Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2418

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
200.206.615 en 200.206.616
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie en onderneming, geen rekening gehouden met rekening-courantschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.206.615/01 en 200.206.616/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 404386 en 409298)

beschikking van 19 maart 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaten: mr. L. Laus te Bloemendaal,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 24 mei 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van 12 december 2017 en 24 mei 2018.

1.2

Ingevolge voormelde tussenbeschikkingen heeft de door het hof benoemde deskundige een schriftelijk deskundigenbericht opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    de begrotingsbeschikkingen van 26 september 2018 en 2 december 2019;

  • -

    de journaalberichten van mr. Laus van 7 juni 2018, 8 juni 2018, 27 juni 2018, 2 juli 2018, 4 september 2018, 7 september 2018, 11 september 2018, 15 november 2018, 17 januari 2019, 30 januari 2019, 7 februari 2019, 28 februari 2019, 10 april 2019, 18 april 2019, 9 augustus 2019, 16 augustus 2019, 20 januari 2020, 22 januari 2020, 29 januari 2020 en 30 januari 2020, gedeeltelijk met producties;

  • -

    de journaalberichten van mr. Supičić van 6 juni 2018, 15 november 2018 en 9 januari 2020 met producties, en

  • -

    het deskundigenbericht van 20 augustus 2019.

1.4

Op 31 januari 2020 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen waren in persoon aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Verder was [naam] , kantoorgenoot van mr. Laus, aanwezig.

1.5

Mr. Supičić heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van de begeleidende brief van mr. Laus bij zijn journaalbericht van 20 januari 2020. Het hof heeft daarop beslist dat op die brief acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden is. In dit stadium van de procedure: een mondelinge behandeling na deskundigenbericht vergt de goede procesorde dat het hof acht slaat op deze begeleidende brief. Weliswaar is deze brief binnen de termijn van tien dagen voor de zitting door mr. Supičić ontvangen, maar met het oog op de inhoud van die brief is dat nog voldoende tijdig. Voorts is de brief niet van een zodanig omvang dat deze het bestek van een toelichting op de overgelegde stukken verre te boven gaat en is mr. Supičić ook overigens voldoende in de gelegenheid gesteld om op het in de brief gestelde te reageren.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikkingen van 12 december 2017 en 24 mei 2018, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

De man heeft zijn verzoeken gewijzigd, zoals volgt uit productie 67 bij journaalbericht van 20 januari 2020. De man verzoekt het hof, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen dan wel te wijzigen in die zin dat:

  1. de behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op een bedrag van € 2.500,- per maand;

  2. de bijdrage aan levensonderhoud van de vrouw door het hof in goede justitie wordt vastgesteld met inachtneming van de draagkrachtberekening overgelegd als productie HB 69 en, in het geval een (het hof begrijpt: lagere) partnerbijdrage wordt vastgesteld, te bepalen dat de vrouw een restitutielast wordt opgelegd voor hetgeen door de man onverschuldigd aan haar zal zijn voldaan met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. de rekening-courantschuld aan [A] Beheer B.V. aan ieder der partijen voor de helft wordt toegerekend, waarbij voor de omvang van de schuld als peildatum geldt de datum van ontbinding van het huwelijk (artikel 9.2 akte HV);

  4. het waardeverschil van de motorvoertuigen van partijen ter hoogte van € 6.000,- aan de vrouw wordt toegerekend;

  5. wordt bepaald dat de man een vergoedingsrecht heeft in het kader van de verbouwingskosten ad € 29.105,02;

  6. de vrouw wordt gelast een vermogensopstelling in het geding te brengen en het hof op basis van de vermogensopstellingen van partijen over en weer het te verrekenen saldo vaststelt uit hoofde van het finaal verrekenbeding, onder aftrek van het reeds door de man aan de vrouw betaalde voorschot van € 25.000,-;

  7. voor het overige wordt overgegaan tot verdeling zoals afgesproken bij mondelinge behandeling in eerste aanleg;

en in het incidenteel hoger beroep de verzoeken van de vrouw integraal af te wijzen.

2.3

De man heeft in eerste aanleg zelfstandige verzoeken ingediend en is gelet op artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met de artikelen 130 Rv en 362 Rv bevoegd om zijn verzoek te veranderen of vermeerderen. Naar het oordeel van het hof vloeit deze wijziging voort uit de eerdere stellingen van de man en heeft de vrouw voldoende gelegenheid gehad om hierop te reageren. De vrouw is dan ook niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en het geding wordt ook niet onredelijk vertraagd.

