Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2242

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.268.012/01 en 200.268.043/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing kind is noodzakelijk. Ouders grijpen de hen geboden kansen niet. Geen appèl mogelijk tegen afwijzing verzoek vervanging GI en tegen afwijzing van een verzoek in het kader van de geschillenregeling (807 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.268.012/01 en 200.268.043/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190257)

beschikking van 10 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.R.H. Baas te Groningen,

en

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.M. Haverkort te Hoorn,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.268.012/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 oktober 2019;

- het verweerschrift;

- een tweetal journaalberichten van mr. Baas van 6 januari 2020, beide met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Baas van 7 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Baas van 3 februari 2020 met productie(s).

In de zaak met zaaknummer 200.268.043/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 oktober 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Haverkort van 6 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Haverkort van 30 januari 2020 met productie(s).

In beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2020 plaatsgevonden. De moeder en de vader (hierna ook samen: de ouders) zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . Gezien de samenhang tussen de beide zaken is met de ouders en de overige betrokken besproken -en zij hebben hiermee ook ingestemd- dat de in de ene zaak ingebrachte stukken tevens deel uitmaken van de andere zaak en vice versa. Ter zitting heeft mr. Haverkort pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

3 De feiten

In beide zaken

3.1

Uit de relatie van de ouders is [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren [in] 2017. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2018 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 8 april 2018. Tevens is toen een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van

8 januari 2018 voor de duur van vier weken onder aanhouding van de beslissing voor het overige deel van de verzochte uithuisplaatsing.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 19 januari 2018 is de beschikking van

8 januari 2018 bekrachtigd en is het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen. Het verzoek van de raad tot de definitieve ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is aangehouden.

3.4

Bij beschikking van 6 april 2018 is [de minderjarige] met ingang van 6 april 2018 tot 4 mei 2018 onder toezicht gesteld van de GI en is de beslissing met betrekking tot de langer verzochte duur van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aangehouden.

3.5

Bij beschikking van 18 april 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 december 2018. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst, bij beschikking van 21 maart 2019, tot 6 april 2020.

3.6

Op 24 augustus 2018 is [de minderjarige] met een spoedmachtiging uit huis geplaatst in een pleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 15 juli 2019, tot 6 april 2020.

3.7

[de minderjarige] woont sinds 24 augustus 2018 bij de pleegouders.

4 De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.268.012/01

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking partieel te vernietigen en alsnog -rechtdoende in hoger beroep-, te bepalen dat het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen en dat de zelfstandige verzoeken van de moeder worden toegewezen, met compensatie van de proceskosten.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer 200.268.043/01

4.3

De vader is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, het beroep van de vader gegrond te verklaren, opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad af te wijzen en de verzoeken van de vader toe te wijzen.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt het door de vader ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, eerste lid, BW. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

5.3

Uit de stukken, en dan met name het rapport van de raad van 15 maart 2018, blijkt

-kort gezegd- dat [de minderjarige] is geboren in een zeer turbulente en onvoorspelbare opvoedingssituatie waarin hij meerdere malen is blootgesteld aan verbale agressie tussen zijn ouders. Daarnaast heeft hij op zijn jonge leeftijd op veel verschillende plekken gewoond. [de minderjarige] heeft in zijn eerste levensweken daarom heel veel stress en onrust ervaren.

5.4

Oplopende spanningen tussen de ouders en grote zorgen over de veiligheid van de baby hebben op 8 januari 2018 geleid tot een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] . De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 januari 2018 geoordeeld dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing terecht was verleend, maar heeft het verzoek van de GI tot verdere uithuisplaatsing van [de minderjarige] afgewezen om de ouders de kans te geven in afwachting van een ouder-kindplaatsing bij [E] samen met [de minderjarige] bij de overgrootmoeder (mz) te wonen. Een absolute voorwaarde hierbij was dat de moeder en [de minderjarige] in afwachting van verdere stappen zonder onderbreking bij de overgrootmoeder (mz) verbleven. Bij beschikking van 22 juni 2018 heeft de kinderrechter een (herhaald) verzoek van de GI tot uithuisplaatsing aangehouden om de ouders nog een (laatste) kans te geven tot opstelling van een familiegroepsplan. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 24 augustus 2018 toch een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. De reden van deze machtiging tot uithuisplaatsing was dat de ouders zich niet aan de absolute voorwaarde (zoals gesteld in de beschikking van

