Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2235

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
200.254.926/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na aanvullend onderzoek door de raad, wordt het gezag van de moeder beëindigd. Voor behandeling van de kinderen is rust en duidelijkheid nodig. Interne problemen bij de GI en gebrekkige samenwerking tussen instanties hebben gezorgd voor miscommunicatie en is niet in het belang van de kinderen geweest. Ambtshalve overweging ten aanzien van de omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.254.926/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 124899)

beschikking van 10 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.B. Rietberg te Groningen,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord Nederland, locatie Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

kantoorhoudende te Assen,

verder ook te noemen: de voogd,

2. [de pleegmoeder],

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegmoeder van [de minderjarige2] ,

3. [de pleegouders],

wonende te [C] ,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] .

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 29 oktober 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad van 3 januari 2020 met productie(s);

- twee journaalberichten van mr. Rietberg van 20 januari 2020, waarvan één met productie(s).

1.3

De mondelinge behandeling is voortgezet op 11 februari 2020. Verschenen zijn:

- de moeder, vergezeld door haar begeleidster mevrouw [D] en bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [E] , namens de raad;

- mevrouw [F] en mevrouw [G] , namens de voogd;

- de pleegmoeder van [de minderjarige2] ;

- de pleegouders van [de minderjarige1] .

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 26 september 2019 en 29 oktober 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Het hof heeft bij voornoemde tussenbeschikkingen de zaak aangehouden omdat het hof zich onvoldoende voorgelicht achtte om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Het hof heeft daarom de raad verzocht met spoed een (verkort) nader onderzoek in te (doen) stellen naar de actuele stand van zaken omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 (verder: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 (verder: [de minderjarige2] ) in de pleeggezinnen, naar de vraag welke hulpverlening voor de kinderen en de moeder is of behoeft te worden ingezet, de situatie en pedagogische (on)mogelijkheden van de moeder, het verloop en de kwaliteit van de omgang tussen de moeder en de kinderen en naar de samenwerking tussen de moeder, de voogd, de pleegouders en pleegzorg. Daarbij heeft het hof de raad verzocht een advies uit te brengen of, en zo ja welke, (kinderbeschermings-) maatregelen noodzakelijk zijn in de huidige situatie.

2.3

De raad heeft tijdens het aanvullend onderzoek, zo blijkt uit de rapporten van

2 januari 2020, geen feiten en/of omstandigheden geconstateerd op basis waarvan een vermoeden bestaat dat een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing, gericht op het onderzoeken van een terugkeer van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar huis door middel van een gezinsopname bij gezinskliniek [H] te [I] (hierna: [H] ), in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zou zijn. De raad ziet dan ook geen aanleiding om het besluit ten aanzien van de al verzochte en in eerste aanleg uitgesproken maatregel tot een gezagsbeëindiging te herzien.

2.4

Het hof wenst allereerst op te merken dat uit het aanvullend raadsonderzoek en het verhandelde ter zitting duidelijk is geworden dat door interne problemen bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen de voogd - in afwijking van de reguliere werkwijze - aanvankelijk alleen een kort onderzoek heeft verricht naar de veiligheid van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de pleeggezinnen en één gesprek heeft gevoerd met de moeder, zonder dat toen de verdere taken zijn opgepakt. De zaak is vervolgens op een wachtlijst terechtgekomen. Daarnaast constateert het hof dat er sprake is geweest van een zeer gebrekkige samenwerking tussen de betrokken instanties. Er is ruis ontstaan in de onderlinge communicatie tussen de hulpverleners, waardoor er sprake is geweest van miscommunicatie. Ook verschilden de raad en de voogd van mening over de vraag of de moeder al dan niet nog een kans moest worden gegeven om te laten zien of zij over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt om (op termijn) zelf de zorg voor, en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op zich te nemen. Voor alle betrokkenen is het verloop ongelukkig en niet in het belang van de kinderen geweest.

