Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2250

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.263.284/01 en 200.263.344/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime van partijen. Hoofdverblijf dochter wordt bij de vader bepaald (in Nederland). Zoon woont bij de moeder (Bahama's).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.263.284/01 (huwelijksvermogensregime) en 200.263.344/01 (hoofdverblijfplaats)

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 124357 en 124357)

beschikking van 12 maart 2020

inzake

in de zaak met zaaknummer 200.263.284/01

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. J.W.F. van Horssen te Leek,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] (Bahama’s),

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Horsten-van Gemeren te Emmen.

in de zaak met zaaknummer 200.263.344/01

[verweerster] ,

wonende te [B] (Bahama’s),

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Horsten-van Gemeren te Emmen,

en

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. J.W.F. van Horssen te Leek.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 februari 2019 en 24 april 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.263.284/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 juli 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Horssen van 5 augustus 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Van Horssen van 9 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Horssen van 13 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Horsten-van Gemeren van 14 januari 2020 met productie(s).

in de zaak met zaaknummer 200.263.344/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 juli 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van mr. Horsten-van Gemeren van 1 augustus 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Van Horssen van 9 januari 2020 met productie(s).

in beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2020 plaatsgevonden. De zaken met zaaknummers 200.263.284/01 en 200.263.344/01 zijn vanwege hun onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook de moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [C] , beëdigd tolk in de Engelse taal (Wbtv-nummer [000] ). Namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is de heer [D] verschenen. Mr. Van Horssen heeft het woord mede gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

3 De feiten

3.1

Het [in] 2017 te [B] (Bahama’s) gesloten huwelijk van de ouders is [in] 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidings(tussen)beschikking van

20 februari 2019. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder de Bahamaanse nationaliteit.

3.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren op de Bahama’s [in] 2014 en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren op de Bahama’s [in] 2019. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.3

De ouders zijn met [de minderjarige1] op 20 december 2017 van de Bahama's naar Nederland verhuisd.

in de zaak met zaaknummer 200.263.284/01

3.4

De moeder heeft de rechtbank, bij zelfstandig verzoek ingekomen op

29 november 2018, verzocht voor recht te verklaren dat op het door de ouders [in]

2017 op de Bahama's gesloten huwelijk het Nederlands huwelijksvermogensregime van toepassing is. De vader heeft verweer gevoerd.

in de zaak met zaaknummer 200.263.344/01

3.5

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 september 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat [de minderjarige1] aan de vader wordt toevertrouwd. Vanaf die

dag verblijft [de minderjarige1] bij de vader. In september 2018 is de moeder teruggekeerd naar de Bahama's.

3.6

De vader heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bij verzoekschrift ingekomen op 28 september 2018, verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij hem zal zijn. De moeder heeft verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

in beide zaken

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] .

4.2

Bij de bestreden beschikking van 24 april 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de vader zal zijn en partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris; en voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding over de keuze van een notaris niet eens zijn, mr. R.T. de Vries, notaris te Emmen, of diens waarnemer of opvolger benoemd, en bepaald dat wanneer de moeder niet meewerkt aan de verdeling mr. H.M. Hemmes-Boer, advocaat te Coevorden, als haar vertegenwoordiger zal optreden en bepaald dat wanneer de vader niet meewerkt aan de verdeling mr. C.C.N. Cats, advocaat te Emmen, als zijn vertegenwoordiger zal optreden.

in de zaak met zaaknummer 200.263.284/01

4.3

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en de verdeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank heeft overwogen dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en partijen is bevolen om over te gaan tot verdeling van hun gemeenschap ten overstaan van een notaris, met benoeming van mr. R.T. de Vries, notaris te Emmen, of diens waarnemer of opvolger, dan wel met benoeming van

mrs. H.H. Hemmes-de Boer of C.C.N. Cats tot vertegenwoordigers, en opnieuw rechtdoende de vordering van de moeder “Voor recht te verklaren dat op het door partijen [in]

2017 op de Bahama’s gesloten huwelijk het Nederlands recht van toepassing is en deswege te bepalen dat partijen met elkaar dienen over te gaan tot verdeling van de

gemeenschap van goederen waarin zij met elkaar zijn gehuwd met benoeming van een

notaris en onzijdig personen” af te wijzen, kosten rechtens.

