Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2331

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
200.219.469/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Het hof wijst de vorderingen omtrent verkrijgende verjaring van het water van de Loosdrechtse plassen in dit burengeschil af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.219.469/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/407945)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [de buurman] ,

advocaat: mr. B.J. Mulder,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Interboat Holland B.V.,

gevestigd te Loosdrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Interboat,

advocaat: mr. H. Kroon.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 oktober 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

■ het proces-verbaal van de enkelvoudige comparitie van partijen op 7 januari 2019;

■ de akte uitlating descente van [de buurman] , met producties;

■ de antwoordakte uitlating na descente van Interboat, met een productie.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van 28 december 2016.

3 De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

Partijen zijn buren. [de buurman] woont aan de [a-straat 1] (waartoe onder meer behoren de percelen kadastraal bekend gemeente Loosdrecht sectie G nummers 2703 en G 3244). Interboat exploiteert een jachthaven aan de Oud Loosdrechtsedijk 185-195 (waartoe onder meer behoort het perceel kadastraal bekend gemeente Loosdrecht sectie G nummer 1353). De percelen G 2703 en 3244 enerzijds en G 1353 grenzen aan elkaar. Partijen hebben een geschil over de precieze loop van de erfgrens, over het gebruik van elkaars water en over de tegenover elkaar in acht te nemen gedragsregels. Interboat is deze procedure begonnen. Interboat heeft in conventie ten eerste gevorderd, kort gezegd, dat (1) de rechtbank voor recht verklaart dat de grens tussen de percelen van partijen loopt, zoals is aangegeven op de kaart van een kadastrale meting, die het kadaster op 4 september 2014 op verzoek van Interboat heeft uitgevoerd. De kaart ziet er als volgt uit, waarbij de rode lijn de door het Kadaster gemeten erfgrens is (links is het perceel van [de buurman] , rechts dat van Interboat):

3.2

Verder heeft Interboat een bevel gevorderd dat (2) [de buurman] de aan haar toebehorende grond ontruimt en (3) de onbelemmerde in- en uitvaart naar haar grond aan Interboat en haar gasten verschaft, onder meer door een stalen paal en drijfbalk te verwijderen, een en ander onder verbeurte van dwangsommen.

3.3

[de buurman] heeft zich op verkrijgende verjaring beroepen aan de hand van de hier afgebeelde kaart:

3.4

[de buurman] stelt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van, wat hij heeft genoemd, de delen 1 en 3 van de strook die volgende de kadastrale meting bij Interboat in eigendom zou zijn. Hij heeft in reconventie gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank (I) voor recht verklaart dat deel 1 zijn eigendom is en dat Interboat wordt veroordeeld tot medewerking aan inschrijving daarvan in de openbare registers, (II) dat de rechtbank Interboat veroordeelt tot overdracht aan hem van deel 2, althans tot vestiging van een erfdienstbaarheid of een persoonlijk gebruiksrecht met betrekking tot deel 2, (III) dat de rechtbank voor recht verklaart dat deel 3 zijn eigendom is en dat Interboat wordt veroordeeld tot medewerking aan inschrijving daarvan in de openbare registers, (IV) dat de rechtbank Interboat veroordeelt tot terugplaatsing in deel 1 van een ligusterhaag, (V) dat de rechtbank Interboat veroordeelt het stuk grond in het noordelijke deel van perceel G nummer 3244 (de “aanplemping”) te ontruimen en (VI-VIII) dat de rechtbank voor recht verklaart dat [de buurman] niet hoeft te dulden dat er vaartuigen op zijn perceel G 3244 ligplaats nemen voor een periode langer dan 24 uur en Interboat verbiedt haar klanten te verwijzen naar dit perceel als een locatie om aan te meren of ligplaats te nemen , alle bevelen en het verbod versterkt met verbeurte van dwangsommen.

3.5

De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis in conventie voor recht verklaard dat de delen 2 en 3 eigendom van Interboat zijn en [de buurman] veroordeeld de bedoelde stroken grond te ontruimen en ontruimd te houden. De rechtbank heeft in reconventie voor recht verklaard dat deel 1 eigendom van [de buurman] is en Interboat veroordeeld tot medewerking aan inschrijving in het Kadaster. Zij heeft de overige vorderingen van partijen afgewezen. [de buurman] is onder aanvoering van 5 grieven in (principaal) hoger beroep gekomen, Interboat is onder aanvoering van 5 grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.