19 januari 2018) hadden gehouden. De overgrootmoeder had haar zorgen hierover geuit naar de GI en die heeft toen actie ondernomen door middel van het verzoeken van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Bij beschikking van 21 september 2018 heeft de kinderrechter overwogen dat de uit het familiegroepsplan voorvloeiende hulpverlening van [F] , onvoldoende zicht geeft op de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Mede omdat de moeder het contact met de overgrootmoeder had verbroken en er geen ouderschapsbeoordeling en diagnostiek van de ouders had plaatsgevonden oordeelde de kinderrechter verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk. Daarbij heeft de kinderrechter overwogen het belangrijk te vinden dat de ouders alsnog zo spoedig mogelijk worden aangemeld voor ouderschapsbeoordeling en diagnostiek. Daarop heeft de GI de ouders aangemeld voor een traject bij [E] (hierna: [E] ). De ouders zijn vervolgens in december 2018 opgenomen in [E] voor een zogenoemde samenwerkingsopname. Dit is, zo blijkt uit het verslag van [E] van 18 juni 2019, niet goed verlopen. Een nader gesprek met de behandelaren van [E] en een tweede evaluatiegesprek werden nodig geacht, waarbij de ouders de kans kregen om met een plan te komen hoe zij toch de samenwerking met [E] kunnen aangaan. Dit heeft ertoe geleid dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij beschikking van 21 maart 2019 opnieuw voor een korte periode is verlengd om te onderzoeken of het traject bij [E] alsnog van de grond zou kunnen komen. Het tweede evaluatiegesprek heeft in april 2019 plaatsgevonden, maar [E] heeft door het verloop daarvan aangegeven onvoldoende kansen te zien om de samenwerking op het niveau te krijgen dat nodig is voor gezinsbehandeling. Vervolgens heeft de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 15 juli 2019 de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 6 april 2020 uitgesproken.

5.5

Het hof is van oordeel dat uit vorenstaande is gebleken dat de ouders voldoende kansen zijn geboden maar dat zij deze niet hebben benut. Zo hebben de ouders zich in augustus 2018 niet aan de door de kinderrechter gestelde absolute voorwaarde gehouden ter voorkoming van een uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De vader en de moeder stellen weliswaar dat de moeder toestemming had om een nacht ergens anders te slapen maar dit hebben ze naar het oordeel van het hof, en mede gezien de betwisting van de GI, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast blijkt uit de brief van [E] van 18 juni 2019, zoals ook hiervoor al weergegeven, dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om de ouders te bewegen tot een goede samenwerking om te kunnen starten met het behandeltraject in [E] . De ouders laten een patroon zien waarin zij wisselend zijn in het wel en niet accepteren van de geboden hulpverlening. Beide ouders accepteren wel enige mate van hulp maar alleen op hun voorwaarden. Zo zijn in het vrijwillig kader verschillende hulpverleningstrajecten ( [G] , [H] en [I] ) gestrand, dan wel niet of onvoldoende van de grond gekomen omdat ouders (uiteindelijk) niet willen samenwerken. Zo is het niet gelukt om passende gezinsondersteuning in te zetten voor de ouders bij de overgrootmoeder thuis en is het traject bij [E] uiteindelijk nooit gestart. Daarnaast ontkennen de ouders dat zij niet tot samenwerking (willen) komen en bagatelliseren zij de zorgen die er zijn en hebben zij (om die reden) geen hulpvraag aan de hulpverlening. Dit terwijl de zorgen vanwege de persoonlijke problematiek en het belaste verleden van de ouders in samenhang met hun onderlinge gespannen relatie groot zijn. Door de hulpverlening wordt ervaren dat beide ouders vaak dwingend overkomen en dat met name de vader een dreigende houding aanneemt die niet met de ouders te bespreken is.

