Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2338

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.234.360
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1649, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rentewijzigingsbeding.

Tussenarrest is gepubliceerd: ECLI:NL:GHARL:2019:7568

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/154
JONDR 2020/563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.234.360

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 5489192 en 443038)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.P. van Stralen,

tegen:

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: ABN AMRO,

advocaat: mr. A.M. van Heest.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Bij tussenarrest van 17 september 2019 heeft het hof ABN AMRO in de gelegenheid gesteld te reageren op dat arrest en (zo nodig) haar vordering opnieuw te berekenen op basis van een vaste rente van 8,5% per jaar. ABN AMRO heeft een akte na tussenarrest tevens akte vermindering eis (met producties) genomen. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarop niet meer gereageerd, waarna het hof opnieuw arrest heeft bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest van 17 september 2019 heeft het hof overwogen dat het beding in de kredietovereenkomst dat ABN AMRO het recht geeft om het rentepercentage eenzijdig te wijzigen, heeft te gelden als oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 en op grond van art. 6:233 sub a BW in aanmerking komt voor vernietiging. Het hof heeft voorts overwogen dat het buiten toepassing laten van het eenzijdig wijzigingsbeding ertoe leidt dat het bij het sluiten van de overeenkomst overeengekomen rentepercentage van 8,5% per jaar in stand blijft. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om zich te verzetten tegen het buiten toepassing laten van het eenzijdig wijzigingsbeding, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarnaast is aan ABN AMRO de gelegenheid gegeven om haar vordering (zo nodig) opnieuw te berekenen op basis van dat vaste percentage.

2.2

ABN AMRO heeft die herberekening in haar akte met bijlagen uitgevoerd. Zij heeft met bankafschriften onderbouwd dat zij over de periode van 14 oktober 2012 tot en met oktober 2015 aan [appellant] een bedrag van € 14.851,09 aan rente in rekening heeft gebracht, gebaseerd op een rentepercentage van 0,858% per maand en, over de laatste maand van die periode, 0,759%. ABN AMRO heeft de rente herberekend door dit bedrag te delen door de gehanteerde percentages en het resultaat te vermenigvuldigen met het vaste percentage van 8,5% per jaar, wat neerkomt op een rentevoet van 0,708% per maand. Uit de herberekening volgt dat een bedrag van € 2.552,56 teveel in rekening is gebracht. ABN AMRO heeft dat bedrag van de vordering in hoofdsom afgetrokken en de wettelijke rente vanaf 15 november 2015 herberekend, en heeft haar vordering dienovereenkomstig verminderd.

2.3

[appellant] heeft ook daarop niet meer gereageerd, en heeft dus geen bezwaren gemaakt tegen die berekening, die het hof overigens ook juist voorkomt. Het hof zal die berekening voor de genoemde periode volgen.

2.4

Over de periode vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst in 2006 tot 14 oktober 2012 heeft ABN AMRO geen bankafschriften overgelegd, en zich ook niet uitgelaten over de toen geldende rentepercentages. Zij stelt daartoe (akte sub 2) dat zij vanwege de wettelijke bewaarplicht van art. 2:10 lid 3 BW de bankafschriften van voor oktober 2012 niet meer kan produceren.

2.5

Art. 2:10 lid 3 BW bepaalt dat het bestuur van een vennootschap verplicht is om de administratie gedurende zeven jaren te bewaren. Die verplichting brengt niet tevens de verplichting mee om de administratie van de periode daarvoor te vernietigen. ABN AMRO heeft er kennelijk voor gekozen om die oudere administratie te vernietigen, zoals haar goed recht is. Daarmee heeft zij het risico genomen dat zij geen bewijs meer zou kunnen leveren van haar positie in die periode, hetgeen voor haar rekening komt. ABN AMRO is in beginsel verplicht om ook over die eerdere jaren de teveel in rekening gebrachte rentevergoeding te restitueren, althans op haar vordering in mindering te brengen.

2.6

ABN AMRO stelt zich evenwel op het standpunt (akte sub 10.) dat eventueel teveel in rekening gebrachte rente over de periode van voor zeven jaren terug, (ruimschoots) wordt gecompenseerd doordat ABN AMRO thans uit coulance geen vertragingsvergoeding, maar wettelijke rente vordert. Het hof begrijpt het standpunt van de bank aldus dat onder de gegeven omstandigheden geen nadeel voor [appellant] voortvloeit uit (het ontbreken van informatie over) de rentestand in de periode van 2006 tot 14 oktober 2012. Nu [appellant] de stellingname van ABN AMRO niet heeft bestreden en zelf geen informatie hierover heeft verschaft, zal het hof, nu dit betoog hem niet evident onredelijk of ongegrond voorkomt, ABN AMRO volgen op dit punt.

3 De slotsom

3.1

Het voorgaande voert tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep behoort te worden vernietigd. Het hof zal de vordering van ABN AMRO toewijzen zoals deze – onweersproken – is verminderd in haar akte na tussenarrest tevens akte vermindering eis.

3.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. Die kosten worden vastgesteld op:

voor de rechtbankprocedure:

kosten dagvaarding € 97,74

griffierecht € 1.924,-

subtotaal verschotten € 2.021,74

salaris advocaat € 894,- (1 punt tarief IV)

en voor de hofprocedure:

griffierecht € 1.978,-

salaris advocaat € 1.959,- (1 punt appeltarief IV).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 november 2017 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan ABN AMRO van een bedrag van € 50.871,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 47.096,30 vanaf 10 oktober 2019 tot de voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, aan de zijde van ABN AMRO voor de eerste aanleg bepaald op € 2.021,74 voor verschotten en € 894,- voor salaris van de advocaat, en voor het hoger beroep bepaald op € 1.978,- voor verschotten en € 1.959,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, L.J. de Kerpel-van de Poel en I. Brand en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.