Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2326

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.254.454/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdigheid beroep. Dat een beroepschrift niet fysiek of digitaal kan worden ingediend, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.254.454/01

CJIB-nummer

: 216973469

Uitspraak d.d.

: 17 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.

3. De beslissing van de officier van justitie is op 18 september 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 30 oktober 2018. Het beroepschrift is gedateerd 24 oktober 2018. Uit een stempel blijkt dat het beroepschrift op 1 november 2018 door de officier van justitie ontvangen. Het poststempel is van 31 oktober 2018.

4. De betrokkene voert aan dat hij het beroepschrift op 30 oktober 2018 ter post heeft bezorgd. De aanname dat het beroepschrift op 31 oktober 2018 ter post is bezorgd omdat het poststempel van 31 oktober 2018 is, is onjuist. Daarnaast heeft de CVOM slechts een postbusadres. Daardoor is de betrokkene de mogelijkheid ontnomen om het beroepschrift op een betrouwbare en directe wijze in te dienen, bijvoorbeeld door middel van elektronische communicatie of fysieke bezorging.

5. Een stuk is alleen voor het einde van de termijn ter post bezorgd indien het tijdig in de brievenbus is gedeponeerd dan wel op het postkantoor is aangeboden. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd, zoals door de betrokkene onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:HR:2005:AT7649, is aangevoerd. Dat neemt niet weg dat het poststempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband hiermee moet in gevallen waarin -zoals hier- op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden aangenomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd (vgl. HR 28 januari 2011, LJN BP2138, te raadplegen via rechtspraak.nl).

6. Nu de betrokkene niet door middel van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, is het hof van oordeel dat het beroep bij de kantonrechter niet tijdig is ingesteld.

7. Dat de betrokkene graag de mogelijkheid had willen hebben om het beroepschrift op een andere wijze in te dienen, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De betrokkene kon met het instellen van beroep rekening houden met het gegeven dat die mogelijkheid niet bestond.

8. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.