond niet kan worden aangemerkt als openbare weg. Deze hoort namelijk bij de garage en is dus privéterrein. Voorts was van hinder geen sprake. De betreffende in-/uitrit is namelijk zo groot dat de eigenaar van de garage zijn auto best tijdelijk naast die van de betrokkene op de in-/uitrit had kunnen parkeren in plaats van in de garage.

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat deze auto voor een garage stond.”

9. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2018, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte zakelijk weergegeven het volgende verklaart:
“Op 28 december 2016 kregen wij de melding van de meldkamer om ter plaatse te gaan naar de Pater Bleijsstraat in ’s-Hertogenbosch. Hier zou een buurtbewoner staan die niet meer in zijn garage kon, omdat de ingang werd geblokkeerd door een personenauto. Ter plaatse zagen wij de personenauto met kenteken [00-YY-YY] voor de garage staan. Ik zag dat de deur van de garage niet meer geopend kon worden. Bij het openen van de garagedeur kwam deze tot stilstand tegen de voorzijde van de personenauto.”

10. Als bijlage bij bovengenoemd proces-verbaal is een foto gevoegd waarop is te zien dat de auto van de betrokkene deels voor een garage staat. Verder bevinden zich in het dossier foto’s waarop is te zien dat de auto van de betrokkene staat op een met klinkers belegde strook, die is gelegen tussen de garage en het trottoir en dat deze auto zodanig voor de garage staat dat de deur van de garage bij het openen de bumper van de auto van de betrokkene raakt.

11. Het verweer van de betrokkene dat hij zijn auto niet op deze wijze heeft achtergelaten, merkt het hof aan als een beroep op artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv. Eerder in de procedure heeft de betrokkene namelijk aangevoerd dat zijn auto door jongeren uit de buurt is verplaatst. Een buurtbewoner heeft gezien dat vier jongeren uit “de groep blowers van de overkant” met een koord al “jutterend” en trekkend aan de voorzijde de auto stukje bij beetje naar voren en naar rechts bewogen. Deze jongeren hebben het voorzien op de eigenaar van de garage.

12. Artikel 5 Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

13. In artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv staat dat de beschikking wordt vernietigd indien de kentekenhouder aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

14. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat een buurtbewoner tegen de betrokkene heeft gezegd dat hij heeft gezien dat de auto door jongeren is verplaatst, is hiervoor onvoldoende. Dit zou wellicht anders zijn geweest als de betrokkene een verklaring van deze getuige zou hebben overgelegd, hetgeen hij niet heeft gedaan. Aldus komt hem geen beroep toe op het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv.

15. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), dat luidt:
"Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd."

16. De betrokkene betwist dat de plaats waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd behoort tot de openbare weg.

17. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan:

“Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”

18. Voor de beantwoording van de vraag of een (particulier) terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein (vgl. HR 8 april 1997, VR 1998, 2).

19. Het voorgaande in aanmerking genomen stelt het hof vast dat de plaats waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Anders dan de betrokkene meent, doet hieraan niet af dat deze plaats tot het eigen terrein behoort. De eigenaar van dit terrein heeft namelijk voor dat gedeelte niet de feitelijke mogelijkheid geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang tot deze plaats te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Het gedeelte waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd was vanaf de weg toegankelijk en was niet afgesloten voor het verkeer. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de plaats waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg.

20. Voorts ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de auto van de betrokkene zodanig op de weg stond dat hinder is veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt. Op grond van de verklaring van de ambtenaar en aan de hand van de foto’s stelt het hof vast dat de auto van de betrokkene op een in-/uitrit stond en zich zodanig voor een garage bevond dat de deur van die garage niet meer kon worden geopend. Hiermee staat naar het oordeel van het hof vast dat voor verkeer op de weg hinder is veroorzaakt. De omstandigheid dat de eigenaar van de garage zijn auto ook tijdelijk naast die van de betrokkene op de in-/uitrit had kunnen parkeren, maakt dit niet anders. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

21. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.