Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2334

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.232.751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg baggerdepotovereenkomst. Verontreinigde bagger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.232.751

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5248133)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

de vennootschap onder firma

Manege Rusthof,

gevestigd te Heemstede,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de manege,

advocaat: mr. R.M. Sluijter,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grondbank [geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te Oudewater,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Grondbank,

advocaat: mr. J.J.M. van Lint.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 12 december 2017,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

1.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De manege vordert in het principaal hoger beroep - kort samengevat en na wijziging van eis - het vonnis van 13 september 2017 te vernietigen en Grondbank te veroordelen tot betaling van € 168.901,80, te vermeerderen met wettelijke rente, en de Grondbank te veroordelen om alle door Grondbank bij de manege in depot gestorte vervuilde bagger te verwijderen en de baggerdepots om te vormen in weiland.

1.4

Grondbank vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - de grieven toe te wijzen, met veroordeling van de manege in de proceskosten.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

Partijen zijn op 19 januari 2012 overeengekomen dat er baggerspecie op de percelen

van de manege mocht worden gestort tegen een vergoeding van Grondbank aan

de manege. De Provincie Noord-Holland (hierna: de provincie) was opdrachtgever voor het baggerproject. In de door Grondbank opgestelde overeenkomst getiteld “Overeenkomst

gebruik weiland / ontvangst baggerspecie” is onder meer het volgende bepaald:

“GdB de intentie heeft om een partij 'aangrenzend verspreidbare baggerspecie of AW baggerspecie’ op de percelen aan te brengen welke zijn aangegeven op tekening (zie bijlage l). De kwaliteit van de te ontvangen baggerspecie zal getoetst zijn als ‘verspreidbaar’ conform regelgeving. De te ontvangen baggerspecie is afkomstig van het werk onderhoud Ringvaart.

GdB vraagt de benodigde vergunningen aan. Uit de vergunning voortvloeiende voorschriften worden nageleefd. (…)

GdB bereid is om voor het leveren van de betreffende baggerspecie de eigenaar van het perceel een vergoeding te betalen van € 5000,00 per hectare. (…)”.

2.2

In de door de manege opgestelde overeenkomst d.d. 19 januari 2012 met de titel “Aanvullende bijlage overeenkomst gebruik weiland/ontvangst baggerspecie” is onder meer het volgende bepaald:
“Indien komt vast te staan, dat de grondbank vervuilde bagger op het terrein heeft doen storten, is de grondbank hiervoor volledig aansprakelijk. De voorwerpen die door het baggeren op het perceel terecht komen zoals fietsen, banden grofvuil lengte 30 cm, etc. dienen door, de grondbank zelf verwijderd te worden of een schadeloos stelling tegenover te stellen. (...)

De rapporten van de te storten bagger dienen van te voren aan de grondeigenaar ter inzage verstrekt te worden om zich te vergewissen dat het om schone bagger gaat (...).

De baggerspecie wordt vrij van fysische verontreiniging aangeleverd. Indien na indroging fysische verontreinigingen achter zijn gebleven, dient gdB deze te verwijderen (kosten gdb) (…)
Indien achteraf blijkt dat vervuilde baggerspecie is aangebracht op het perceel anders dan vooraf overeengekomen, dient gdb de grond kosteloos te verwijderen en af te voeren naar een erkende be- of verwerker. Gdb blijft te allen tijde aansprakelijk voor de opgebrachte baggerspecie”.

2.3

In april 2013 heeft een toezichthouder van de provincie stukjes asbest op de percelen aangetroffen. Dit is niet aan de manege meegedeeld.

2.4

In het voorjaar van 2014 heeft de manege zelf stukjes asbest gevonden op het perceel.

Vervolgens zijn er verschillende onderzoeken verricht naar verontreiniging in de bagger en zijn plannen van aanpak opgesteld. In het plan van aanpak van 22 april 2016 van Haskoning worden vier varianten beschreven voor de ontmanteling van het depot:

“(1) geen vervolgacties;

(2) handpicking asbestplaatmateriaal maaiveld;

(3) handpicking en ontgraven asbesthoudende bagger/zand t.p.v. spots 1,3,en 5;

(4) handpicking, ontgraven van alle asbesthoudende bagger/zand spots 1-5 en bagger/zand t.p.v. plaatmateriaal op maaiveld ruimtelijke eenheden RE03/RE27/RE33/RE42.”