2.4

Zoals volgt uit het verkorte proces-verbaal van 12 maart 2018 onder punt 3 is het in de tussenbeschikking van 24 mei 2018 onder 5.2 opgenomen schema niet volledig juist. Uit het deskundigenbericht volgt dat de beheersmaatschappij [B] B.V. 80 % van de aandelen in [B] B.V. houdt en dat [D] Beheer B.V. 50 % van de aandelen in [E] B.V. houdt. De ondernemingsstructuur kan daarmee als volgt worden weergegeven:

Partneralimentatie

2.5

Met zijn eerste grief voert de man aan dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om nadere financiële stukken en jaarstukken in het geding te brengen. Nu de man hiertoe in hoger beroep (alsnog) de gelegenheid heeft gehad, behoeft deze grief geen verdere bespreking.

ingangsdatum

2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat de man aan de vrouw partneralimentatie dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De ingangsdatum van de alimentatieverplichting is gelet hierop 26 januari 2017.

hoogte van de behoefte van de vrouw en haar behoeftigheid

2.7

Grieven II, III en IV van de man en grieven 1 en 2 van de vrouw zien op de hoogte van de behoefte van de vrouw aan door de man te betalen partneralimentatie en op de vraag of de vrouw in staat moet worden geacht zelf in (een gedeelte van) haar behoefte te voorzien (behoeftigheid). De vrouw stelt dat haar behoefte € 5.888,- netto per maand of € 12.252,- bruto per maand bedraagt. Volgens de man moet worden uitgegaan van een netto behoefte van € 2.500,- per maand.

2.8

Het hof overweegt als volgt.

Bij het bepalen van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

In de praktijk is als vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen de hofnorm ontwikkeld, inhoudende dat de behoefte kan worden vastgesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk.

2.9

Partijen zijn eind 2015 uit elkaar gegaan. Nu het hof niet is gebleken dat dit jaar niet representatief zou zijn voor de financiële omstandigheden waarin de man en de vrouw toen verkeerden, gaat het hof uit van de financiële gegevens over 2015 voor de bepaling van de welstand van partijen.

2.10

Niet in geschil is dat de vrouw in 2015 – zomin als in eerdere jaren – geen eigen inkomsten had.

De man stelt dat zijn brutoloon in 2015 € 44.064,- bedroeg en dat de welstand van partijen daarop dient te worden gebaseerd. De vrouw heeft aangevoerd dat partijen op grote voet leefden en dat de privéopnamen uit [A] Beheer B.V. veel hoger lagen dan dit inkomen.

Het hof gaat uit van de conclusie van de deskundige dat de man in 2015 een bruto salaris van € 81.594,- heeft kunnen genereren. Voorts volgt uit bijlage 1 bij het deskundigenbericht dat in 2015 een bedrag van € 132.200,- is opgenomen ten laste van de rekening-courant bij [A] Beheer B.V. Het hof oordeelt dat voldoende is gebleken dat dit bedrag is opgenomen ten behoeve van privé-uitgaven en dus mede de welstand van partijen tijdens het huwelijk heeft bepaald. De man heeft gesteld dat partijen op te grote voet hebben geleefd en gelet op de ontstane rekening-courantschuld te hoge bedragen hebben opgenomen, maar dat maakt het feitelijke uitgavenpatroon van partijen en de daarmee verband houdende behoefte van de vrouw niet anders.

De vrouw heeft niet betwist dat de man zijn te ontvangen loon heeft verrekend in de rekening-courantverhouding. Het hof gaat bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uit van de privéopnamen. De man heeft in 2015 € 13.673,- aan loonheffing betaald en hij heeft uit de rekening-courant een bedrag van € 6.500,- als alimentatie aan de vrouw voldaan. Deze bedragen brengt het hof in mindering op de privéopnamen.

De man heeft in zijn beroepschrift ook nog aangevoerd dat van de onttrokken bedragen betalingen aan de kinderen zijn voldaan, maar het hof leidt uit bijlage 1 bij het deskundigenbericht af dat dit in 2015 niet het geval was.

