Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2203

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
21-004249-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanhoudingsvuur door politieagent.

Beroep op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 Sr (handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift) verworpen. Gebruik aanhoudingsvuur in strijd met artikel 7 lid 1 sub a en b van de Ambtsinstructie. Verdachte kon niet redelijkerwijs aannemen dat sprake was van vuurwapengevaar en er was geen verdenking van een ernstig strafbaar feit.

Beroep op schulduitsluitingsgrond feitelijke dwaling verworpen. Geen sprake van feitelijke dwaling, maar van een verkeerde waardering van de feiten.

Beroep op putatief noodweer verworpen. Geen sprake van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van (dreigend) gevaar voor verdachte zelf of derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004249-16

Uitspraak d.d.: 13 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2016 met parketnummer 05-780018-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

domicilie kiezende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 mei 2019, 19 februari 2020 en 13 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. G.G.J.A. Knoops, en zijn raadsvrouw, mr. R.S. van Es, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld ter zake van een poging tot zware mishandeling.

Het namens verdachte gedane beroep op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift) is door de rechtbank verworpen.

Het beroep op de schulduitsluitingsgrond putatief noodweer heeft de rechtbank eveneens verworpen.

Aan verdachte is opgelegd een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 25 uur, indien niet (naar behoren) verricht te vervangen door twaalf dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen, nu er in de fase van het hoger beroep twee getuige-deskundigen zijn gehoord.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 08 januari 2015 op 09 januari 2015 in de gemeente [gemeente] ,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met zijn, verdachtes, dienstwapen,

nadat hij kort daarvoor (in zijn hoedanigheid van brigadier van politie [regio] ) een aantal waarschuwingsschoten had afgegeven en/of

een of meerdere ma(a)l(en) in de richting van die [slachtoffer] "Stop, politie" en/of

"Staan blijven, politie" had geroepen,

in de richting van (de benen van) die [slachtoffer] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in zijn teen/voet werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de nacht van 08 januari 2015 op 09 januari 2015 in de gemeente [gemeente] ,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met zijn, verdachtes, dienstwapen,

nadat hij kort daarvoor (in zijn hoedanigheid van brigadier van politie [regio] ) een aantal waarschuwingsschoten had afgegeven en /of

een of meerdere ma (a) l ( en ) in de richting van die [slachtoffer] "Stop, politie" en/of

"Staan blijven, politie" had geroepen,

in de richting van ( de benen van ) die [slachtoffer] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in zijn teen /voet werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond toekomt.

Verdachte heeft door gericht op [slachtoffer] te schieten in strijd met artikel 7 lid 1 sub a en b van de Ambtsinstructie1 gehandeld.

Verdachte mocht op basis van de hem bekende informatie redelijkerwijs niet aannemen dat [slachtoffer] een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen had en dit tegen personen zou kunnen gebruiken (artikel 7 lid 1 sub a).

Ook was er op het moment van schieten geen verdenking van een ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b.

Omdat verdachte in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan een beroep op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift) niet slagen.

Evenmin kan verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer doen, omdat er geen sprake is van een verontschuldigbare dwaling met betrekking tot een eventueel dreigend gevaar. Er blijken geen objectieve aanknopingspunten uit het dossier op grond waarvan verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij ter verdediging over mocht gaan tot het schieten op [slachtoffer] .

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op meerdere gronden ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en heeft daartoe aangevoerd hetgeen hieronder – kort samengevat en zakelijk weergegeven – is vermeld. Hetgeen verder ter nadere onderbouwing van de verweren is aangevoerd, is vermeld in de overgelegde pleitnotities en wordt als hier herhaald beschouwd.

Primair is een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in overeenstemming met de Politiewet en met artikel 7 lid 1 sub a en sub b van de Ambtsinstructie.

Op basis van de informatievoorziening via de meldkamer (Inrap) en de gebeurtenissen tijdens de achtervolging van de door [naam] bestuurde auto en ook de gebeurtenissen tijdens de achtervolging te voet van [slachtoffer] , mocht verdachte redelijkerwijs aannemen dat aanhoudingsvuur gerechtvaardigd was, omdat [slachtoffer] in ieder geval vuurwapengevaarlijk was (sub a) en daarnaast werd verdacht van een ernstig strafbaar feit met gevaar voor personen (sub b).

Tijdens de achtervolging van het voertuig waarin [slachtoffer] zich bevond, is via het radioverkeer met de meldkamer (Inrap-kanaal) informatie doorgegeven waaruit verdachte kon en mocht opmaken dat er meer aan de hand was dan het enkel negeren van een stopteken door de bestuurder van de auto en dat een ernstige verdenking tegen de chauffeur van het voertuig bestond.

Dit volgt ook uit de omstandigheid dat door de meldkamer op een gegeven moment toestemming is gegeven om het voertuig waarin [slachtoffer] zich als bijrijder bevond door middel van een geforceerde stop tot stilstand te brengen. Zo’n geforceerde stop – waarbij het achtervolgde voertuig door middel van aantikken of rammen tot stilstand wordt gebracht – is te vergelijken met een ‘uitpraatprocedure’ in een situatie waarin sprake is van een ernstige verdenking van het bezit van een vuurwapen en de politie alle inzittenden van een voertuig onder schot houdt, aldus de verdediging. Een bijrijder van zo’n voertuig krijgt dan eveneens de status van verdachte. Het risico en gevaar dat een geforceerde stop met zich meebrengt voor alle betrokkenen (inzittenden van de achtervolgde auto en politiemensen) geeft volgens de verdediging voldoende weer dat het om een ernstig, levensbedreigend feit zou moeten gaan.