4.4

De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en de verdeling van de huwelijksgemeenschap, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

in de zaak met zaaknummer 200.263.344/01

4.5

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] alsnog bij de moeder wordt bepaald, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.6

De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de bestreden beschikking voor

zover de rechtbank heeft overwogen en beslist dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de

vader is, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

in de zaak met zaaknummer 200.263.284/01 (het huwelijksvermogensregime)

5.1

Bij de behandeling van zijn eerste grief, die inhoudt dat de rechtbank heeft beslist zonder partijen behoorlijk in de gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten, heeft de vader geen belang, nu hij het geschilpunt in volle omvang aan het hof heeft voorgelegd.

5.2

Ter onderbouwing van zijn tweede grief heeft de vader aangevoerd dat partijen niet hun eerste gewone verblijfplaats binnen een termijn van zes maanden na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van Nederland hebben gevestigd. Hij stelt dat het eerste huwelijksdomicilie, zij het slechts voor de duur van een kleine maand, op de Bahama's is geweest, namelijk [in] 2017 (huwelijksdatum) tot 20 december 2017 (vertrek naar Nederland). Volgens de vader moet ook de periode voorafgaand aan het huwelijk meetellen als het gaat om de bepaling van de maatschappelijke woonplaats: partijen werkten toen op de Bahama's, ze woonden er en hun dochter [de minderjarige1] is er geboren. Uit het gedrag van de moeder is verder gebleken dat zij nooit de intentie heeft gehad om in Nederland te blijven, en ook voor de vader had dat verblijf een voorlopig, tijdelijk karakter, in afwachting van nieuw te verkrijgen werk dat overal ter wereld kon zijn.

5.3

De moeder ontkent dat zij niet de intentie had om in Nederland te blijven, toen zij, met de vader en haar drie kinderen, in december 2017 naar Nederland kwam. Haar baan op de Bahama's was opgeschort, de oudste twee dochters zijn meteen ingeschreven op een school in Nederland en de moeder is Nederlandse les gaan volgen. De vader had een huis in Nederland en heeft daar (later) ook werk gekregen.

5.4

Partijen zijn het erover eens dat op hun huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing is. Ook naar het oordeel van het hof is dat het geval. Eveneens zijn partijen het erover eens dat er geen geldige rechtskeuze is uitgebracht, en dat zij ten tijde van de huwelijksvoltrekking of kort daarna geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden.

Onder deze omstandigheden wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd.

5.5

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting besproken is staat voor het hof vast dat partijen ten tijde van de huwelijksvoltrekking op de Bahama’s al het voornemen hadden om de Bahama's te verlaten en naar Nederland te gaan. Partijen erkennen dat ook, al is hun visie op de aard van het beoogde verblijf in Nederland verschillend; het hof komt daarop hierna nog terug. Het feit dat partijen niet voornemens waren om na hun huwelijk op de Bahama's te blijven of om daar op korte termijn terug te keren is voor het hof wel een reden om aan de voorhuwelijkse periode van gezamenlijk verblijf op de Bahama's geen betekenis te hechten; het hof sluit hierbij aan bij het zogeheten Hongkong-arrest van de Hoge Raad (HR 16 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1446, NJ 1995/169 m.nt. Th.M. de Boer). Daarom is naar het oordeel van het hof het eerste huwelijksdomicilie van partijen niet op de Bahama's gevestigd.

5.6

Ook staat vast dat partijen binnen een maand na de huwelijkssluiting zijn vertrokken naar Nederland. Dit is ruim binnen de in de rechtspraak in het algemeen gehanteerde termijn van zes maanden voor de beoordeling van de vraag waar het eerste huwelijksdomicilie werd gevestigd. Hoewel in het algemeen wel wordt vereist dat van een eerste huwelijksdomicilie pas kan worden gesproken als de echtgenoten enige tijd in het desbetreffende land hebben gewoond kan een kort verblijf in dat land onder omstandigheden ook een eerste huwelijksdomicilie opleveren, wanneer de echtgenoten de intentie hadden om zich daar langer te vestigen maar zulks door omstandigheden niet is gelukt.

