Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2282

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
21-001474-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM-appel tegen vrijspraak in eerste aanleg. In hoger beroep veroordeling ter zake van diefstal door middel van braak. Diverse bloedsporen op delictgerelateerde plaatsen in de woning (o.a. op een kluis in de kelder en op een doosje van een iPhone op de 1e verdieping), die matchen met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft hiervoor geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Toepassing jeugdstrafrecht. Veroordeling van verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie en jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001474-18

Uitspraak d.d.: 16 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2018 met parketnummer 18-830399-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het ten laste gelegde, veroordeling van verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 60 dagen waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schlepers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 5 maart 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van diefstal door middel van braak vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2017 tot en met 22 oktober 2017 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat] aldaar) heeft weggenomen een filmcamera (Canon Legria) en/of een fotocamera (Nikon D60) en/of een lens (Tamron Ni) en/of een (aantal) tablet(s) (Apple Ipad) en/of een (aantal) horloge(s) (Ice en/of goud) en/of een smartphone (Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De

verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een inbraak in een woning en daarbij diverse elektronica en een aantal horloges heeft weggenomen. Verdachte heeft dit feit ontkend.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het enkel aantreffen van DNA-materiaal afkomstig van verdachte, zonder dat sprake is van andere bewijsmiddelen die directe aanleiding geven tot betrokkenheid van verdachte bij de inbraak, onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarnaast heeft het DNA-onderzoek geen doorslaggevende bewijskracht, nu het onduidelijk is hoe het DNA-materiaal van verdachte in de woning is gekomen en het DNA-materiaal ook van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man zou kunnen zijn, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt de volgende feiten vast.1

Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat tussen 20 oktober 2017 22:15 uur en 22 oktober 2017 11:42 uur uit haar woning aan de [adres] te [plaats] diverse goederen zijn weggenomen. Eerst is geprobeerd om via de achterzijde van de woning binnen te komen. Daarbij is de cilinder van de achterdeur kapot gedraaid en vervolgen naar achteren gedrukt. Men kon de deur op deze wijze echter niet open krijgen. Vervolgens is links naast de voordeur een glas en loodraam kapot geslagen. Op deze wijze kon men het slot van de voordeur aan de binnenzijde ontsluiten. De inbreker heeft zich hierbij verwond.2

Op 22 oktober 2017 zijn er tijdens het sporenonderzoek door de politie op verschillende plekken in de woning bloedsporen aangetroffen:

  • -

    op de kluis in de kelder

  • -

    op een iPhone-doosje in de slaapkamer op de 1e verdieping

  • -

    op de muur in de hal bij de voordeur

  • -

    op het hekje tussen de keuken en de woonkamer

  • -

    op het kastje in de hal bij de voordeur.

Deze bloedsporen zijn bemonsterd voor DNA-onderzoek.3 Het DNA-materiaal uit deze bloedsporen is geïdentificeerd op het DNA-profiel van verdachte.4 Het NFI rapporteert dat het celmateriaal uit de bloedsporen afkomstig kan zijn van verdachte en rapporteert een matchkans van kleiner dan één op één miljard.5 Tijdens de inbraak zijn de volgende goederen weggenomen: filmcamera van het merk/type Canon Legria, fotocamera van het merk/type Nikon D60, lens van het merk/type Tamron Ni, tablets van het merk/type Apple iPad air en retina display, horloges van het merk/type Ice en goud en een smartphone van het merk/type Samsung A5. Deze goederen behoorden toe aan [slachtoffer] .6

Het hof overweegt als volgt.

Het hof merkt de diverse aangetroffen bloedsporen in de woning aan als dadersporen, die waarschijnlijk zijn ontstaan door het inslaan van het glas en loodraam links naast de voordeur. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, dit bloed kort na de inbraak werd aangetroffen op verschillende plekken in de woning op zowel verplaatsbare als niet-verplaatsbare objecten. Dit zijn plekken in de woning, zoals in de feitenvaststelling genoemd, die delictgerelateerd zijn. De bloedsporen matchen met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.