Gedurende bijna de gehele achtervolging gold een door de centralist van de meldkamer opgelegde radiostilte, waarbij alleen het eerste achtervolgende politievoertuig informatie aan de meldkamer mocht doorgeven.

Verdachte heeft zich aan die radiostilte gehouden en daardoor niet naar de daadwerkelijke aard en ernst van de verdenking jegens de inzittende(n) (de chauffeur en/of bijrijder) van het achtervolgde voertuig kunnen informeren.

De achtervolging heeft ongeveer 25 minuten geduurd en al die tijd is niet besloten om de achtervolging af te breken. Sterker nog: er zijn telkens meer eenheden bij de achtervolging betrokken waaronder de politie-eenheid waartoe verdachte en zijn collega [naam agent] behoorden. Ook die omstandigheid rechtvaardigt de aanname dat mogelijk sprake was van een ernstig strafbaar feit.

Nadat het voertuig uiteindelijk tot stilstand is gebracht, heeft [slachtoffer] zich aan zijn aanhouding onttrokken en is weggerend. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] , voordat hij wegrende, een donker voorwerp in zijn hand had, hetgeen door collega [naam agent] is bevestigd. Vervolgens is verdachte met een aantal collega’s te voet achter [slachtoffer] aangegaan. Gedurende die achtervolging zijn meerdere waarschuwingsschoten gelost door verschillende agenten, waaronder door verdachte. Op enig moment zag verdachte zijn collega [naam agent] , die aanvankelijk voor hem uitrende, op de grond liggen. [slachtoffer] was intussen doorgerend en is op een gegeven moment over een sloot en door prikkeldraad gesprongen. In de directe omgeving bevonden zich huizen en boerderijen.

Verdachte heeft al deze omstandigheden en het feit dat [slachtoffer] er kennelijk alles aan wilde doen om aan zijn aanhouding te ontkomen bij elkaar “opgeplust” (opgeteld) en vervolgens gericht op [slachtoffer] geschoten (laag, onder diens knieën). Verdachte heeft daarbij in lijn met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit gehandeld. Verdachte had geen ander middel om [slachtoffer] tot staan te brengen. Bovendien mag van verdachte, in zijn hoedanigheid van politieagent, worden verwacht dat hij ter bescherming van burgers handelend optreedt in plaats van dat hij zich op dat moment aan de situatie onttrekt.

Subsidiair is een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (avas) vanwege een feitelijke dwaling ten aanzien van het bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie.

Meer subsidiair is een beroep gedaan op putatief noodweer. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat [slachtoffer] moest worden tegengehouden. Gezien de optelsom van gebeurtenissen heeft verdachte verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van het bestaan van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van derden.

Oordeel van het hof

Ter inleiding

Met de advocaat-generaal stelt het hof voorop dat het vervolgen van een politieman voor een mogelijk strafbaar feit begrijpelijkerwijs zeer gevoelig ligt.

Gezien de moeilijke omstandigheden waaronder de politie soms haar werk moet doen, zal de uitoefening van geweld door politiefunctionarissen daarom met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld.

Daartegenover staat de omstandigheid dat de wetgever aan de politie in het kader van de opsporing en preventie van strafbare feiten het geweldsmonopolie heeft toebedeeld. Dat geweldsmonopolie brengt een zeer grote verantwoordelijkheid met zich mee voor politieambtenaren en stelt terecht hoge eisen aan het ter hand nemen en daadwerkelijk gebruik maken van een dienstwapen. Dit tegen de achtergrond dat het gebruikmaken van een dienstwapen het meest verstrekkende geweldsmiddel is.

Anders gezegd: de keerzijde van het geweldsmonopolie waarover de politie moet kunnen beschikken om haar taken op een goede wijze uit te kunnen oefenen, is dat burgers tegen ongerechtvaardigde en niet gelegitimeerde toepassing daarvan moeten worden beschermd.

Het gebruik van geweld door politieambtenaren is geregeld en genormeerd in de Ambtsinstructie en het Richtinggevend Kader2, waarop bij de bespreking van de verweren nader zal worden ingegaan.

De vragen waarvoor het hof zich bij de toetsing aan artikel 7 lid 1 van de Ambtsinstructie achtereenvolgens gesteld ziet, zijn – kort gezegd:

  • -

    heeft verdachte redelijkerwijs kunnen en mogen aannemen dat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk was?

  • -

    is sprake van feiten en omstandigheden op grond waarvan [slachtoffer] werd verdacht van een ernstig misdrijf?

Met andere woorden: mocht verdachte – en daarmee iedere agent die zich in dezelfde omstandigheden als verdachte bevond – aanhoudingsvuur gebruiken op één of beide van de hiervoor vermelde gronden?

Als het antwoord op beide vragen ontkennend is, rijst vervolgens de vraag of verdachte eventueel verontschuldigbaar dwaalde ten aanzien van de feitelijke omstandigheden. Met andere woorden: mocht in het bijzonder verdachte er in deze situatie redelijkerwijs van uitgaan dat tegen [slachtoffer] een ernstige verdenking bestond of dat [slachtoffer] iemand geweld zou (kunnen) aandoen.

