Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2288

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
001739-19/001740-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding ex artikel 89 (oud) en artikel 591a (oud), thans artikel 533 en artikel 530 Sv.

In geval van een beleidssepot dient te worden beoordeeld of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling van verzoeker zou hebben geleid. Slechts in dat geval ontbreken gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding en kan dat verzoek worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

AV-nummers hof: 001739-19 en 001740-19

Rekestnummers rechtbank: 19/001622 en 19/001625

Parketnummer eerste aanleg: 18-217094-17

Uitspraak d.d.: 17 maart 2020

Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 1 oktober 2019 op het verzoek ex artikel 89 (oud) en artikel 591a (oud), thans artikel 533 en artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[apellante] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] ,

voor deze zaak woonplaats kiezende te [plaats] , [adres] , ten kantore van haar advocaat mr. J.B. Pieters

hierna te noemen appellante.

Procesgang

Bij een op 21 februari 2019 ingediend verzoekschrift heeft appellante gevraagd om vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die zij ten gevolge van ondergane detentie in een strafzaak heeft geleden ten bedrage van € 210,00. Voorts heeft zij gevraagd om een vergoeding voor de gemaakte kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift.

De rechtbank heeft bij voormelde beschikking het verzoek afgewezen.

Namens appellante is op 28 oktober 2019 hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking.

Het hoger beroep is door het hof in raadkamer op 3 maart 2020 in het openbaar behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de appellante, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, voornoemd.

Beoordeling van het hoger beroep

Uit het onderzoek in openbare raadkamer is -voor zover hier van belang- het navolgende gebleken:

  • -

    Appellante is op 18 april 2017 aangehouden in verband met de verdenking van een strafbaar feit. Zij heeft twee dagen in verzekering doorgebracht.

  • -

    De strafzaak, die is ingeschreven onder parketnummer 18/217094-17, is geëindigd op 29 november 2017 met een sepotbeslissing op grond van het feit dat het aandeel van appellante in het gebeuren van betrekkelijk geringe aard/omvang is geweest.

De rechtbank heeft, zoals hiervoor vermeld, de verzoeken afgewezen. Zij heeft daarbij voor wat betreft het verzoek ex artikel 89 (oud) Sv geoordeeld dat er geen sprake is van een zaak die onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel. Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a (oud) Sv is geoordeeld dat het de advocaat van appellante op voorhand duidelijk had kunnen zijn dat dit verzoek zou worden afgewezen.

Namens appellante is betoogd dat de rechtbank het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het door de rechtbank toegepaste criterium is niet in lijn met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de onschuldpresumptie. In de beslissing van het openbaar ministerie ligt al besloten dat onmiskenbaar geen straf of maatregel zou volgen. Ook bij een inhoudelijke behandeling zou vrijspraak zijn gevolgd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen.

In geval van een beleidssepot dient te worden beoordeeld of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling van thans appellante zou hebben geleid. Is dat het geval, dan ontbreken gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding en kan een verzoek als het onderhavige worden afgewezen (vgl. de beschikking van dit hof d.d. 14 augustus 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6479).

Het hof kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen dat de zaak onmiskenbaar zou hebben geleid tot een veroordeling van appellante. Het hof is dan ook, anders dan de rechtbank, van oordeel dat gronden van billijkheid zich niet verzetten tegen toekenning van vergoedingen op grond van de artikelen 89 (oud) en 591a (oud), thans artikelen 530 en 533 Sv.

Het hof zal appellante een vergoeding toekennen van € 105,- per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen, dus in totaal € 210,-.

De kosten van het verzoekschrift zullen worden vergoed overeenkomstig de ter zake gehanteerde uitgangspunten, dus € 550,- voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift in eerste aanleg en € 550,- voor de indiening en behandeling in hoger beroep.

Gelet hierop zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding ten laste van de Staat toekennen van in totaal € 1.310,00.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Kent toe aan appellant [apellante] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 1.310,00 (dertienhonderdtien euro).

Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van stichting beheer derdengelden Pieters advocaten.

Aldus gegeven door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.P.G.A. Arntz, griffier,

door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 17 maart 2020 ter openbare zitting uitgesproken.