De grieven van [de buurman] in het principaal hoger beroep

3.6

De grieven 1 en 2 van [de buurman] gaan over deel 3, een strook water die volgens de kadastrale meting van Interboat is, maar waarvan [de buurman] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden. De rechtbank heeft de eigendomspretenties van [de buurman] niet erkend, omdat er volgens haar geen sprake was van het voor verjaring vereiste ondubbelzinnige bezit (rechtsoverweging 3.6 van het eindvonnis). [de buurman] stelt dat hij wel het ondubbelzinnige bezit van deel 3 heeft gehad, omdat hij de sloot bij zijn huis zelf heeft laten uitbaggeren en de uitgang altijd heeft afgesloten. Hij heeft een en ander toegelicht aan de hand van foto’s en van een proces-verbaal van descente van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 1976 in een geschil met zijn (toenmalige) buurman [de voormalige buurman] die woonde aan de [a-straat 2] . In het proces-verbaal is vermeld dat de sloot is afgesloten door twee balken. Interboat heeft ontkend dat de sloot (altijd) afgesloten is geweest en heeft aangevoerd dat de sloot bij haar in gebruik was om werkvlotten en werkboten af te meren. Ook het hof is van oordeel dat [de buurman] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat [de buurman] ondubbelzinnig bezit heeft gehad van de strook water. Het enkele feit dat de sloot gedurende zekere periodes afgesloten is geweest zegt onvoldoende over de eigendomspretenties van [de buurman] tegenover Interboat. Lezing van het proces-verbaal uit 1976 vestigt eerder de indruk dat [de buurman] als gevolg van een conflict met [de voormalige buurman] de sloot had afgesloten. Bovendien heeft Interboat aangevoerd dat zij de sloot gebruikte om boten en vlotten af te meren, die blijkbaar vanaf de Loosdrechtse plassen kwamen door de bewuste sloot. Voor het hof weegt verder mee dat [de buurman] en Interboat, toen zij na het afgraven van deel 2 in 1998 een gebruiksregeling afspraken, uitdrukkelijk overeenkwamen dat de kadastrale situatie tussen hen prevaleert. Daarmee heeft [de buurman] nu juist tegenover Interboat aangegeven geen eigendoms- of bezitspretenties te hebben ten opzichte van grond of water van Interboat, althans dat heeft Interboat zo mogen begrijpen. [de buurman] heeft erop gewezen dat de aanleiding voor het sluiten van de gebruiksovereenkomst is gelegen in de afgraving van deel 2. Dat neemt echter niet weg, dat partijen hebben afgesproken dat de kadastrale situatie tussen hen prevaleert. Omdat [de buurman] te weinig heeft gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het hof gaat daarom voorbij aan het in nr. 21 van de memorie van grieven gedane bewijsaanbod. De grieven 1 en 2 zijn niet gegrond. Het voorgaande brengt verder mee dat de in hoger beroep ingestelde vordering door [de buurman] tot verwijdering van een paal die Interboat in deel 3 had geplaatst om te voorkomen dat de drijfbalk haar in- en uitvaart zou belemmeren, wordt afgewezen. Interboat is immers gerechtigd op haar perceel zo’n paal te plaatsen.