De feiten

Met de rechtbank stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de nacht van 8 op 9 januari 2015, omstreeks 00:50 uur, reed [naam agent] , werkzaam als hoofdagent bij het Flexibele Interventie Team (FIT) te [plaats ] , Landelijke Eenheid (LE), samen met een collega in een opvallende politieauto op de A1 in de richting van Deventer. Voor hen reed een auto van het merk Citroën, type Berlingo (verder: het voertuig). Hij zag dat de uitlaat van het voertuig laag hing en dat het voertuig zich opvallend aan de snelheid hield. Hij besloot toen al om het voertuig te laten stoppen om de bestuurder te controleren. Verder kregen ze op de cat-scan een pop-upmelding dat er een aandachtsvestiging op het voertuig was.

De inhoud van de aandachtsvestiging was op het moment dat deze doorkwam niet bekend. [naam agent] heeft vervolgens tevergeefs vier pogingen gedaan om de bestuurder van het voertuig te laten stoppen, onder meer door middel van het politietransparant met het teken ‘volgen politie’.

Aan de meldkamer werd doorgegeven dat het voertuig niet stopte. Even later haakten collega’s in een onopvallende burgerauto aan, te weten [naam agent] en [naam agent] , beiden eveneens hoofdagent bij het FIT, onderdeel van de LE.

Via de portofoon vond overleg plaats over hoe te handelen om het voertuig te laten stoppen. De bestuurder van het voertuig nam de afrit [plaats ] , richting de provinciale weg. Aldaar gaf [naam agent] wederom een stopteken door middel van het politietransparant. Ook dit stopteken werd genegeerd.

Er sloot zich vervolgens nog een aantal collega’s aan bij de achtervolging, waaronder de eenheid met verdachte en [naam agent] . [naam agent] wilde het voertuig inhalen, maar de bestuurder belette hem dat door naar links te sturen. Op een gegeven moment reden het voertuig en de achtervolgende auto’s op een dijk. De achtervolging was toen twintig minuten bezig. Op het moment dat het voertuig de bebouwde kom van [gemeente] inreed, vertoonde de bestuurder gevaarlijk rijgedrag, onder meer door meteen linksaf te gaan op een rotonde en zodanig hard over drempels te rijden dat de vonken onder het voertuig uitkwamen.

[naam agent] heeft vervolgens weer geprobeerd om voor het voertuig te komen, maar de bestuurder van het voertuig belette dat door naar links te sturen.

Het zwaailicht van de politieauto van [naam agent] was aan. Een aantal keren is geprobeerd om het voertuig te stoppen door middel van een blokkade met een herkenbare politieauto op de weg, maar de bestuurder van het voertuig reed er telkens langs.

Niet is gebleken dat het voertuig de daarbij voor een blokkade gebruikte politiewagens heeft “aangetikt/geramd” om zo te ontkomen.

Inmiddels was er overleg met de meldkamers in zowel [plaats ] als [plaats ] en werd toestemming gegeven om het voertuig door middel van een geforceerde stop, uit te voeren door de als eerste achtervolgende [naam agent] , te laten stoppen. Bij een derde poging lukte het [naam agent] het voertuig aan te tikken en zo geforceerd te doen stoppen. Dit was op de [straatnaam] in [gemeente] .

Verdachte en zijn collega [naam agent] hadden zich eerder vanuit [plaats ] op basis van via het Inrap-kanaal verkregen informatie begeven in de richting van achtereenvolgens [plaats ] en [gemeente] . Op het moment dat het voertuig van achteren door [naam agent] werd aangetikt, stonden zij stil op de [straatnaam] en zagen de ‘stoet’ – zoals verbalisant [naam agent] het noemt – naderen met voorop rijdend de – naar later bleek – door [naam] bestuurde Citroën Berlingo.

Via het Inrap-kanaal is, hoorbaar voor verdachte, tijdens het aanrijden vanaf [plaats ] onder meer melding gemaakt van de volgende informatie:

  • -

    het meerdere malen negeren van een stopteken door het voertuig;

  • -

    het “weggooien van dingen” door de inzittenden van het voertuig;

  • -

    de mededeling dat “deze jongens echt niet van plan zijn om te stoppen” met de aanvulling “let op uw eigen veiligheid”;

  • -

    de mededeling dat het voertuig “nou met hoger dan 85 over een drempel gaat, terwijl de auto daar niet voor gemaakt is”;

  • -

    de toestemming voor “het grijpen van een kans om het voertuig aan de kant te zetten met een vorm van geweld”;

  • -

    de omstandigheid dat het voertuig na twee keer aantikken nog steeds niet stilstond.

De passagier van het voertuig, naar later bleek [slachtoffer] , is uitgestapt. [slachtoffer] is vastgegrepen door [naam agent] , maar heeft zich los geworsteld en is weggerend, een zijstraat van de [straatnaam] in. Volgens verdachte had [slachtoffer] kort nadat hij was uitgestapt iets in zijn hand, “iets donkers” en zodanig groot dat hij het in één hand kon houden. [naam agent] heeft verklaard dat hij een donkerkleurig voorwerp bij [slachtoffer] heeft gezien op het moment dat deze uitstapte en ook toen hij wegrende. Dat voorwerp was geen koevoet of breekijzer en ook geen mobiele telefoon. Qua grootte was het iets daartussenin.

[naam agent] heeft verder tegenover de Rijksrecherche verklaard dat hij achter [slachtoffer] is aangerend en dat hij heeft geroepen “Stop, politie!”. Hij heeft één waarschuwingsschot gelost en vervolgens zijn vuurwapen weer geborgen, omdat [slachtoffer] gewoon doorrende. [naam agent] stond op een gegeven moment stil en werd toen rechts ingehaald door verdachte en links door [naam agent] . Ook zij renden achter [slachtoffer] aan. [naam agent] kon de man niet bijhouden en heeft de achtervolging gestaakt.

