Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
200.264.243
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek machtiging te gelde maken woning. Belangenafweging. 3:174 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.243

(zaaknummer rechtbank Gelderland 347431)

beschikking van 17 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.J.T. Leijzer te Zutphen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoenmaker te Houten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 juli 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Leijzer van 23 januari 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2001 gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2

Het huwelijk van partijen is [in] 2009 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 4 november 2009.

In het echtscheidingsconvenant dat tussen partijen geldt is over de voormalige echtelijke woning onder meer het volgende opgenomen:

“2.1 De voormalige echtelijke koopwoning te [B] , [a-straat 1] , [B] , wordt vanaf 1 september 2009 bewoond door de man. De lasten rustend op de aan de man toebedeelde onroerende zaak zullen met ingang genoemde datum voor rekening van de man zijn.

2.2

De voormalig echtelijke koopwoning blijft op naam van zowel man als vrouw staan en blijft dus als zodanig het gezamenlijk eigendom van beiden.

2.3.1

Op ieder moment kan zowel man als vrouw (of beiden) jegens elkaar verzoeken de ander uit te kopen.

2.3.2

Bij het uitkopen wordt de overwaarde van de voormalig echtelijke woning verdeeld over man en vrouw, naar rato van het aantal jaren dat zij hier in hebben gewoond (en lasten hebben gedragen). Voor de vrouw wordt dit aantal jaren bij dezen bepaald op 4 (vier).

2.3.3

Indien de man de vrouw uitkoopt, wordt de voormalig echtelijke koopwoning te [B] , [a-straat 1] , [B] , aan de man toebedeeld. Onder voorwaarde dat de hypothecaire lening aan hem wordt toegescheiden en de bank de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichtingen jegens de hypotheekhouder.”

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil het verzoek van de vrouw ex artikel 3:174 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) tot het verlenen van een machtiging te gelde maken van de woning aan de [a-straat 1] te [B] door de verkoop en levering van die woning, op straffe van een dwangsom.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw haar te machtigen over te gaan tot de verkoop en levering van voornoemde woning, zonder dat zij daarvoor instemming van de man behoeft en alle daarmee samenhangende verzoeken ten aanzien van een makelaarskeuze, verkoopstrategie, medewerken aan bezichtigingen en verkoop van die woning, op straffe van een dwangsom van € 500 per keer dat de man zijn medewerking weigert, afgewezen. De rechtbank heeft bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het oorspronkelijke verzoek alsnog toe te wijzen onder instandhouding van de beslissing over de proceskosten, ook in hoger beroep met compensatie van de proceskosten van partijen in dier voege dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

4.3

De man voert verweer en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken geheel dan wel gedeeltelijk af te wijzen en de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van deze procedure en de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Uit proceseconomische overwegingen zal eerst grief II besproken worden.

In grief II stelt de vrouw dat de rechtbank een niet-valide redenering aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd en voert hiertoe het volgende aan, kort samengevat:

  • -

    de vrouw heeft wel een gewichtige reden tot het verkrijgen van de verzochte machtiging om de woning te gelde te maken;

  • -

    dat de onverdeelde situatie al negen jaar duurt mag de vrouw niet worden tegengeworpen;

  • -

    de vaststelling van de rechtbank dat de vrouw een regresvordering heeft op de man als de man de hypotheeklasten niet langer betaalt is onjuist en irrelevant;

  • -

    de vrouw loopt wel risico dat zij de onderwaarde van de woning moet betalen en dan heeft zij na afloop van het WNSP traject nog steeds een grote schuld die zij niet kan voldoen;

  • -

    de vrouw heeft wel degelijk problemen bij toelating tot de WSNP omdat zij nog mede-eigenaar van de woning is;

  • -

    vermoedelijk zal de woning na afloop van de WSNP ook nog niet verkocht en geleverd zijn, omdat het aanvullende krediet van de man – waardoor hij op dit moment de aan de woning verbonden hypotheekschuld niet kan overnemen – eind 2022 nog niet zal zijn afgelost.

5.2

De man voert hiertegen verweer en voert daartoe het volgende aan. De man kan voldoende financiële zekerheden bieden die het te gelden maken van de woning op dit moment onvoldoende noodzakelijk maken. De vrouw berust al ruim negen jaar in de onverdeelde situatie, onder meer omdat het huis onder water stond en staat. Het feit dat het traject rondom de WSNP voor de vrouw wordt bemoeilijkt kan niet aan de man worden tegengeworpen. Als de vrouw wordt toegelaten tot de WSNP zonder te zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en zonder dat de woning is verkocht en geleverd, zou er alleen een probleem rijzen wanneer de woning op enig moment verkocht en geleverd zou moeten worden met een onderwaarde, maar de man is niet van plan de woning te verkopen. De man stelt dat het risico dat de vrouw loopt op een mogelijk waardeloze regresvordering niet tot gevolg mag hebben dat dit ten koste gaat van zijn (financiële) positie. Volgens de man zijn partijen – stilzwijgend – overeengekomen dat de man in de onverdeelde woning zou blijven wonen (onder betaling van alle daaraan verbonden lasten) en staat deze afspraak – ook – in de weg aan toewijzing van het verzoek van de vrouw.