2.11

Het hof stelt vast dat partijen in 2015 € 112.027,- of afgerond € 9.336,- netto per maand ter beschikking hadden. Voortzetting van deze welstand na huwelijk leidt – op basis van de hofnorm – tot een netto behoefte van € 5.602,- per maand of € 10.687,- bruto per maand in 2015. Na indexering bedraagt deze behoefte in 2017 € 5.794,- netto per maand of afgerond € 11.053,- bruto per maand.

2.12

De vrouw heeft in eerste aanleg een behoeftelijst overgelegd, waaruit een netto behoefte van € 4.945,94 per maand volgt, te verhogen met een bedrag van € 8.000,- tot € 10.000,- per jaar voor vakanties en met herinrichtingskosten. De man heeft (de omvang van) een aantal posten op deze lijst betwist. Het hof neemt in aanmerking dat andere bestedingskeuzes – op basis van persoonlijke voorkeuren of situaties – mogelijk of noodzakelijk zijn en dat het niet aan het hof is zich uit te laten over de individuele keuzes van de vrouw. Nu de behoefte van de vrouw op basis van haar behoeftelijst grotendeels overeenkomt met het bedrag zoals berekend volgens de hofnorm, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan het door haar berekende bedrag, dat lager is dan het bedrag van de hofnorm.

2.13

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw niet in staat is door arbeid inkomsten te verwerven om in haar behoefte te voorzien. De man voert aan dat de vrouw een aanzienlijk bedrag zal ontvangen uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Het hof is van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij in haar behoefte voorziet door in te teren op dit vermogen. Evenmin kan van de vrouw worden verwacht dat zij inteert op de nalatenschap van haar moeder om in haar behoefte te voorzien, zoals de man heeft betoogd, nog daargelaten dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze nalatenschap inmiddels heeft gebruikt om onder andere haar huur te voldoen. Voor zover de vrouw over vermogen zal beschikken is ook niet te verwachten dat zij daaruit een zodanig rendement kan verwerven dat zij daarmee haar behoefte in belangrijke mate kan verminderen. Met een – fictief – rendement uit dat vermogen houdt het hof dan ook geen rekening.

Gelet op het voorgaande acht het hof de vrouw niet in staat zelf in haar behoefte te voldoen. Het is redelijk dat de man naar draagkracht in deze huwelijksgerelateerde behoefte voorziet.

draagkracht van de man

2.14

De vijfde grief van de man ziet op zijn draagkracht.

Het hof heeft de draagkracht van de man berekend aan de hand van de gegevens over 2017, gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De berekening is aan deze beschikking gehecht. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van € 4.965,- per maand en een draagkracht aan de zijde van de man van € 3.353,- bruto per maand. Het hof verwijst naar die berekeningen en bespreekt hieronder alleen die posten waarover partijen van mening verschillen.

2.15

Het hof gaat bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen van de man uit van het bruto salaris dat de man gelet op het deskundigenbericht in 2017 had kunnen genereren, te weten € 91.964,- per jaar. Dit bedrag bestaat uit de door [A] Beheer B.V. in rekening gebrachte management-fee minus de daarop drukkende kosten. Het hof acht niet aannemelijk dat in 2017 abusievelijk een te hoge management-fee is uitgekeerd, zoals de man in reactie op het deskundigenbericht heeft aangevoerd.

Anders dan de vrouw heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de man niet zelfstandig bij machte was en is zijn inkomen uit [A] Beheer B.V. te verhogen, zoals ook uit het deskundigenbericht volgt. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat de man in redelijkheid geen inkomen had kunnen genereren uit Beheermaatschappij [B] en de [naam maatschap] .

2.16

De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een maandelijkse aflossing van € 2.500,- op de schuld in de rekening-courant aan [A] Beheer B.V., vermeerderd met € 350,- rente per maand. Volgens de man is het een kwestie van tijd voor de belastingdienst achter de hoogte van de rekening-courantschuld komt en de man zal moeten gaan aflossen.

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde lasten. De man is op dit moment niet gehouden om af te lossen op de rekening-courantschuld en naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij dat op korte termijn wel zal zijn. Daar komt bij dat de man naar het oordeel van het hof mogelijkheden heeft het saldo van de rekening-courantschuld te verlagen door verrekening van uit te keren dividend, zoals omschreven door de deskundige.

2.17

Voor het overige volgt het hof de berekening die de man als productie HB69 bij journaalbericht van 20 januari 2020 heeft overgelegd, nu de vrouw de overige posten van deze berekening niet heeft betwist.

slotsom met betrekking tot de partneralimentatie

2.18

Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 26 januari 2017 bepalen op € 3.353,- per maand.