[naam agent] heeft blijkens zijn verklaring bij de Rijksrecherche ook de achtervolging ingezet, waarbij hij [naam agent] en verdachte heeft ingehaald. Hij heeft twee keer geroepen “Politie, staan blijven, anders zal er geschoten worden”, maar [slachtoffer] rende door.

Hij heeft twee of drie waarschuwingsschoten gelost. [slachtoffer] bleef doorrennen, waarna [naam agent] zijn wapen heeft geborgen en de achtervolging heeft voortgezet.

Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] in een berm ten val. Hij gleed uit in een plas in het gras. Hierop kon [naam agent] inlopen op [slachtoffer] . Daar waar [slachtoffer] onderuitging, kwam echter ook [naam agent] ten val en de geüniformeerde collega’s kwamen daardoor naast hem te staan. Op dat moment ging [slachtoffer] door een sloot en over prikkeldraad en kwam toen in een weiland uit, waar hij verder rende. Op dat moment hoorde [naam agent] een collega roepen “Wacht!”. Hij bleef daarop staan, hoorde een knal en hoorde een collega zeggen “Raak, in zijn been!”.

[naam agent] , hoofdagent van politie, is ook gehoord door de Rijksrecherche. Hij is eveneens achter [slachtoffer] aangerend. [naam agent] , [naam agent] en verdachte renden voor hem en [naam agent] liep op hen in. Hij hoorde schoten, eerst één en toen drie of vier snel erachteraan. Hij zag [slachtoffer] op een modderig grasveld onderuitgaan en vervolgens ook [naam agent] . Dat was vlak bij hem. Toen [naam agent] opstond, was [naam agent] al bij hem en de andere twee collega’s stonden een meter of vier voor hen bij een afzetting van het weiland met prikkeldraad. Hij hoorde vervolgens nog één of twee schoten.

Verdachte heeft, aldus zijn verklaring tegenover de Rijksrecherche, tijdens de achtervolging geroepen “Staan blijven, politie!”. Hij hoorde tijdens het rennen een schot dat links van hem kwam, waar [naam agent] rende. Verdachte heeft hierna al rennend zijn vuurwapen getrokken en een waarschuwingsschot gelost, bestaande uit twee schoten kort na elkaar, een zogenoemd doublet. [slachtoffer] bleef echter doorrennen. Daarna heeft verdachte nogmaals een doublet gelost.

Toen verdachte merkte dat het niet werkte, heeft hij zijn vuurwapen geholsterd. Hij werd ingehaald door [naam agent] , die hij daarna plotseling op de grond in het gras zag liggen. Hij had, omdat hij bezig was met holsteren, niet gezien wat er was gebeurd. Hij zag [slachtoffer] blind de sloot inspringen en dwars door het prikkeldraad het weiland inrennen. Verdachte is het grasveld ingelopen tot voorbij [naam agent] , die op de grond lag. Vóór de sloot, waar [slachtoffer] doorheen was gegaan, is verdachte stil blijven staan en heeft hij met zijn vuurwapen laag gericht en eenmaal op [slachtoffer] geschoten. Verdachte heeft verder verklaard dat hij totaal niet bezig is geweest met de Ambtsinstructie en dat hij eerder de gelegenheid heeft gehad om [slachtoffer] neer te schieten, maar dat niet heeft gedaan omdat hij dat niet wilde. Op het moment van schieten was [slachtoffer] ongeveer 20 meter van hem verwijderd.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2019 heeft verdachte onder meer verklaard dat hij niet wist van welk strafbaar feit [slachtoffer] werd verdacht. Verdachte heeft ervoor gekozen de geldende radiostilte niet te doorbreken om naar de verdenking te informeren, maar ging ervan uit dat het een misdrijf betrof waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, met andere woorden: een feit als bedoeld in artikel 7 sub b van de Ambtsinstructie (hierna volledig uitgeschreven). Dit vanwege de door de meldkamer verleende toestemming voor het uitvoeren van een geforceerde stop en de andere door hem “opgepluste” omstandigheden, waaronder:

  • -

    de waarneming van verdachte dat [slachtoffer] een zwart voorwerp in zijn hand had;

  • -

    het gegeven dat [slachtoffer] blijkbaar koste wat het kost uit handen van de politie wilde blijven;

  • -

    de vele geloste waarschuwingsschoten;

  • -

    het feit dat een collega-agent (naar later bleek [naam agent] ) tijdens de achtervolging stil op zijn rug in het gras lag.

Verdachte is niet nagegaan waarom [naam agent] ten val was gekomen. In ieder geval heeft hij geen mondingsvuur of lichtflitsen gezien, ook niet voor zich.

Verdachte heeft welbewust de keuze gemaakt om aanhoudingsvuur te gebruiken. [slachtoffer] moest gestopt worden, voordat hij – zoals ter zitting van 8 mei 2019 verklaard – een auto zou aanhouden of een woning zou betreden.

Primair verweer: handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht

Verdachte handelde de bewuste nacht in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Hij was dan ook, op grond van artikel 3 van de Politiewet, in beginsel bevoegd tot het gebruik van geweld. Voorts staat niet ter discussie dat verdachte zijn onderhoud aan schietvaardigheid conform de interne richtlijnen van de politie heeft bijgehouden.

