Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2330

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
200.213.927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.927

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 5037827)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

opposant in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

procesvertegenwoordiger onttrokken, voorheen: mr. K. Horstman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Challenge Vastgoed B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geopposeerde in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Challenge,

advocaat: mr. D.J. Brugge.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte uitlating van Challenge met producties.

1.3

Vervolgens heeft Challenge de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Bij het tussenarrest van 5 november 2019 is de zaak naar de rol verwezen om Challenge in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten over de in rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest genoemde punten, die volgens [appellant] meebrengen dat de door Challenge en hem overeengekomen boete moet worden gematigd tot nihil, althans tot een bedrag van € 1.650,-. [appellant] is niet in de gelegenheid gesteld om op de producties te reageren, omdat zijn procesvertegenwoordiger zich heeft onttrokken en zich voor [appellant] , ondanks het feit dat hij door mr. Horstman op de gevolgen van die onttrekking is gewezen, geen nieuwe procesvertegenwoordiger heeft gesteld.

2.2

Zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen zou de boete kunnen worden gematigd, indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarbij moet gelet worden op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst en de inhoud en strekking van het beding, alsmede de omstandigheden waaronder het is ingeroepen en de overige omstandigheden van het geval. De rechter dient deze bevoegdheid tot matiging terughoudend te hanteren. Matiging is slechts toegestaan indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

2.3

Met betrekking tot de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het boetebeding stelt het hof bij de beoordeling daarvan voorop dat het een gebruikelijk beding is bij de koop en verkoop van woonhuizen. Het bevat een prikkel tot (tijdige) nakoming van wezenlijke verplichtingen die rusten op beide partijen. In zoverre draagt het boetebeding naar zijn aard bij tot de rechtszekerheid, hetgeen van betekenis is bij het oordeel of de billijkheid in het onderhavige geval klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd.

2.4

Tussen partijen staat vast dat [appellant] ten tijde van de koop van de woning op de veiling door Challenge en de daarna gevolgde verkoop aan [appellant] nog in de woning woonde en dat hij heeft meegewerkt aan de juridische levering van de woning en de koopprijs heeft betaald, maar dat hij dat ongeveer een maand te laat heeft gedaan, namelijk op 17 maart 2016 in plaats van op 18 februari 2016.

2.5

De stelling van [appellant] dat Challenge een financieel voordeel van € 37.000,- heeft genoten door de koop van de woning op de veiling en de verkoop van de woning aan [appellant] , heeft Challenge gemotiveerd betwist. Uit de door haar als productie 3 overgelegde nota van afrekening van de instrumenterend notaris maakt het hof op dat Challenge voor de door haar op de veiling gekochte woning aan de [a-straat 1] in [A] in totaal

€ 306.024,38 (de koopsom van € 287.000,- vermeerderd met kosten) heeft betaald. Dat impliceert dat Challenge met de verkoop van de woning aan [appellant] , anders dan deze heeft gesteld, geen hogere marge dan de door Challenge genoemde marge van circa € 23.500,- heeft gerealiseerd.

2.6

De stelling van [appellant] dat Challenge heeft geprofiteerd van de omstandigheid dat [appellant] graag in de woning wilde blijven wonen, heeft Challenge eveneens gemotiveerd betwist. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar de door haar gerealiseerde marge bij de verkoop van een aantal andere woningen, aangevoerd dat zij een veel hoger voordeel had kunnen behalen indien zij ervoor had gekozen om de woning op de openbare markt te verkopen.

2.7

Voor zover [appellant] met zijn betoog dat de boete dient te worden gematigd tot nihil, althans tot een bedrag van € 1.650,-, heeft bedoeld dat de schade van Challenge in ieder geval niet hoger is dan € 1.650,-, staat dat niet vast. Challenge heeft immers aangevoerd dat zij in de periode van 18 februari 2016 tot 17 maart 2016 geen bod heeft kunnen uitbrengen op een aantal woningen die in die periode via de regionale vastgoedveiling te koop werden aangeboden, omdat het haar aan liquiditeit ontbrak ten gevolge van de niet nakoming door [appellant] in die periode. Daardoor is Challenge een winst van minstens € 37.050,- misgelopen, zo heeft zij toegelicht.

2.8

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. [appellant] heeft weliswaar in het algemeen bewijs van zijn stellingen aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die op dit punt tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat het hof zijn bewijsaanbod passeert.

3 De slotsom

3.1

Het door [appellant] ingestelde verzet slaagt niet. Het arrest van 14 augustus 2018 blijft daarom in stand.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij in de verzetprocedure zal het hof [appellant] in de kosten van die procedure veroordelen.

De desbetreffende kosten aan de zijde van Challenge zullen worden vastgesteld op

€ 537,- (1/2 punt x tarief II).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in verzet in hoger beroep:

wijst het door [appellant] ingestelde verzet af;

verstaat dat het door dit hof op 14 augustus 2018 gewezen arrest in stand blijft;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Challenge vastgesteld op € 537,-.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.E.F. Hillen en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.