2.19

Grief VI van de man ziet op een aan de vrouw op te leggen terugbetalingsverplichting van teveel ontvangen partneralimentatie. Nu de man tot op heden een bedrag van € 3.250,- per maand aan partneralimentatie heeft voldaan – welk bedrag partijen voor de duur van het geding zijn overeengekomen – leidt de te betalen bijdrage niet tot enige terugbetalingsverplichting aan de zijde van de vrouw.

Vermogensrechtelijke afwikkeling

2.20

Grieven VII en VIII van de man en grief 3 van de vrouw zien op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding van partijen.

finale verrekening van de vermogens

2.21

Gelet op artikel 9 van de aanvullende huwelijkse voorwaarden van 6 augustus 2002 dient verrekening van de vermogens van partijen plaats te vinden, zodat na uitkering ieder van hen de helft geniet van de waarde van de beide vermogens.

Zoals uit het verkorte proces-verbaal van 12 maart 2018 onder punt 2 volgt hebben partijen afgesproken dat om praktische redenen 31 december 2016 wordt gehanteerd als datum ter bepaling van de waarde van de te verrekenen vermogensbestanddelen, nu de echtscheidingsbeschikking op 26 januari 2017 is ingeschreven.

2.22

Niet in geschil is dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] en de aan partijen toebehorende motorvoertuigen in de verrekening dienen te worden betrokken. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg ten aanzien daarvan overeengekomen dat de vrouw een vordering op de man heeft van € 289.995,50 uit hoofde van de overwaarde van de woning en van € 6.000,- uit hoofde van het waardeverschil van de motorvoertuigen.

2.23

Tussen partijen is in geschil welke vermogensbestanddelen verder in de verrekening dienen te worden betrokken.

2.24

De vrouw heeft aangevoerd dat haar vermogen slechts bestaat uit de auto, waarover partijen reeds afspraken hebben gemaakt, en uit de nalatenschap van haar moeder, die gelet op het achtste lid aanhef en onder a van artikel 9 van de aanvullende huwelijkse voorwaarden niet in de verrekening wordt betrokken. Volgens de man heeft de vrouw meer vermogen dan zij doet voorkomen. De man heeft het sterke vermoeden dat de waarde van de nalatenschap die de vrouw heeft ontvangen hoger is dan de vrouw stelt. De man verzoekt het hof de vrouw te gelasten een vermogensopstelling in het geding te brengen en wenst inzage in de (spaar)rekeningen van de vrouw en de door de notaris opgemaakte successiememorie.

Nu de nalatenschap niet in de verrekening dient te worden betrokken, is naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet duidelijk waarom de man inzage zou moeten krijgen in de rekeningen en successiememorie. Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat aan de zijde van de vrouw naast haar auto geen andere vermogensbestanddelen in de verrekening dienen te worden betrokken.

2.25

De man heeft een vermogensopstelling overgelegd, waarin aan zijn zijde geen andere bezittingen dan de hiervoor genoemde woning zijn opgenomen, maar waarin wel rekening is gehouden met de rekening-courantschuld aan [A] Beheer B.V. Volgens de vrouw behoren tot het te verrekenen vermogen van de man ook zijn aandeel in de [naam maatschap] en de boot [naam boot] . Zij voert aan dat de rekening-courantschuld onnodig is ontstaan en zij acht het onredelijk dat zij zou moeten meedelen in deze schuld, maar niet meedeelt in het vermogen van de vennootschap.

Het hof is van oordeel dat het aandeel van man in de [naam maatschap] ondernemingsvermogen betreft, zodat dit aandeel gelet op artikel 9 lid 8 aanhef en onder c van de aanvullende huwelijkse voorwaarden niet in de verrekening wordt betrokken. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat de boot [naam boot] ruim vóór de peildatum is verkocht, zodat deze boot niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