De momenten waarop en de voorwaarden waaronder geweld mag worden gebruikt zijn nader genormeerd in de Ambtsinstructie. In deze zaak is in het bijzonder van belang artikel 7 lid 1 van de Ambtsinstructie, dat ziet op het gebruik van een vuurwapen ter aanhouding van een verdachte. De tekst daarvan luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Het gebruik van een vuurwapen (…) is slechts geoorloofd:

a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

Uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van artikel 7 van de Ambtsinstructie blijkt dat de tekst van sub b vanwege (het eerdere gebrek aan) praktische hanteerbaarheid nader is geobjectiveerd. Om die reden is aangesloten bij artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering en moet er sprake zijn van verdenking van in ieder geval een misdrijf dat is bedreigd met een gevangenisstraf van vier jaren of meer (onder 1°).

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of verdachte conform de Ambtsinstructie heeft gehandeld centraal staat hetgeen verdachte zelf heeft gehoord en waargenomen. De Ambtsinstructie richt zich, terecht, op de individuele verantwoordelijkheid van de politieambtenaar die geweld gebruikt.

Bij de beoordeling door het hof van de relevante feiten en omstandigheden kunnen verklaringen van degenen die op dat moment de meldkamer(s) bemensten en collega-agenten die aan de achtervolging hebben deelgenomen, wel worden gebruikt ter verificatie van de verklaring van verdachte, maar de waarnemingen en beoordelingen van de situatie door verdachte zelf zijn leidend bij zijn beslissing het dienstwapen ter hand te nemen en daadwerkelijk te gebruiken.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a en/of b van de Ambtsinstructie.

Verdachte heeft op geen enkel moment gehoord of gezien dat [slachtoffer] daadwerkelijk een vuurwapen bij zich droeg. Weliswaar heeft verdachte verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer] , toen deze uit de auto stapte, iets in zijn hand had, maar verdachte en [naam agent] hebben geen van beiden verklaard dat dit voorwerp een vuurwapen was of daarop leek. Dat het betreffende voorwerp donker was en in één hand kon worden vastgehouden is onvoldoende voor de aanname dat [slachtoffer] mogelijk over een vuurwapen beschikte. Ook tijdens de eerdere achtervolging van het voertuig over de weg en de achtervolging daarna van [slachtoffer] te voet, heeft zich op geen enkel moment een concrete omstandigheid voorgedaan op grond waarvan verdachte redelijkerwijs mocht menen dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen.

Het hof acht hierbij mede van betekenis de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 8 mei 2019, dat hij tijdens de achtervolging te voet vóór zich (waar alleen [slachtoffer] liep) geen mondingsvuur of lichtflitsen heeft gezien. Dat betekent dat ook tijdens de achtervolging te voet van [slachtoffer] op geen enkel moment sprake is geweest van omstandigheden die redelijkerwijs bij verdachte de indruk hebben kunnen doen ontstaan dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen, laat staan dat [slachtoffer] daarmee daadwerkelijk in de richting van [naam agent] had geschoten. Ook is niet gebleken dat [slachtoffer] tijdens die achtervolging op enig moment is gestopt en/of zich heeft omgedraaid en daarbij dreigende taal heeft geuit en/of dreigende gebaren heeft gemaakt en/of daarbij met enig voorwerp in de hand(en) heeft gedreigd.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte zich niet met succes kan beroepen op de strafuitsluitingsgrond van artikel 7 lid 1 sub a van de Ambtsinstructie.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte een geslaagd beroep toekomt op de in artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie genoemde strafuitsluitingsgrond, is van belang over welke concrete informatie verdachte beschikte op het moment dat hij met zijn dienstwapen een schot afvuurde op [slachtoffer] .

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of er op basis van die informatie tegen [slachtoffer] een verdenking van een misdrijf als bedoeld in genoemd artikel bestond.

Het hof stelt in dit verband allereerst vast dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep onder meer heeft verklaard dat hij tijdens de gehele achtervolging van [slachtoffer] , zowel in de auto als te voet, niet op de hoogte was van de reden van de hit op de cat-scan en dat er vanaf het moment dat er door hem en [naam agent] werd meegeluisterd via het Inrap-kanaal niets is gezegd over de reden van de achtervolging van het voertuig. Verdachte heeft verder verklaard dat hij ook niet wist waarom er toestemming werd gegeven voor de geforceerde stop die uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Hij wist niet op grond van welke verdenking dat gebeurde.

Verdachte wist – zoals uit zijn verklaring ter zitting in hoger beroep kan worden afgeleid – alleen dat er meermalen een stopteken was genegeerd door de bestuurder van het voertuig terwijl door de politie ook gebruik was gemaakt van optische- en geluidssignalen.

De verdediging heeft – ter nadere onderbouwing van de mogelijke ernst van de verdenking tegen de bestuurder van het voertuig – verwezen naar wat er in het Richtinggevend Kader is vastgelegd over geforceerde stops. Deze mogen worden toegepast ófwel in zeer bijzondere (bijvoorbeeld levensbedreigende) situaties, ófwel onder zeer veilige omstandigheden. Getuige-deskundige Groen heeft een en ander ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd.

Daarbij moet ook in het oog worden gehouden dat het Richtinggevend Kader uitsluitend ziet op het met behulp van een of meer politievoertuigen tot stoppen dwingen van het achtervolgde voortuig op de wijze als in dat Richtinggevend Kader omschreven.

