Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2268

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.250.057/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzending verdagingsbrief door officier van justitie in dit geval niet aannemelijk. Te laat beslissen heeft geen gevolgen voor de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.057/01

CJIB-nummer

: 209645706

Uitspraak d.d.

: 16 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 27 augustus 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op het argument dat de officier van justitie de beslistermijn heeft overschreden, terwijl dit de reden van het beroep was. De officier van justitie heeft de beslistermijn overschreden en heeft tussentijds geen bericht gestuurd dat de beslistermijn werd verlengd. De betrokkene is van mening dat vanwege de overschrijding van de beslistermijn het bedrag van de sanctie moet worden teruggestort.

2. Artikel 13, tweede lid, van de Wahv bepaalt dat de beslissing van de kantonrechter met redenen is omkleed.

3. Het hof stelt - met de betrokkene - vast dat de kantonrechter in zijn beslissing niet is ingegaan op het verweer van de betrokkene over de overschrijding van de beslistermijn (in de procedure bij de kantonrechter de enige beroepsgrond van de betrokkene). De beslissing van de kantonrechter lijdt aan een motiveringsgebrek. Dit gebrek leent zich voor verbetering van de gronden van de beslissing van de kantonrechter. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4. Artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.”

5. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 21 september 2017. Gelet op het eerste lid van artikel 7:24 van de Awb eindigde de beslistermijn op 11 januari 2018. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 8 januari 2018 waarin de officier van justitie aan de betrokkene meedeelt de beslistermijn met 10 weken te verlengen.

6. De betrokkene betwist de ontvangst van de verdagingsbrief van de officier van justitie van
8 januari 2018.

7. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient het bestuursorgaan, in geval van verzending van besluiten of rechtens van belang zijnde documenten, aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Uit het dossier blijkt niet dat de brief daadwerkelijk is verzonden. De advocaat-generaal voert in het verweerschrift aan er vanuit te gaan dat de verdagingsbrief niet aan de betrokkene is verzonden. Gelet hierop acht het hof niet aannemelijk dat de verdagingsbrief door de officier van justitie aan de betrokkene is verzonden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de officier van justitie de beslistermijn tijdig heeft verlengd.
De beslissing van de officier van justitie dateert van 28 februari 2018. Die beslissing is dan ook niet tijdig gegeven.

8. Aan deze termijnoverschrijding kan echter niet het door de betrokkene gewenste gevolg worden verbonden. De in artikel 7:24, eerste lid, van de Awb genoemde termijn betreft namelijk geen fatale termijn. Dit betekent dat de officier van justitie bevoegd en gehouden blijft om op het beroep te beslissen. Slechts ontstaat door het niet tijdig beslissen de mogelijkheid voor de betrokkene om -teneinde de officier van justitie te bewegen niet langer te talmen met beslissen- beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen en de officier van justitie in gebreke te stellen met het oog op de verbeurte van een dwangsom. De betrokkene heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

9. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.