5.7

De vader stelt dat het niet specifiek de bedoeling was om in Nederland te blijven, maar dat partijen daar vooralsnog tijdelijk zouden verblijven in afwachting van nieuw door de vader te verwerven werk. Dat zou overal ter wereld kunnen zijn. Verblijf in Nederland was voorlopig praktisch omdat de vader daar een huis had waar partijen in konden wonen.

De moeder stelt dat het wel de bedoeling was in Nederland te blijven. Niet alleen had zij haar huisvesting op de Bahama's beëindigd en haar werk voor langere tijd opgeschort, maar ook had zij haar twee oudere kinderen met instemming van de vader meegenomen naar Nederland en zijn die kinderen meteen in Nederland op een school ingeschreven en zijn zij ook daadwerkelijk naar school gegaan. Ook is de moeder snel op Nederlandse les gegaan.

5.8

Uit het samenstel van deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat partijen, met de bedoeling om daar niet terug te keren, in december 2017 van de Bahama's zijn vertrokken en naar Nederland zijn gegaan met de intentie om daar te blijven, waarbij partijen de mogelijkheid hebben open gehouden om vanuit Nederland weer te vertrekken naar een ander land, indien de vader in dat andere land een baan zou kunnen krijgen. Gebleken is dat partijen in elk geval tot april 2018 gezamenlijk in Nederland hebben gewoond, en dat ook na de toen plaatsgevonden hebbende huwelijkscrisis het verblijf in Nederland is voortgezet, totdat de moeder in september 2018 is vertrokken naar de Bahama's. De vader heeft in Nederland werk gevonden en hij en dochter [de minderjarige1] wonen hier nog steeds. Gelet op deze feiten is het hof van oordeel dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gevestigd.

5.9

Zou hierover al anders kunnen worden geoordeeld, in die zin dat partijen geen eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd (noch op de Bahama's noch in Nederland), dan geldt het recht van het land waarmee het huwelijksvermogensstelsel van partijen het nauwst verbonden is. Voor de beoordeling van die vraag acht het hof van belang dat partijen kort na de huwelijkssluiting met de kinderen en met verbreking van hun (vermogensrechtelijke) banden met de Bahama's naar Nederland gegaan zijn met de bovengenoemde intentie. Met de Bahama's bestond daardoor tijdens het huwelijk geen (vermogensrechtelijke) verbinding. In Nederland bestond die wel, doordat partijen hier hun bestaan zijn gaan opbouwen (ten minste voorlopig) en doordat het grootste aandeel in het huwelijkse vermogen van partijen zich in Nederland bevindt, namelijk het huis van (oorspronkelijk) de vader in [A] . Ook op deze wijze beoordeeld komt het hof tot de conclusie dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen, nu er geen ander rechtsstelsel in aanmerking komt waar het huwelijksvermogensstelsel van partijen het nauwst mee verbonden zou kunnen zijn.

5.10

Een en ander brengt mee dat de tweede grief van de vader faalt. De derde grief is rechtstreeks van de tweede afgeleid en volgt het lot daarvan: hij faalt. Het oordeel van de rechtbank op dit punt zal daarom worden bekrachtigd.

in de zaak met zaaknummer 200.263.344/01 (hoofdverblijfplaats [de minderjarige1] )

5.11

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

5.12

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] is om haar hoofdverblijfplaats bij de vader te hebben. Het hof sluit zich aan bij de motivering van de rechtbank en maakt diens overwegingen, na eigen onderzoek, tot de zijne. Het hof voegt hier het volgende aan toe.