Dit Richtinggevend Kader heeft derhalve geen betrekking op het gebruik van het dienstwapen.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal eens dat [slachtoffer] weliswaar heeft getracht zich te onttrekken aan een aanhouding door verdachte en andere politieambtenaren, maar dat gedurende de gehele achtervolging over de weg uitsluitend ten aanzien van de bestuurder van het voertuig een concrete verdenking bestond van het plegen van een strafbaar feit, te weten (de overtreding) het meermalen negeren van een stopteken.

Het hof merkt in dit verband op dat de enkele omstandigheid dat door de meldkamer op enig moment toestemming voor het geforceerd laten stoppen van het voertuig is gegeven, niet zonder meer iets zegt over de ernst van de concrete verdenking tegen de bestuurder. Dit geldt te meer voor [slachtoffer] van wie op het moment van de geforceerde stop niet was vastgesteld dat hij van enig strafbaar feit werd verdacht.

[slachtoffer] was immers slechts de bijrijder van het achtervolgde voertuig en kon daarom niet zonder meer verantwoordelijk worden gehouden voor het (rij)gedrag van de bestuurder. Van feiten en/of omstandigheden die ten aanzien daarvan tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken.

Ten aanzien van [slachtoffer] is derhalve op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat hij ten tijde van de achtervolging van het voertuig over de weg werd verdacht van enig strafbaar feit, laat staan van een ernstig strafbaar feit als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie. Daarbij dient in ieder geval sprake te zijn van de verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Die verdenking was er in dit geval niet.

Ook vanaf het moment dat het voertuig tot stilstand was gebracht en [slachtoffer] was uitgestapt en weggerend tot aan het schieten door verdachte op [slachtoffer] , is naar het oordeel van het hof op geen enkel moment sprake geweest van concrete feiten en omstandigheden die konden leiden tot een dergelijke (ernstige) verdenking.

Dat twee maal spullen uit het voertuig zouden zijn gegooid, is onvoldoende om een ernstige verdenking als hiervoor bedoeld aan te nemen, alleen al omdat de aard van die spullen bij verdachte op het moment van de achtervolging niet bekend was.

Hetzelfde geldt voor de overige door verdachte genoemde, door hem “opgepluste”, omstandigheden, opgesomd in zijn verklaring bij de Rijksrecherche en ter zitting in hoger beroep, zoals dat [slachtoffer] zich had ontworsteld aan de greep van [naam agent] , dat [slachtoffer] ondanks de waarschuwingsschoten van verdachte en enkele achtervolgende collega’s doorliep en dat verdachte tijdens de achtervolging van [slachtoffer] op een gegeven moment collega-agent [naam agent] op de grond zag liggen.

Met betrekking tot [naam agent] kan overigens uit de deels hiervoor weergegeven verklaring van [naam agent] en [naam agent] worden opgemaakt dat [naam agent] vrijwel direct weer is opgestaan en dat verdachte zich, nadat hij [naam agent] voorbij was gelopen en vervolgens gericht op [slachtoffer] schoot, nog op korte afstand van [naam agent] bevond.

Van verdachte, die naar eigen zeggen vreesde dat [naam agent] mogelijk was gevallen als gevolg van door [slachtoffer] uitgeoefend geweld, had als getraind professional de nodige behoedzaamheid en beheersing mogen worden verwacht. Hij had, voordat hij het besluit nam om op [slachtoffer] te schieten, kunnen en moeten nagaan bij [naam agent] of andere collega’s of zijn vrees terecht was. Dit heeft verdachte echter niet gedaan. Zoals verdachte ook op geen enkel moment tijdens zowel de achtervolging over de weg, als de achtervolging te voet van [slachtoffer] heeft nagegaan van welk concreet strafbaar feit [slachtoffer] werd verdacht.

Door en namens verdachte is betoogd dat hij dat niet heeft gedaan, omdat de meldkamer volledige radiostilte had opgelegd aan de achtervolgende politieambtenaren. Dit argument overtuigt het hof niet en is ook weersproken door de getuige-deskundige Groen die heeft verklaard dat de communicatie destijds weliswaar gebrekkiger verliep dan tegenwoordig – sinds een aantal jaren kan real time met de meldkamer worden gecommuniceerd – maar dat het altijd mogelijk is voor een politieambtenaar om de radiostilte te verbreken indien dat dringend en noodzakelijk is.

Groen heeft hieraan toegevoegd dat de meldkamer nu eenmaal afhankelijk is en blijft van de politieambtenaren ter plaatse als het gaat om informatie over bijvoorbeeld de situatie tijdens een achtervolging. Het hof is van oordeel dat het juist in de gegeven omstandigheden, waarin sprake was van veel hectiek tijdens een langer durende achtervolging, op de weg van verdachte lag om te informeren naar de ernst van de mogelijke verdenking jegens de persoon/personen in het voertuig en eventueel te overleggen over de wijze waarop de aanhouding van deze persoon/personen kon worden gerealiseerd. Verdachte heeft dit niet gedaan, terwijl daar, tijdens deze achtervolging, voldoende gelegenheid voor was. Het kost weinig tijd om de vraag te stellen van welk strafbaar feit de inzittende(n) in het voertuig werd(en) verdacht.

Het voornemen bij verdachte om gebruik te maken van zijn dienstwapen en te gaan schieten op [slachtoffer] , die – het zij hier herhaald – de bijrijder was in het voertuig, is een dringende omstandigheid die verdachte ertoe had moeten brengen eerst (nadere) informatie over de concrete verdenking jegens [slachtoffer] in te winnen bij de meldkamer of bij andere collega’s.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de vraag, of er op grond van de tijdens de achtervolging te voet bekende informatie sprake was van een tegen [slachtoffer] gerezen verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie, eveneens ontkennend door het hof wordt beantwoord.