3.7

De grieven 3 en 4 betreffen de toewijzing door de rechtbank van het bevel aan [de buurman] dat hij de delen 2 en 3 moet ontruimen en ontruimd moet houden. Volgens [de buurman] maakt Interboat misbruik van zijn bevoegdheid door vlak naast zijn woning een opstapplaats voor kano’s en sup-vaartuigen te maken en is er sprake van onrechtmatige hinder door de gasten van Interboat, wat inkijk, geluid en beschadiging van zijn eigendommen betreft. De grieven zijn niet gegrond. Interboat mag gebruik maken van haar eigendom, zolang zij haar buren niet onrechtmatig hindert. Interboat heeft voldoende toegelicht dat de kade op perceel G 1353 een geschikte, luwe plaats is om gasten in te laten stappen in kano’s en sup-vaartuigen en vandaar te varen naar de Loosdrechtse plassen. Zij hoeft tegenover [de buurman] niet te motiveren dat er geen andere geschikte plaatsen zijn voor zo’n kano- en sup-opstapplaats. Daarmee zouden de bevoegdheden van de eigenaar te sterk worden ingeperkt. Het daarop ziende bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd. Dat bij de hier bedoelde activiteiten sprake zou zijn van onrechtmatige hinder heeft [de buurman] , die ervoor heeft gekozen naast een jachthaven te gaan wonen, tegenover de betwisting door Interboat onvoldoende concreet uitgewerkt in het licht van de daarvoor geldende vereisten. De grieven 3 en 4 zijn ongegrond en de vordering van [de buurman] dat het Interboat wordt verboden gebruik te maken van deel 2 zal worden afgewezen.

3.8

Grief 5 betreft de afwijzing van de vorderingen onder VI-VIII en gaan over het op verwijzing van Interboat afmeren van boten van klanten van Interboat langs de steiger in het aan [de buurman] toebehorende water van perceel G 3244 voor een periode langer dan 24 uur. [de buurman] heeft gesteld dat Interboat klanten had verwezen naar de steiger om daar langer dan 24 uur ligplaats te nemen. Omdat Interboat dat niet heeft tegengesproken en ook niet heeft weersproken dat de geldende regelgeving verbiedt dat er op die plaats langer dan 24 uur ligplaats wordt genomen door haar klanten, zal het verbod aldus worden toegewezen dat het Interboat verboden is haar klanten voor een periode van meer dan 24 uur ligplaats te laten nemen aan haar steiger, voor zover die grenst aan perceel G 3244. Het hof zal dit verbod niet versterken met oplegging van dwangsommen, omdat Interboat heeft aangegeven dat zij de rechten van [de buurman] al enige tijd niet meer betwist en dat zij ervoor zorgt dat het aanmeren van boten een tijdelijk karakter heeft. Grief 5 is dus gegrond.

3.9

De grieven van Interboat in het incidenteel hoger beroep

3.10

De grieven 1 en 2 van Interboat richten zich tegen de beslissingen van de rechtbank over deel 1 in rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3 van het eindvonnis, dat partijen het erover eens zijn dat de gedempte sloot geheel op de grond van [de buurman] ligt en dat Interboat tijdens de descente niet heeft betwist dat de opgestapelde bielzen die de percelen van partijen afgrenzen, daar al meer dan 20 jaar liggen. Volgens Interboat heeft zij wel betwist dat de sloot geheel op de grond van [de buurman] ligt en dat de opgestapelde bielzen er meer dan 20 jaar liggen. Verder heeft Interboat erop gewezen dat de stellingen van [de buurman] te vaag zijn en dat het verbod tot inschrijving van de verkrijgende verjaring in de openbare registers niet uitvoerbaar is, omdat het Kadaster onvoldoende aanknopingspunten heeft om de nieuwe grens te bepalen.