Ten aanzien van de rekening-courantschuld overweegt het hof als volgt. De opnamen uit de rekening-courantverhouding zijn aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen. Uit artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat de kosten van de huishouding voor rekening van beide partijen komen naar evenredigheid van hun inkomsten of, voor zover deze ontoereikend zijn, op overeenkomstige wijze ten laste van de eigen vermogens van partijen komen. Nu vast staat dat de vrouw geen inkomsten had, diende de man deze kosten primair uit zijn inkomsten te voldoen. De man heeft aangevoerd dat hij tijdens het huwelijk € 3.000,- netto per maand opnam ten laste van de rekening-courant, welke opnamen werden verrekend met zijn salaris van € 44.064,- bruto per jaar. Daarnaast deden partijen extra opnamen, waardoor volgens de man de schuld is ontstaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat de man een aanzienlijk hoger salaris uit onderneming had kunnen genereren. Een redelijke uitleg van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden brengt naar het oordeel van het hof mee dat in dit geval ook aan de redelijkerwijs te genereren inkomsten van de man betekenis toekomt in die zin dat zijn keuze om zichzelf een te laag salaris toe te kennen in beginsel niet tot gevolg moet hebben dat hij daarmee zijn draagplicht geheel of ten dele afwentelt op de vrouw. In het licht hiervan en gelet op de betwisting door de vrouw, heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat hij de kosten van de huishouding niet uit zijn inkomsten kon voldoen, zonder daarbij een rekening-courantschuld te laten ontstaan. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de rekening-courantschuld geheel ten laste van de man dient te komen en buiten beschouwing dient te blijven in het kader van het finale verrekenbeding. Daarbij acht het hof ook van belang dat de man, zoals hiervoor overwogen, in staat moet worden geacht het saldo van de rekening-courantschuld te verlagen.

2.26

Gelet op het voorgaande is naast de door partijen gemaakte afspraken geen verdere verrekening aan de orde. Het hof stelt de verrekenvordering van de vrouw op de man vast op € 295.995,50. Nu de man als voorschot een bedrag van € 25.000,- heeft voldaan, resteert een vordering van de vrouw op de man van € 270.995,50.

pensioenvoorzieningen

2.27

Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn partijen overeengekomen dat de aanspraken betreffende het Allianz Koopsom Plan met polisnummer [nummer 1] en het Verzekerd Rendement Plan van Allianz met polisnummer [nummer 2] op het moment van uitkering bij helfte zullen worden gedeeld.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

2.28

Partijen zijn in eerste aanleg ook overeengekomen dat de uitkering uit hoofde van de polis bij Delta Lloyd met polisnummer [nummer 3] bij helfte zal worden gedeeld. De man heeft aangevoerd dat nakoming van deze afspraak nadelig bleek te zijn in verband met een boetebeding. De man heeft de verzekering om die reden omgezet in een Extra Pensioen Sparen bankspaarrekening bij Centraal Beheer Achmea, waarvan op 1 november 2027 uitkering zal plaatsvinden. De vrouw zal op dat moment de helft ontvangen. Uit het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep volgt dat de vrouw hiermee instemt.

2.29

De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man binnen 14 dagen na de te geven beschikking schriftelijk mededeling doet aan de respectievelijke instanties dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en dat deze bedragen rechtstreeks op een door haar aan te wijzen rekening dienen te worden betaald.

Het hof zal dit verzoek toewijzen, nu de man hiermee heeft ingestemd.

2.30

De man heeft pensioen in eigen beheer opgebouwd in [A] Beheer B.V. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van de opbouw in de huwelijkse periode. De vrouw verzoekt – zo begrijpt het hof – de man te veroordelen een actuariële berekening op te laten maken van de waarde van het pensioen in eigen beheer op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de man te veroordelen de helft van die waarde aan de vrouw te betalen op het moment dat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding heeft de vrouw in beginsel een recht op uitbetaling van een deel van de uit te betalen termijnen van het pensioen jegens het uitvoeringsorgaan. Haar verzoek de man te veroordelen tot uitbetaling van het gehele bedrag waarop zij aanspraak kan maken mist grondslag. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om de man te veroordelen de waarde te laten berekenen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat de man dient te worden verplicht tot afstorting van het kapitaal dat nodig is voor het aan haar toekomende deel van de pensioenafspraak, geldt dat afstorting niet kan worden gevergd, nu als onvoldoende betwist vast staat dat hiervoor in [A] Beheer B.V. onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn of kunnen worden verkregen (vgl. HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658).