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of aan artikel 10 en 10a van de Ambtsinstructie is voldaan geen nadere bespreking.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat van verdachte, zijnde een politieambtenaar die is aangesteld om zijn taak uit te voeren met in zijn uitrusting een voor onmiddellijk gebruik gereed dienstwapen, mag worden gevergd, meer dan van de gemiddelde burger, dat hij in precaire en hectische situaties als hier aan de orde – en het hof onderschrijft dat daar zonder meer sprake van was – optreedt met de noodzakelijke zelfbeheersing en behoud van overzicht. Daarmee hangt samen dat hij adequate beslissingen neemt op basis van zo volledig mogelijke en actuele informatie en dat hij juist niet ongerechtvaardigd zal overgaan tot het gebruik van het dienstwapen, met alle risico’s van dien. Ongerechtvaardigd wil in dit verband zeggen: zonder dat is voldaan aan de in artikel 7 van de Ambtsinstructie omschreven gevallen. Uit die Ambtsinstructie volgt immers juist dat niet tegen elke persoon die zich aan aanhouding onttrekt het gebruik van het dienstvuurwapen is toegestaan.

Immers daarin is verwoord – voor zover in deze zaak aan de orde – dat het gebruik van het dienstvuurwapen uitsluitend is toegestaan wanneer sprake is van de verdenking van een strafbaar feit als daar omschreven.

Hetgeen hiervoor is overwogen, maakt duidelijk dat het hof vindt dat het optreden van verdachte in dit geval niet aan deze professionele eisen voldoet.

Subsidiair verweer: avas op grond van verontschuldigbare dwaling omtrent de feitelijke situatie

Het hof heeft hiervoor reeds als zijn oordeel te kennen gegeven dat jegens [slachtoffer] geen enkele (concrete) verdenking van een strafbaar feit bestond, laat staan van een ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie. Ook heeft het hof hiervoor geoordeeld dat verdachte op grond van de door hem zo genoemde, “opgepluste”, omstandigheden redelijkerwijs niet tot de conclusie heeft kunnen en mogen komen dat [slachtoffer] werd verdacht van een dergelijk ernstig misdrijf.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte – omdat hij wel uitging van een ernstige verdenking – in de achteraf vastgestelde, onterechte veronderstelling heeft geleefd dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder b van de Ambtsinstructie en dat hij aldus verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Het hof verwerpt dit verweer en verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor door het hof is overwogen en beslist met betrekking tot het door en namens verdachte gedane beroep op artikel 7 lid 1 sub b van de Ambtsinstructie.

Het gaat naar het oordeel van het hof niet zozeer om een dwaling bij verdachte omtrent het aanwezig zijn van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder b van de Ambtsinstructie, maar veeleer om de onjuiste waardering door hem van de hem op dat moment bekende feiten en omstandigheden. Daarbij is cruciaal dat verdachte heeft verzuimd, zoals het hof reeds heeft vastgesteld, de informatie waarvan hij uitging te verifiëren en te controleren voordat hij het besluit nam om op [slachtoffer] te schieten.

Het hof verwerpt dan ook het subsidiaire verweer.

Meer subsidiair verweer: putatief noodweer

Voor de beoordeling van een beroep op putatief noodweer zal het hof moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, waarbij hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De beantwoording van deze vraag staat los van het al dan niet bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a of b van de Ambtsinstructie.

Het gaat erom of verdachte ten onrechte, maar verontschuldigbaar, in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een (dreiging van) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed door [slachtoffer] . Daar moet dan wel een objectieve aanleiding voor zijn, die verdachte (subjectief) verkeerd zou hebben ingeschat.

Het hof stelt in dit verband vast dat verdachte tijdens zijn verhoren bij de Rijksrecherche niet heeft verklaard over een voor hem zelf of voor (een van) zijn collega’s bestaande dreigende situatie op het moment dat hij het gerichte schot op [slachtoffer] loste. Uit zijn verklaring bij de Rijksrecherche is af te leiden dat hij dit schot enkel en alleen heeft gelost om de aanhouding van [slachtoffer] mogelijk te maken.

Het verweer dat [slachtoffer] een potentieel en reëel gevaar zou kunnen vormen voor de bewoners van omliggende woningen en/of boerderijen, dan wel voor een zich in de buurt bevindende bestuurder van een auto, is pas voor het eerst door verdachte in hoger beroep gevoerd.

Het hof merkt in dit verband nog op dat niet is gebleken dat op het nachtelijke tijdstip waarop een en ander zich afspeelde bewoners aanwezig waren in een boerderij of woning dichtbij de plek waar [slachtoffer] het weiland in rende. Ook zijn er geen aanwijzingen dat [slachtoffer] in de richting van een boerderij of woning is gelopen dan wel aanstalten maakte dat te doen.