5.6

Als gevolg van de hiervoor geschetste gang van zaken is er geen zicht verkregen op de opvoedingssituatie van de ouders, hetgeen wel een voorwaarde is voor een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] . Het door de ouders voorgestelde behandelplan van [F] en [J] wordt ook door het hof onvoldoende bevonden aangezien deze instellingen niet kunnen voorzien in de -ook door het hof- noodzakelijk geachte ouderschapsbeoordeling en diagnostiek van de ouders. Indien en voor zover de ouders betogen dat dit zicht niet is verkregen doordat verschillende rechters van verschillende locaties van de rechtbank Noord-Nederland zich over hun zaak hebben gebogen, volgt het hof hen daarin niet. Uit de uitspraken blijkt dat er telkens is voortgegaan op de ingezette weg en dat de ouders telkens de kans hebben gekregen aan de gestelde voorwaarden te voldoen en daarmee toe te werken naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . Het hof kan niet anders dan vaststellen dat de ouders die kansen niet hebben gegrepen.

5.7

Inmiddels verblijft de nu twee jaar oude [de minderjarige] al anderhalf jaar bij de pleegouders. Hier wordt hem een veilige en gestructureerde opvoedingssituatie geboden die tegemoetkomt aan zijn ontwikkelingsbehoeften. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed en hecht zich -aldus de GI- zichtbaar aan de pleegouders. Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] is gebaat bij continuïteit van zijn huidige opvoedingssituatie en dat het van groot belang is voor zijn ontwikkeling dat het hechtingsproces in het pleeggezin niet wordt doorbroken. Nu bovendien de grote zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders niet zijn weggenomen kan van een thuisplaatsing bij de ouders geen sprake zijn. Het hof acht daarom de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.

5.8

Het verzoek van de vader om de contacten tussen de ouders en [de minderjarige] (ter voorbereiding op een thuisplaatsing) in frequentie op te bouwen en om voor de vakanties de omgang tijdelijk uit te breiden zal het hof in het licht van vorenstaande afwijzen.

5.9

Over het verzoek van de ouders om een andere GI te benoemen oordeelt het hof als volgt. Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:259 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Gelet op dit appelverbod en op het feit dat de ouders geen gronden hebben aangevoerd waarom dit verbod doorbroken zou moeten worden, kan het hof de ouders in dit verzoek niet ontvangen. Het hof zal de ouders in hun verzoek voor zover gebaseerd op artikel 1:259 BW in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

5.10

Het vorenstaande geldt evenzeer voor het verzoek van de vader om in het kader van de geschillenregeling (van artikel 1:262 b BW) te bepalen dat de ouders aanwezig kunnen zijn bij bezoeken van [de minderjarige] aan het consultatiebureau, huisarts en/of ziekenhuis. Op grond van het bepaalde in artikel 807 Rv is hoger beroep van een dergelijke beslissing uitgesloten.

5.11

Het hof wil tot slot nog aan de ouders meegeven dat het aan hen is om aan zichzelf te werken en alle benodigde hulpverlening te accepteren zodat er (op termijn) mogelijkheden zijn voor uitbreiding van het contact tussen hen en [de minderjarige] .

6 De slotsom

In de zaak met zaaknummer 200.268.012/01:

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer 200.268.043/01

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In de zaak met zaaknummer 200.268.012/01:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tot vervanging van de GI;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 juli 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

In de zaak met zaaknummer 200.268.043/01:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken in hoger beroep tot vervanging van de GI en tot bijwoning van de bezoeken van [de minderjarige] aan consultatiebureau, huisarts en/of ziekenhuis;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 juli 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, J.G. Idsardi en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 10 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.