2.5

In september 2017 is op kosten van de provincie optie (3) uitgevoerd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

De manege heeft in eerste aanleg een bedrag van € 37.973,36 gevorderd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 13 september 2017 de vordering afgewezen.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

In hoger beroep baseert de manege haar vordering op de stellingen dat de Grondbank de overeenkomst niet is nagekomen, de manege schade daardoor lijdt en de Grondbank de overeenkomst alsnog moet nakomen. Zij stelt daartoe dat partijen zijn overeengekomen dat er schone bagger zou worden gestort. Omdat asbest en andere verontreinigingen zijn aangetroffen in de bagger, is deze niet schoon. Grondbank voert daar tegenover aan dat de bagger voldoet aan de normen voor verspreidbare bagger.

4.2

De (juridische) standpunten van partijen worden bepaald door de betekenis die zij geven aan de in 2012 gesloten overeenkomsten. Daarin is de bagger telkens met andere woorden omschreven. Het hof moet bepalen wat partijen over de bagger zijn overeengekomen. Daarbij geldt de zogenoemde Haviltexmaatstaf: wat de betekenis van de overeenkomsten is, hangt af van wat partijen aan elkaar hebben gezegd en hoe zij zich hebben gedragen en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden.

4.3

De manege stelt dat de Grondbank heeft ingestemd met de eis van de manege dat de bagger schoon moest zijn. Ter zitting is namens de manege toegelicht dat “schoon” betekent dat er geen enkele verontreiniging in de bagger zou mogen zitten. [A] heeft verder namens de manege verklaard dat de ringvaart - net als de percelen van de manege - in de nabijheid van de Haarlemmermeer liggen waar duinzand stuift. In de ringvaart bestaat de bodem uit schoon duinzand. Hij is er daarom vanuit gegaan dat er schoon zand op zijn percelen zou worden gespoten. Volgens hem is ook afgesproken dat er geen verontreiniging in de bagger aanwezig zou zijn: geen voorwerpen, geen asbest en geen andere verontreinigingen. Nu de bagger niet schoon maar vies is, vordert de manege dan ook dat de Grondbank alle bagger weer verwijdert.

4.4

Voor Grondbank is destijds [B] opgetreden die als zelfstandige voor Grondbank percelen zocht voor depots. Volgens Grondbank heeft [B] de door de manege opgestelde overeenkomst getekend onder tijdsdruk en is er niet inhoudelijk gesproken over de kwaliteit van de bagger. [A] heeft dat beaamd.

4.5

Het hof oordeelt als volgt. In de overeenkomst die de Grondbank heeft opgesteld, is aangesloten bij bestuursrechtelijke normen voor verspreidbare bagger. Het hof begrijpt en vindt dat Grondbank ook heeft moeten begrijpen, dat de manege de verzekering wilde dat de bagger niet ernstig verontreinigd mocht zijn. Welke waarden daarbij zouden gelden, is echter niet duidelijk. In de door de manege opgestelde overeenkomst wordt wel gesproken over grofvuil groter dan 30 cm maar daarin wordt niet een andere norm voor verontreiniging gesteld (tegenover de bestuursrechtelijke). De woorden “fysische verontreiniging” in de overeenkomst heeft [A] overgenomen van een adviseur en deze woorden betekenen voor hem niet meer dan dat de bagger niet vies mocht zijn, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard. Hij heeft ook gezegd dat hij met [B] niet heeft besproken wat hij precies bedoelde met het begrip “schone bagger”, zoals genoemd in de door de manege opgestelde overeenkomst.

