Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2241

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.265.436/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag vader wordt beëindigd. De gezamenlijke gezagsbeslissingen kosten de moeder te veel tijd en energie. Zij is uitgeput, terwijl zij voor de kinderen juist fysiek en emotioneel beschikbaar moet blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.265.436/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 217667)

beschikking van 10 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van der Burg te Zwolle.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

2. de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

kantoorhoudende te Zwolle,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 20 juni 2018, 25 september 2018, 23 oktober 2018, 21 december 2018 en 13 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 september 2019;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van der Burg van 26 september 2019 met productie(s);

  • -

    een journaalbericht van mr. Van der Burg van 16 december 2019 met productie(s), en

  • -

    een journaalbericht van mr. Van der Burg van 11 februari 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2020 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is [B] verschenen. Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende taak, [C] verschenen. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 (verder: [de minderjarige1] ), en

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 (verder: [de minderjarige2] ).

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Nadat de ouders in 2015 uit elkaar zijn gegaan, hebben zij eerst - met enkele

onderbrekingen - een co-ouderschapsregeling uitgevoerd. Sinds mei 2019 verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder en geldt er een zorgregeling waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eenmaal in de 14 dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven, alsmede een deel van de schoolvakantie(s).

3.2

Van oktober 2017 tot april 2018 is er sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Sinds 7 december 2018 staan zij opnieuw onder toezicht. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 21 november 2019 tot 7 juni 2020.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 13 juni 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten, afgewezen.

3.4

Bij vonnis in kort geding van 25 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bij gebreke van toestemming van de vader, vervangende toestemming verleend aan de moeder tot aanvraag/afgifte van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als ook om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een reis te maken naar Marokko teneinde in dat land met de kinderen vakantie door te brengen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 13 juni 2019. Deze grieven zien op het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (zo leest het hof:) voor zover daarbij haar verzoek om haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten, is afgewezen, en opnieuw rechtdoende de moeder alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

4.2

De vader heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweer gevoerd in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het eens met het oordeel van de rechtbank van dat moment, maar vindt het hof ook dat inmiddels wel is voldaan aan de hiervoor vermelde gronden voor de beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.3

De verstandhouding tussen de ouders is al geruime tijd ernstig verstoord en er is sprake van een (juridische) strijd. Constructief overleg en een min of meer normale communicatie tussen de ouders is al langere tijd niet mogelijk geweest. De vader wil geen communicatie met de moeder uit vrees voor discussie en onrust. De moeder wil toewerken naar een open communicatie en samenwerking met de vader. De gezinsvoogd fungeert op dit moment als buffer en hij heeft een bemiddelende rol. De voor de uitoefening van gezamenlijk gezag noodzakelijke minimale communicatie tussen de ouders ontbreekt dan ook.

Er is door de hulpverlening veel geprobeerd en geïnvesteerd om de verstandhouding tussen de ouders te verbeteren, waaronder het traject [D] bij [E] . Dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid.

Voor het hof is duidelijk dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] last hebben van de voortdurende strijd en communicatieproblemen tussen de ouders en dat zij hierdoor klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders.

5.4

Het hof ziet vanwege deze voorgeschiedenis en de hierna nader te beschrijven recente ontwikkelingen, in combinatie met het feit dat de vader geen verweer (meer) heeft gevoerd in hoger beroep, geen concrete aanwijzingen op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat te verwachten is dat binnen afzienbare tijd verbetering zal komen in de situatie.

De vader had in eerste aanleg verklaard dat als er iets is waarvoor hij toestemming moet geven, hij dat zal doen en dat de moeder het betreffende document getekend terug zal krijgen. In hoger beroep is onbetwist gebleken dat hij deze toezegging niet is nagekomen. Zo heeft hij een toestemmingsformulier voor een reis naar het buitenland (voor vakantie) en voor het aanvragen van een paspoort niet ondertekend. De moeder heeft uiteindelijk een verzoek om vervangende toestemming moeten indienen bij de rechtbank. Ook wil de vader niet meer deelnemen aan het traject [D] bij [E] , althans enkel op door hem gestelde voorwaarden. Bovendien heeft de moeder onweersproken ter zitting verklaard dat de afgelopen twee maanden er geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen, omdat de vader de kinderen niet meer ophaalt. Daarbij komt dat de moeder het telefoonnummer van de vader niet heeft en hem in noodgevallen met betrekking tot de kinderen dus niet kan bereiken om met hem te overleggen.

5.5

Het hof acht het ook anderszins in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De moeder heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij uitgeput is, mede doordat zij op dit moment veel tijd en energie moet besteden aan iedere beslissing die ziet op een gezagskwestie. Het is van groot belang dat de moeder fysiek en emotioneel beschikbaar blijft voor de kinderen, omdat zij de hoofdopvoeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Wanneer de moeder voortaan de besluiten over de kinderen alleen kan nemen, kan er rust komen in de opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder. Daarbij komt dat toewijzing van het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten, een verdere strijd en juridische procedures tussen de ouders over beslissingen ten aanzien van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorkomt althans beperkt en daardoor meer duidelijkheid geeft. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat er nu rust en duidelijkheid ontstaat en dat de ouders hun energie steken in het structureel en positief vormgeven van de omgangsregeling tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader.

5.6

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder om te bepalen dat zij voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zal zijn belast, dient te worden toegewezen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 juni 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toe en belast de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2014;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, M.P. den Hollander en H. Phaff, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 10 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.