3.11

Het hof overweegt dat van de descente geen proces-verbaal is opgemaakt, althans dat partijen dat niet hebben overgelegd. Het staat Interboat vrij in hoger beroep te grieven tegen een vaststelling in het vonnis van de rechtbank, dat zij met bepaalde stellingen van [de buurman] tijdens de descente zou hebben ingestemd. Dat betekent dat het hof de stellingen van partijen over deel 1 opnieuw moet beoordelen, zonder dat ervan uitgegaan kan worden dat de hier bedoelde feiten tussen partijen vaststaan. Bij deze beoordeling loopt het hof er ook tegenaan dat de stellingen van [de buurman] over deel 1 onduidelijk zijn. [de buurman] zet immers uiteen dat uit de onder 3.1 weergegeven tekening niet valt op te maken wat de positie is van de ligusterhaag ten opzichte van de erfgrens en dat voor het geval de ligusterhaag op basis van de kadastrale meting op de grond van Interboat mocht staan, hij zich op het standpunt stelt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook tussen het hart van de ligusterhaag en de door het Kadaster gemeten erfgrens (nr. 15 van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie). Die vordering is naar het oordeel van het hof te weinig concreet. Van [de buurman] mag worden verwacht dat hij zo goed mogelijk – en voor derden begrijpelijk - probeert duidelijk te maken waar op de percelen de kadastrale grens loopt, waar de positie is van het hart van de inmiddels door Interboat verwijderde ligusterhaag en hoever bij benadering beide lijnen uit elkaar liggen. In dit verband is het ook opvallend dat de rechtbank vaststelt dat de strook verkregen grond loopt tot het hart van een rij opgestapelde bielzen, wat niet overeenstemt met de stelling van [de buurman] in eerste aanleg die immers uitging van een erfgrens door het hart van de gerooide ligusterhaag. Dit alles brengt mee dat [de buurman] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat vordering I alsnog moet worden afgewezen. [de buurman] heeft bovendien tegenover de betwisting door Interboat van zijn stelling geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat om die reden niet aan bewijslevering wordt toegekomen. De grieven 1 en 2 zijn daarom gegrond.

3.12

Interboat klaagt er bij de grieven 3-5 in de kern over dat de rechtbank de vordering tot verwijdering van de paal en drijfbalk niet heeft toegewezen. Tussen partijen staat vast dat beide onderdelen van de afsluitvoorziening zijn gelegen op het perceel van [de buurman] en dat het niet meer mogelijk is dat de drijfbalk uitwaaiert over de erfgrens, omdat Interboat een paal heeft geplaatst die dat voorkomt. Zoals Interboat ook wel erkent in haar toelichting op grief 3 is [de buurman] gerechtigd haar perceel af te sluiten door middel van een voorziening als een paal met drijfbalk. Interboat heeft onvoldoende gesteld dat [de buurman] misbruik maakt van haar bevoegdheid haar perceel af te sluiten. Tijdens de comparitie ter plaatse op 7 januari 2019 heeft de raadsheer-commissaris geconstateerd dat het ook bij een gesloten drijfbalk voor kleinere vaartuigen mogelijk is van en naar de afmeerkade van Interboat te varen. In zoverre zijn de grieven ongegrond. Interboat heeft echter onbetwist gesteld dat [de buurman] het verbod onder 4.2 van het dictum van het vonnis van 5 april 2017 overtreedt. Het hof zal daarom alsnog aan die veroordeling een dwangsom verbinden, die zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna weergegeven. In zoverre is grief 5 gegrond.

4 Slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1

Grief 5 in het principaal hoger beroep en de grieven 1, 2 en 5 in het incidenteel hoger beroep slagen, zodat het bestreden vonnis van 5 april 2007 op onderdelen moet worden vernietigd en aangevuld.

4.2

Nu beide partijen zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep ieder voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van deze (afzonderlijke) procedures worden gecompenseerd. Ook in conventie en reconventie in eerste aanleg zijn partijen ieder voor een deel in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten in die (afzonderlijke) procedures evenzeer zullen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

wat betreft het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 april 2007 voor zover in conventie gewezen

vult onderdeel 4.2 van het dictum van dit vonnis als volgt aan:

een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag of dagdeel dat [de buurman] deze veroordeling overtreedt, met een maximum van € 25.000;

bekrachtigt voormeld vonnis voor zover in conventie gewezen voor het overige;

wat betreft het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 april 1997 voor zover in reconventie gewezen

vernietigt de onderdelen 4.5 en 4.6 van het dictum;

voegt aan het dictum in reconventie het volgende onderdeel toe:

4.6a. verbiedt Interboat haar klanten te instrueren of aan te bevelen ligplaats te laten nemen aan haar steiger, voor zover die grenst aan perceel G 3244, voor een periode van langer dan 24 uur;

bekrachtigt voormeld vonnis voor zover in reconventie gewezen voor het overige;

wijst af het door [de buurman] overigens in hoger beroep gevorderde;

compenseert de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep en in conventie en revonventie in eerste aanleg aldus dat iedere partij in deze procedures de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, Th.C.M. Willemse en L.R. van Harinxma thoe Slooten, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.