2.31

De vrouw verzoekt het hof voor recht te verklaren dat partijen dienen over te gaan tot verevening op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding. Het hof zal dit verzoek afwijzen voor zover het de pensioenaanspraken betreft waarover partijen afspraken hebben gemaakt. Nu de aanspraak van de vrouw op de helft van de opbouw van het pensioen in eigen beheer op zichzelf niet wordt betwist, zal het hof dit verzoek van de vrouw toewijzen ten aanzien van het pensioen in eigen beheer.

inboedel en prullaria

2.32

De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen de zaken vermeld op de door haar opgestelde inboedellijst (productie 8 bij het verzoekschrift van de vrouw in eerste aanleg) en prullarialijst (productie 6 bij het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep) aan de vrouw te verstrekken. Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen dat zij ervan uitgaan dat ten aanzien van de op deze lijsten vermelde zaken tussen hen een eenvoudige gemeenschap is ontstaan. Het hof zal van het bestaan van deze eenvoudige gemeenschap uitgaan.

Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat het schilderij ‘Echtpaar’ aan de vrouw wordt toegedeeld en het schilderij ‘Strandtafereel’ aan de man. De man gaat ermee akkoord – zo begrijpt het hof – de overige zaken die op de inboedellijst in de kolom met als bovenschrift ‘ [de vrouw] ’ staan vermeld aan de vrouw af te geven. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

De man gaat niet akkoord met afgifte van een groot gedeelte van de zaken op de prullarialijst en heeft dit bij de desbetreffende zaken aangetekend op de lijst.

Het hof begrijpt hieruit dat de man instemt met afgifte van de overige zaken op deze lijst en zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van deze zaken toewijzen. Ten aanzien van de door de man betwiste zaken op de prullarialijst zal het hof partijen bevelen over te gaan tot verdeling.

verbouwingskosten

2.33

De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen aan de vrouw € 6.000,- aan verbouwingskosten te betalen, welke kosten zij gedurende de samenleving van partijen heeft voldaan in verband met de verbouwing van de woning van partijen te [woonplaats] . De vrouw heeft ter onderbouwing rekeningafschriften overgelegd. De man betwist dat de vrouw heeft bijgedragen aan de kosten van de verbouwing en voert aan dat nergens uit blijkt dat de bedragen op de afschriften in het kader van de verbouwing zijn betaald. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar verzoek in het licht van deze betwisting onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof het verzoek van de vrouw zal afwijzen.

2.34

De man heeft aangevoerd dat hij nagenoeg alle kosten van de verbouwingen van de woning voor zijn rekening heeft genomen en verzoekt het hof te bepalen dat de man in dat kader een vergoedingsrecht heeft van € 29.105,02. Ter onderbouwing heeft de man een aantal facturen overgelegd. De vrouw betwist dat dit bedrag door de man is uitgegeven in het kader van een verbouwing van de woning en betwist dat zij gehouden zou zijn verbouwingskosten aan de man te vergoeden, nu de woning eigendom is van de man.

Het hof is van oordeel dat de man zijn verzoek in het licht van deze betwisting onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof het verzoek van de man zal afwijzen.

3 De slotsom

Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

4 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 26 januari 2017 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.353,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

veroordeelt de man in het kader van de finale verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 270.995,50;

bepaalt dat de aanspraken betreffende het Allianz Koopsom Plan met polisnummer [nummer 1] , het Verzekerd Rendement Plan van Allianz met polisnummer [nummer 2] en de Extra Pensioen Sparen bankspaarrekening bij Centraal Beheer Achmea door partijen op het moment van uitkering bij helfte zullen worden gedeeld;

bepaalt dat de man binnen 14 dagen na deze beschikking schriftelijk aan Allianz en Centraal Beheer Achmea zal mededelen dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en dat deze bedragen rechtstreeks op een door haar aan te wijzen rekening dienen te worden betaald;

verklaart voor recht dat partijen dienen over te gaan tot verevening van het pensioen van de man in eigen beheer bij [A] Beheer B.V. op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding;

deelt het schilderij ‘Echtpaar’ toe aan de vrouw;

deelt het schilderij ‘Strandtafereel’ toe aan de man;

bepaalt dat de man de overige zaken die op de door de vrouw opgestelde inboedellijst in de kolom met als bovenschrift ‘ [de vrouw] ’ staan vermeld en de zaken die op de door de vrouw opgestelde prullarialijst staan vermeld waarbij de man geen bezwaar heeft aangetekend binnen veertien dagen na deze beschikking aan de vrouw dient af te geven;

beveelt partijen over te gaan tot verdeling van de zaken die op de door de vrouw opgestelde prullarialijst staan vermeld waarbij de man bezwaar heeft aangetekend;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, M.H.F. van Vugt en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 19 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.