Ten aanzien van zijn financiële positie heeft de man in het verweerschrift verder aangevoerd dat indien de woning nu noodgedwongen verkocht moet worden hij gegronde vrees heeft dat hij dan in zodanig nadelige financiële omstandigheden komt te verkeren dat hij niet meer in staat zal zijn een betaalbare huurwoning te vinden. De man heeft daarnaast gesteld dat hij de woning graag wil overnemen, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, maar dat de bank dat nu niet toestaat in verband met een doorlopend krediet bij de [a-bank] van de man, welk krediet hij uiterlijk in juni 2024 zal aflossen.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Artikel 3:174 lid 1 BW bepaalt dat de rechter, die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen kan machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed.

5.4

De vrouw heeft belang bij verkoop van de woning, omdat daarmee aan de onverdeeldheid van de gemeenschap van de woning een einde komt (art. 3:178 lid 1 BW), terwijl deze onverdeeldheid nu al meer dan tien jaren duurt.

Het belang van de man om de woning niet nu te verkopen is erin gelegen dat hij verwacht na 2024 de woning te kunnen overnemen, terwijl hij dat op dit moment niet kan, en dat zijn financiële positie door gedwongen verkoop zodanig zal verslechteren dat hij geen betaalbare huurwoning zal kunnen vinden.

Het hof is van oordeel dat het belang van de vrouw bij verkoop van de woning prevaleert boven het belang van de man, zodat grief II slaagt. Hierbij acht het hof doorslaggevend dat indien het standpunt van de man wordt gevolgd, de onverdeeldheid nog minimaal vier jaar langer zal duren, terwijl het niet zeker is dat de man tegen die tijd wel in staat zal zijn de woning over te nemen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

5.5

Het hof is evenwel van oordeel dat aan de man gedurende zes maanden na heden de gelegenheid geboden dient te worden om de woning eerst aan zichzelf te laten toescheiden. Als blijkt dat de man de woning van partijen kan overnemen, kan de vrouw daar immers ook haar voordeel mee doen. Niet alleen zal daardoor de restschuld kunnen worden beperkt, maar als – zoals de vrouw betoogt – de eigen woning nog een beletsel vormt voor toelating tot de WSNP, dan is dat beletsel daarmee ook weggenomen.

5.6

Nu grief II slaagt, behoeft grief I geen bespreking meer.

5.7

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de man om [C] en [D] te horen over de gevoerde gesprekken met de [a-bank] omdat dit niet ter zake dienend is aangezien deze gesprekken niet redengevend zijn geweest voor de beslissing van het hof.

5.8

Het hof ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen zoals in eerste aanleg verzocht.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief II. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft, zal het hof de proceskosten aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt. Voor het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten is geen grond, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 mei 2019 en in zoverre opnieuw beschikkende:

machtigt de vrouw, voor het geval de woning aan de [a-straat 1] te [B] , kadastraal bekend als gemeente [E] , sectie [Y] , nummer [000] , niet binnen zes maanden na de dagtekening van deze beschikking zonder voorbehoud zal zijn toegescheiden aan de man, tot het te gelde maken van de voormalige echtelijke woning,

en

machtigt haar om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van deze onroerende zaak, waaronder:

  • -

    een opdracht aan een makelaar naar haar keuze te verstrekken om de onderhandse verkoop van de woning te bevorderen en daarbij te adviseren, met bepaling dat de kosten van inschakeling van die makelaar bij helfte ten laste van ieder van partijen zullen komen en

  • -

    de verkoopstrategie te bepalen en te beslissen welke marketinginstrumenten daarvoor worden aangewend, eveneens met bepaling dat de kosten daarvan bij helfte ten laste van ieder van partijen zullen komen;

bepaalt dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan:

  • -

    het opnemen van de woning door de makelaar of diens medewerkers en/of hulppersonen, zo vaak als die makelaar dat dienstig acht;

  • -

    het laten bezichtigen van de woning door geïnteresseerden, al dan niet geflankeerd door aankopend makelaar(s) en/of andere hulppersonen, zo vaak als de verkopend makelaar dat dienstig acht;

  • -

    het leeg en ontruimd verlaten van de woning uiterlijk twee weken voor de met een koper overeengekomen datum van overdracht;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en R. Feunekes, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. De Groot, en is op 17 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.