2.5

Het hof moet los van de gang van zaken zoals hiervoor beschreven het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] toetsen aan de in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek genoemde criteria. Op grond van de nu beschikbare informatie is het hof van oordeel dat aan deze criteria is voldaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

2.6

Bij de tussenbeschikking van 26 september 2019 heeft het hof al vastgesteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig beschadigde en kwetsbare kinderen zijn die bovengemiddeld gebaat zijn bij stabiliteit, duidelijkheid en structuur en dat zij aangewezen zijn op extra zorg en aandacht van een fysiek maar ook emotioneel beschikbare opvoeder. In het aanvullend raadsrapport en tijdens het verhandelde ter zitting is dit bevestigd. Ter zitting is bovendien naar voren gekomen dat beide kinderen pittig gedrag vertonen en dat wanneer zij elkaar zien dit extra tot uiting komt in hun onderlinge dynamiek. Dit vraagt dus ook extra zorg en aandacht van de opvoeder. Gebleken is dat de pleeggezinnen de kinderen dit kunnen bieden en tegemoet komen aan hun fors verzwaarde opvoedingsbehoeften. Het gaat goed met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de pleeggezinnen, zij ontwikkelen zich positief en vertonen hechtingsgedrag aan de pleeggezinnen.

2.7

In het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dienen zekerheid, continuïteit, een ongestoorde hechting en duidelijkheid over hun toekomstperspectief bij het nemen van de beslissing voorop te staan. De moeder erkent dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet op korte termijn bij haar teruggeplaatst kunnen worden, maar hoopt dat dit op termijn wel kan. Het is echter niet in het belang van de kinderen om nog langer in onduidelijkheid te verkeren over hun woonperspectief. Gebleken is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vragen stellen aan hun pleegouder(s) over hun woonperspectief. Het is dan ook van groot belang dat zij nu duidelijkheid krijgen. Dit geldt te meer nu duidelijk is geworden dat [de minderjarige1] traumabehandeling nodig heeft, maar dat dit - zo heeft haar behandelaar [J] bevestigd - enkel gestart kan worden wanneer er duidelijkheid is over haar opvoedingsperspectief. Ten aanzien van [de minderjarige2] is naar voren gekomen dat hij eerst rust nodig heeft voordat hij aan een behandeling kan beginnen.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] 's voornoemde belangen en behoeften vergen dat hun plaatsing in de pleeggezinnen niet doorbroken wordt, maar dat zij de gelegenheid krijgen bij de pleeggezinnen verder in te groeien, zich verder te ontwikkelen en te starten met de voor hen noodzakelijke hulpverlening.

Het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ligt dan ook niet meer bij de moeder. Het hof is van oordeel dat de voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanvaardbare termijn, waarin zij in onzekerheid kunnen verkeren over hun woonperspectief, is verstreken. Na een zeer moeizame start met onrust, instabiliteit, fysieke en emotionele onveiligheid, verlieservaringen, vele wisselingen van verblijfplaats en waarschijnlijk ook seksueel misbruik van [de minderjarige1] , hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nu een veilige en stabiele plek bij de pleeggezinnen waar zij zich naar omstandigheden positief ontwikkelen. Doorbreken van deze situatie is gelet op het bovenstaande schadelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

2.8

Op grond van het hiervoor overwogene ten aanzien van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is het niet mogelijk om nog toe te werken naar terugplaatsing bij de moeder. Bovendien is voldoende gebleken dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , kinderen met een fors verzwaarde verzorgings- en opvoedingsvraag, te dragen. Dit blijkt uit het navolgende.