5.13

[de minderjarige1] is met de ouders op drie en een half jarige leeftijd vanuit de Bahama’s naar Nederland verhuisd. Sinds september 2018 woont zij, na een onrustige periode waarbij zij verschillende verblijfplaatsen heeft gekend (waaronder een kort verblijf in een Duits kindertehuis en vrouwenopvang [E] ), volledig bij de vader. De moeder verblijft sindsdien op de Bahama’s samen met [de minderjarige2] , sinds zijn geboorte begin 2019, en haar oudste twee dochters. Na de relatiebreuk is de verstandhouding tussen de ouders en hun onderlinge communicatie ernstig verstoord geraakt. De grote geografische afstand tussen de thuislanden van de ouders maakt de situatie nog ingewikkelder. Uit de stukken, waaronder een recent rapport van de raad van 23 december 2019, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de ouders elkaar diskwalificeren als ouder, (ernstige) beschuldigingen uiten over en weer en de woonplek van hun kinderen bij de andere ouder niet accepteren, waardoor er een onmogelijke en verdrietige situatie is ontstaan in de mogelijkheden tot een zo optimaal mogelijk contact tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onderling en met hun niet-verzorgende ouder. Uit voornoemd raadsrapport blijkt evenwel dat [de minderjarige1] een vrolijk en veerkrachtig meisje is, dat haar woonsituatie bij de vader inmiddels is gestabiliseerd en dat zij de situatie accepteert zoals deze is. De raad merkt daarbij wel op dat dit anders kan zijn op het moment dat zij ouder wordt en meer vragen zal stellen en interesse zal tonen wat betreft haar afkomst.

Zowel de moeder als de vader kunnen volgens de raad in staat worden geacht om [de minderjarige1] te verzorgen en op te voeden, maar het is niet wenselijk om haar huidige stabiele woon- en leefsituatie bij de vader te doorbreken.

5.14

Het hof is alle belangen afwegend van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige1] is om wederom een wisseling in haar woonsituatie aan te brengen. [de minderjarige1] woont inmiddels ruim anderhalf jaar (onafgebroken) bij de vader in Nederland, is aan hem en haar leefomgeving gehecht en ze heeft baat bij de rust en structuur die haar daar geboden wordt. Een verbreking van deze situatie zou (opnieuw) een ingrijpende gebeurtenis voor haar zijn die het hof niet in haar belang acht. [de minderjarige1] ontwikkelt zich goed en heeft het naar haar zin op school, zo blijkt ook uit het ontwikkelingsverslag van school van 21 november 2019. De raad heeft (ter zitting) aangegeven geen zorgen te hebben over de woonsituatie van [de minderjarige1] bij de vader. Ook het hof heeft geen aanleiding aan te nemen dat de opvoedsituatie bij de vader niet tegemoetkomt aan de behoeftes van [de minderjarige1] . Het hof is dan ook van oordeel dat hetgeen de moeder op dit punt naar voren heeft gebracht onvoldoende is om nu anders te beslissen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] alsnog bij de moeder te bepalen. Voor zover de moeder naar voren heeft gebracht dat [de minderjarige1] de moeder (en haar halfzusjes en [de minderjarige2] ) mist en omgekeerd als zij bij de vader woont, leidt dat - hoe begrijpelijk ook - niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt immers voor de vader (en diens familie) als [de minderjarige1] bij de moeder zou wonen, alsook ten aanzien van [de minderjarige2] die bij de moeder op de Bahama’s woont. Het hof concludeert dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de vader dient te blijven.

5.15

Het hof merkt tot slot op dat gebleken is dat beide ouders zeer betrokken zijn bij [de minderjarige1] en een belangrijke rol vervullen in haar leven. Dit maakt de huidige situatie waarin [de minderjarige1] , hoe dan ook, de directe nabijheid van één van haar ouders het grootste gedeelte van de tijd moet missen zeer complex. Juist vanwege deze moeilijke situatie is het voor de (identiteits)ontwikkeling van [de minderjarige1] van groot belang dat de ouders investeren in hun onderlinge verstandhouding en hun best doen om het contact met de niet-verzorgende ouder te stimuleren en zo goed als mogelijk te faciliteren.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zowel ten aanzien van het toepasselijke huwelijksvermogensregime als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep in de zaken met zaaknummers 200.263.284/01 en 200.263.344/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 24 april 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, I.A. Vermeulen en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 12 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.