De door de raadsvrouw geopperde suggestie dat het in de woning aangetroffen DNA‑materiaal afkomstig zou zijn van in de mannelijke lijn aan verdachte verwante persoon/personen is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Ook overigens biedt het dossier hiervoor geen enkel aanknopingspunt.

De enkele stelling van de verdediging dat verdachte denkt dat hij in het betreffende weekend bij vrienden was omdat hij in de weekenden vaak met vrienden ‘hing’, is op geen enkele wijze concreet gemaakt en verifieerbaar onderbouwd. Verdachte heeft aldus geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de diverse bloedsporen - waarvan het DNA-materiaal matcht met verdachtes DNA-profiel - op delictgerelateerde plaatsen in de woning van aangeefster .

Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan het uitgevoerde DNA-onderzoek. Geen regel van bewijsrecht verzet zich ertegen dat het daderschap van de verdachte niet mag worden gebaseerd op uitsluitend DNA-bewijs.7

De verweren van de raadsvrouw strekkende tot vrijspraak worden verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de woning aan de [adres] te [plaats] heeft ingebroken en dat hij daar goederen heeft weggenomen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 20 oktober 2017 tot en met 22 oktober 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [straat] aldaar) heeft weggenomen een filmcamera (Canon Legria) en een fotocamera (Nikon D60) en een lens (Tamron Ni) en een aantal tablets (Apple Ipad) en een aantal horloges (Ice en goud) en een smartphone (Samsung), toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal, waarbij hij zich op een brutale wijze toegang tot die woning heeft verschaft en hij vervolgens een aantal goederen heeft weggenomen. Dergelijke vermogenscriminaliteit veroorzaakt hinder, schade en ergernis voor de betrokken bewoners. Volgens aangeefster trof ze haar woning aan als een chaos, waarbij men de kasten had opengemaakt en alles overhoop had getrokken. Algemeen bekend is dat met name de slachtoffers van een woninginbraak hiervan lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot taakstraffen voor strafbare feiten, waaronder voor soortgelijke strafbare feiten. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een dergelijk strafbaar feit.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door de raadsvouw en verdachte naar voren is gebracht ter terechtzitting van het hof. Verdachte heeft sinds kort een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als elektromonteur. Daarnaast volgt verdachte een BBL-opleiding (MBO niveau 3).

Het hof heeft ook acht geslagen op de omtrent de persoon van verdachte opgestelde rapportages, waaronder het reclasseringsadvies van 20 februari 2018. Verdachte heeft veel te verliezen bij herhaald justitiecontact, maar kwam ondanks dat toch in beeld. Verder geniet volgens de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht de voorkeur boven toepassing van het volwassenenstrafrecht vanwege de leeftijd van betrokkene, het feit dat hij nog thuiswonend is en onder de beïnvloedingssfeer van zijn moeder woont en leeft.

Verdachte was bij het plegen van het feit 19 jaar en nu 21 jaar oud. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast gelet op de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Het hof ziet – evenals de reclassering, de verdediging en de advocaat-generaal – mede gelet op voornoemde reclasseringsadvies in de persoonlijkheid van verdachte reden om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het hof zal daarom het advies overnemen en de zaak afdoen volgens de bepalingen van het jeugdstrafrecht.

Het hof acht, gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, oplegging van jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie passend en geboden.

Opheffing voorlopige hechtenis

Het hof stelt vast dat verdachte zich in deze strafzaak in voorlopige hechtenis heeft bevonden. Nu verdachte de hem bij dit arrest opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf reeds in detentie in het kader van de voorlopige hechtenis heeft ondergaan, heft het hof het tegen verdachte verleende, en het door de rechtbank op 22 november 2017 onder voorwaarden geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis op.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 58 (achtenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het op 22 november 2017 geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A. Abdulkarim, griffier,

en op 16 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E. Pennink en A. Abdulkarim zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid Noord-Nederland, district Groningen, basisteam Ommelanden-Midden, met dossiernummer PL0100-201780137 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 42.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 6.

3 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 18-20.

4 Het proces-verbaal van identificatie n.a.v. DNA-sporen, pagina 10-11.

5 Het NFI-rapport DNA-onderzoek van 6 november 2017, pagina 12-16.

6 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 8-9.

7 ECLI:NL:PHR:2019:727, punt 13.