4.6

De overeenkomsten gaan over bagger uit de ringvaart. Bagger heeft taalkundig en volgens het normale spraakgebruik beslist een andere betekenis dan schoon zand. Als de manege al is uitgegaan van schoon zand, heeft zij dat redelijkerwijs niet mogen doen. Het hof volgt de manege daarom niet in de stelling dat de manege ervan mocht uitgaan (en dat Grondbank moest begrijpen) dat er schoon zand zou worden opgespoten.

4.7

Bagger zal hoe dan ook in enige vorm verontreinigd zijn. Dat zit in de aard van de materie. De manege heeft dan ook met enige verontreiniging rekening moeten houden. Zij mocht, met andere woorden, niet verwachten dat Grondbank redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de manege alleen bagger wilde accepteren die in het geheel niet verontreinigd was. Dat het woord “schoon” voorkomt in de door de manege opgestelde overeenkomst maakt dat niet anders. Volgens de aangelegde Haviltexmaatstaf is tussen partijen dus niet overeengekomen dat Grondbank bagger zonder verontreiniging zou leveren. De vordering van de manege alle bagger in de depots te verwijderen, kan daarom niet worden toegewezen. De eigenaren van de manege hebben bovendien vanaf het begin de kleur en substantie van de bagger gezien (daarvan zijn foto’s overgelegd). De kleur en substantie van de opgebrachte bagger lijken niet op schoon zand en zij hebben toen niet geprotesteerd.

4.8

De volgende vraag is of de manege recht heeft op een aanvullende sanering volgens optie (4) in het rapport van Haskoning. Deze minder vergaande vordering dan volledige verwijdering van de bagger ligt besloten in de vordering van de manege en is besproken ter zitting. Het gaat er dan om of de manege op grond van de overeenkomsten heeft mogen verwachten dat bij gebleken ernstige verontreiniging de sanering volgens optie (3) niet toereikend was. Daarvoor is ook nodig dat de Grondbank dat zo heeft moeten begrijpen.

4.9

De sanering volgens optie (3) heeft al geleid tot schonere bagger dan op grond van de bestuursrechtelijke normen vereist is. Vóór de sanering bedroeg het gemiddelde gehalte 10 mg/kg d.s. en was het hoogste gehalte op één plek 81 mg/kg d.s. Bestuursrechtelijk geldt een grenswaarde van 100 mg/kg d.s. Na de sanering zijn de gehaltes aanzienlijk verlaagd, zo blijkt uit het evaluatierapport van Tauw. Het hof treft voor de stelling dat partijen (nog) schonere bagger zijn overeengekomen en niet kan worden volstaan met optie (3) echter onvoldoende aanknopingspunten aan in de feiten. [A] en [B] hebben niet inhoudelijk gesproken over grenswaarden of de kwaliteit van de bagger. Daarom kan ook de vordering Grondbank te verplichten te saneren volgens optie (4) niet worden toegewezen.

4.10

De vordering tot nakoming zal het hof dus afwijzen. Vanwege de door het hof gevolgde uitleg van de overeenkomsten is er ook geen sprake van een tekortkoming. Dat betekent dat de manege geen schadevergoeding kan vorderen. Op de vraag of zij schade heeft geleden en zo ja, tot welk bedrag, hoeft het hof dus niet in te gaan. Het bewijsaanbod voor de (omvang van de) schade passeert het hof daarom.

Slotsom

4.11

Het principaal hoger beroep faalt. De eerste grief in het incidenteel hoger beroep slaagt weliswaar, maar dat beroep is nodeloos ingesteld. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zou het hof ook al aan het verweer van de Grondbank zijn toegekomen over de uitleg van de overeenkomsten. In het incidenteel hoger beroep volgt daarom geen proceskostenveroordeling.

4.12

Het hof zal het vonnis onder verbetering van gronden bekrachtigen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de manege in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. De kosten voor Grondbank zullen worden vastgesteld op € 5.200 aan griffierecht en op € 9.483 aan salaris van de advocaat (3 punten x tarief V, € 3.161).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht (rechtbank Midden-Nederland) van 13 september 2017;

veroordeelt de manege in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grondbank vastgesteld op € 5.200 voor griffierecht en op € 9.483 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, A.E.F. Hillen en H. van Loo en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.