2.9

De moeder kampt met persoonlijke problematiek, waaronder PTSS en ADHD. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij hiervoor geen medicatie mag nemen, omdat zij anders psychoses krijgt. Verder is er sprake van een onderbewindstelling vanwege de financiële problematiek. Ook heeft de moeder begeleiding van een maatschappelijk werkster nodig. Bovendien blowt de moeder. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij alleen blowt wanneer zij stress heeft en dat op dit moment de grootste stressfactor is dat de kinderen niet bij haar wonen en dat zij haar kinderen mist. Het hof begrijpt dat het gemis van de kinderen een stressfactor is, maar acht niet aannemelijk - mede gelet op de problematiek van de moeder en haar voorgeschiedenis met de vader van de kinderen - dat dit haar enige stressfactor is. Met betrekking tot de vader heeft de moeder verklaard dat zij zelf al heel lang geen contact met hem heeft gehad, maar dat zij heeft vernomen dat de vader - die onder toezicht staat van de reclassering door middel van een enkelband - contact wil met haar, maar dat zij dat niet wil, en dat hij contact heeft opgenomen met de voogd. Dit zal de komende tijd mogelijk dus nog voor onrust en stress - en dus mogelijk blowen - bij de moeder leiden. Daarbij komt dat tijdens het adviesgesprek bij de raad - waarin de raad de uitkomsten van het aanvullend onderzoek met haar wilde bespreken - er sprake is geweest van extreme woede en boosheid aan de zijde van de moeder, waarbij zij heeft gedreigd zichzelf en anderen iets aan te doen. Het adviesgesprek is daarom voortijdig beëindigd. Het hof is niet ervan overtuigd dat wanneer de kinderen weer teruggeplaatst zouden worden, de moeder niet meer zal blowen en/of woede-uitbarstingen zal hebben.

Verder zijn er zorgen over de betrouwbaarheid van de moeder. Zo zijn er zorgen over het nakomen van afspraken, het inzicht dat zij toont in de belangen van de kinderen en is gebleken dat, anders dan de moeder ter zitting van 29 augustus 2019 had verklaard, de moeder niet dagelijks contact heeft met de pleegouders van [de minderjarige1] . Volgens de pleegouders is er vrijwel geen contact, tenzij de pleegmoeder dit initieert.

2.10

Met betrekking tot de moeder-kindopname bij [H] stelt het hof het volgende vast. Weliswaar is de moeder niet aangemeld bij [H] , maar de oorzaak hiervan was mede gelegen in het feit dat de moeder twee keer op een aanbod hiertoe van de betrokken hulpverleners heeft gezegd dat zij een dergelijke opname bij [H] niet wilde. Het hof acht het in dat licht begrijpelijk dat de hulpverleners de moeder niet hebben aangemeld bij [H] .

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat een opname bij [H] nu op grond van zowel de moeder- als de kindfactoren niet meer tot de mogelijkheden behoort.

2.10

Het bovenstaande betekent dat het hof van oordeel is dat de moeder onvoldoende in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te dragen. Daarnaast is het hof, zoals hierboven is overwogen, van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor deze kinderen verstreken is en dat zij nu duidelijkheid moeten krijgen waar zij zullen opgroeien. Het hof zal daarom niet de zaak (opnieuw) aanhouden om onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden van terugplaatsing van de kinderen bij de moeder.

2.11

Ten overvloede wenst het hof - hoewel de omgang niet ter beoordeling aan het hof voorligt - het volgende op te merken over de omgang tussen de moeder en de kinderen. Voor de bestreden beschikking was er één keer per week omgang, wat de moeder en de pleegouders onderling regelden. Na de bestreden beschikking heeft de voogd de omgang beperkt tot één keer per maand op een neutrale locatie. De voogd heeft desgevraagd verklaard dat de reden hiervan is dat dit de gebruikelijke gang van zaken is omdat het gezag van de moeder over de kinderen is beëindigd. Het hof is van oordeel dat een beperking van de omgang niet enkel en alleen gekoppeld mag zijn aan een beëindiging van het gezag. Iedere situatie en ieder kind vragen maatwerk waarbij de belangen van het kind altijd en in elke situatie een eerste overweging vormen. Het hof deelt de visie van de raad dat moet worden onderzocht of de omgang weer uitgebreid kan worden. Ten behoeve van de moeder merkt het hof op dat ook niet zeker is dat de frequentie van de omgang evenveel kan worden als de omgang tussen de moeder en haar andere zoon [K] . De raad heeft in zijn aanvullend rapport toegelicht - en het hof sluit zich hierbij aan - dat de persoon en ontwikkeling van [K] als gevolg van het opgroeien in (geheel) andere omstandigheden verschilt van de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 16 januari 2019;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en C. Koopman, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 10 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.