Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2341

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
200.244.290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.290

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 6553441)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

handelende onder de naam Taxinet Service en Personenvervoer,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J.M. van Denderen,

tegen:

de stichting

Stichting Sociaal Fonds Taxi,

gevestigd te Culemborg,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: SFT,

advocaat: mr. M.W.M. Heijlaerts.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 oktober 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte van SFT;

- het vervallen van het recht op antwoordakte van [appellant] .

1.3

Vervolgens heeft SFT de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Bij het tussenarrest van 15 oktober 2019 is de zaak naar de rol verwezen om SFT in de gelegenheid te stellen bij akte de cao’s over te leggen die van toepassing waren op de periode van 71 weken vanaf 14 juli 2016. SFT is bij genoemd tussenarrest ook verzocht zich bij haar akte uit te laten over de door haar in de onderhavige zaak gemaakte kosten, alsmede over haar gemiddelde handhavingskosten in de jaren 2015 tot en met 2017.

2.2

Bij haar akte heeft SFT verklaard dat de forfaitaire schadevergoeding is verbeurd in de periode van 14 juli 2016 tot 27 november 2017 overeenkomstig artikel 9 van het controlereglement zoals opgenomen als bijlage 1 van de cao SFT en dat deze cao in de periode van 30 maart 2016 tot en met 31 december 2017 onafgebroken algemeen verbindend is geweest. Zij heeft daartoe verwezen naar de door haar genoemde en als productie 1 en 2 overgelegde besluiten van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 maart 2016 respectievelijk 12 december 2016, in welke besluiten de algemeen verbindend verklaarde artikelen van deze cao zijn vermeld.

2.3

Gelet op de verklaring van SFT en de door haar overgelegde producties, waarop [appellant] niet meer heeft gereageerd, is de door SFT gevorderde boete in beginsel toewijsbaar over de periode van 14 juli 2016 tot 27 november 2017, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 8.875,-.

2.4

Zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen, zou de hiervoor bedoelde boete kunnen worden gematigd indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarbij moet, zoals in het tussenarrest is overwogen, gelet worden op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst en de inhoud en strekking van het beding, alsmede de omstandigheden waaronder het is ingeroepen en de overige omstandigheden van het geval.

2.5

In de toelichting op grief II heeft [appellant] betoogd dat aanleiding bestaat tot matiging omdat hij het boetebeding niet zelf is overeengekomen maar daaraan (slechts) gebonden is geraakt als gevolg van de algemeen verbindend verklaarde cao. Bovendien is zijn onderneming verliesgevend, zo betoogt [appellant] , en heeft SFT geen inzicht gegeven in haar werkelijke schade.

2.6

Bij haar memorie van antwoord heeft SFT terecht aangevoerd dat de forfaitaire schadevergoeding een meervoudige strekking heeft en in dit geval dient als prikkel voor de nakoming en ter dekking van materiële en immateriële schade zoals bedoeld in artikel 15 en 16 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst wegens schending van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao en ter dekking van de kosten van het toezicht. Ook het betoog van SFT dat de wijze, waarop [appellant] gebonden is aan het boetebeding, geen reden is om het boetebeding te matigen, wordt door het hof, gelet op de aard van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO, onderschreven. Hetzelfde geldt voor het verweer van SFT tegen het betoog van [appellant] omtrent de verliesgevendheid van zijn onderneming, reeds omdat [appellant] , zoals SFT terecht heeft aangevoerd, alleen producties heeft overgelegd met betrekking tot het jaar 2015.

2.7

Gelet op het voorgaande en op de niet door [appellant] weersproken verklaring van SFT bij haar akte dat de gemiddelde onderzoekskosten in de periode 2015 tot en met 2017

€ 2.217,67 hebben bedragen en dat de kosten van het onderhavige onderzoek ruim twee keer zo hoog zijn geweest, is het hof van oordeel dat toepassing van het boetebeding, met als resultaat een boete van € 8.875,-, in de gegeven omstandigheden niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Grief II van [appellant] faalt dus.

2.8

Nu [appellant] geen grief heeft gericht tegen de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en SFT bovendien onweersproken heeft gesteld dat zij een bedrag ter hoogte van het door haar gevorderde bedrag aan haar advocaat heeft betaald, zal het hof het vonnis op dit punt bekrachtigen. Hetzelfde geldt voor de veroordeling door de kantonrechter tot naleving van de cao en de cao SFT.

3 De slotsom

3.1

Grief I slaagt voor zover deze is gericht tegen het aantal weken waarover de forfaitaire schadevergoeding is berekend en faalt voor het overige. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voor zover dit het dictum onder 5.2 betreft en zal in zoverre worden vernietigd. [appellant] zal in hoger beroep worden veroordeeld tot betaling aan SFT van een bedrag van € 8.875,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak, zoals door SFT bij haar memorie van antwoord is gevorderd.

3.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van SFT zullen worden vastgesteld op € 726,- ter zake van griffierecht en op € 1.138,50 ter zake van salaris van de advocaat (1,5 punt x tarief I).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede) van 8 mei 2018, behoudens voor zover dit het dictum onder 5.2 betreft, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SFT te betalen een bedrag van € 8.875,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest tot de algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SFT vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 1.138,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, C. Hoogland en M.P.C.J. van Bavel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.