Het hof neemt hierbij mede in aanmerking, en acht dit van betekenis, dat [slachtoffer] vanaf het moment dat hij uit het achtervolgde voertuig stapte, op de vlucht is geslagen en van verdachte en zijn collega’s is weggerend. Daarbij moet ook worden betrokken dat op dat moment in werkelijkheid niet bekend was van welk ernstig strafbaar feit [slachtoffer] – als bijrijder in een auto waarvan de bestuurder een stopteken had genegeerd – werd verdacht. Ook is in dat kader van belang dat geen sprake was omstandigheden waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat [slachtoffer] zou kunnen overgaan tot geweld. Immers is niet gebleken dat [slachtoffer] zich op enig moment dreigend heeft uitgelaten, op verdachte of een van zijn collega’s is afgelopen of dreigende bewegingen/gebaren heeft gemaakt.

De verdediging heeft ter onderbouwing van het verweer naar twee uitspraken verwezen.

In de ene zaak3 was sprake van een melding van een vuurwerkbom in een periode met veel geweld van motorbendes. De dienstdoende agent trof een (naar achteraf bleek) psychotische man, die handbewegingen bij of onder zijn hoodie maakte, waardoor de agent mocht menen dat de man een vuurwapen of handgranaat onder zijn hoodie vandaan zou halen. Ook waren er twee burgers aanwezig, die daardoor (vermeend) gevaar liepen.

In de andere zaak4 was sprake van een verwarde man die ongecontroleerd met een vermeende hakbijl of tomahawk (achteraf een wandelstok) zwaaide, terwijl hij door een aantal tuinen liep.

Deze voorbeelden verschillen dusdanig van de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak dat ze naar het oordeel van het hof niet vergelijkbaar zijn. [slachtoffer] is immers alleen maar weggerend zonder dat andere feiten en/of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat er mogelijk gevaar dreigde voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding voor zijn eigen of eens anders lijf of goed.

Het enkele feit dat verdachte aan het begin van de achtervolging te voet meende te hebben gezien dat [slachtoffer] een voorwerp in zijn hand had zonder bijkomende feiten en/of omstandigheden waaruit enige dreiging als hiervoor bedoeld kon worden afgeleid, is onvoldoende voor het aannemen van een verontschuldigbare dwaling in de zin van putatief noodweer. Op grond van het voorgaande verwerpt het hof ook het meer subsidiair gedane beroep op putatief noodweer.

Verdachte is daarom strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Met betrekking tot de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de getuige-deskundigen Nijssen en Groen overweegt het hof als volgt.

De heer Nijsen heeft naar aanleiding van door de verdediging aan hem gestelde vragen een rapportage opgesteld en is op verzoek van de verdediging ter zitting van 19 februari 2020 door het hof als getuige-deskundige gehoord. Nijsen heeft verklaard dat hij bij de beantwoording van de vragen is uitgegaan van de juistheid van de lezing van verdachte en de verklaringen van anderen niet of nauwelijks in zijn beantwoording heeft betrokken. Tijdens zijn verhoor op 19 februari 2020 is Nijsen bij deze benadering en de op basis daarvan door hem in het rapport getrokken conclusies gebleven.

Ter onderbouwing van zijn conclusie(s) heeft Nijsen soms feiten/omstandigheden als vaststaand gepresenteerd waarbij hij die feiten/omstandigheden ook nog eens op eigen wijze heeft ingekleurd. Een voorbeeld daarvan is, dat Nijsen stelt dat in deze zaak sprake was van het gooien van voorwerpen uit de achtervolgde auto en hij verklaart vervolgens dat dit vaak bewijsmateriaal betreft waarbij het om van alles kan gaan, van drugs tot een AK47.

Alleen al omdat een integrale en zo veel mogelijk objectieve benadering in de door Nijsen gekozen werkwijze ontbreekt, gaat het hof voorbij aan zijn visie op deze zaak en heeft het hof zijn rapport en zijn verklaring ter terechtzitting op 19 februari 2020 niet betrokken in de beoordeling van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt.

Voor de heer Groen geldt eveneens dat hij op verzoek van de verdediging heeft gerapporteerd en ter terechtzitting van 19 februari 2020 als getuige-deskundige een verklaring heeft afgelegd.

Het hof stelt vast dat deze deskundige met name deskundig is op het gebied van – zoals hij zelf heeft aangegeven – het meldkamerdomein. De deskundige Groen heeft vooral vragen beantwoord en informatie verstrekt over de wijze waarop in het algemeen de communicatie plaatsvindt tussen meldkamer en politieambtenaren ter plaatse.

Hij heeft desgevraagd gezegd dat hij op de avond van het incident niet aanwezig was op de meldkamer en ook verder geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij deze zaak.

Het hof heeft kennisgenomen van de informatie die Groen vanuit zijn deskundigheid met het hof heeft gedeeld tijdens zijn verhoor op zitting, maar heeft daarin geen aanleiding gezien om tot een andere beoordeling van het aan verdachte gemaakte verwijt te komen.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd, te weten: een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 25 uur, indien niet (naar behoren) verricht te vervangen door twaalf dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof verzocht conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf.

In het geval het hof daar niet in mee zou willen gaan, heeft de raadsman verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en daarbij ook gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft eenmaal gericht geschoten op een wegrennende persoon genaamd [slachtoffer] , terwijl niet was gebleken dat deze gewapend was en er op basis van de omstandigheden redelijkerwijs ook geen reden was om aan te nemen dat dit wel zo was.

Op het moment dat verdachte op [slachtoffer] schoot, bestond er op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden geen enkele verdenking van een strafbaar feit jegens [slachtoffer] als bijrijder, laat staan van een feit waarop vier jaren of meer is gesteld. Daarnaast was er objectief bezien ook geen reden voor verdachte om te kunnen en mogen denken dat dit wel het geval was.

[slachtoffer] is door het schot van verdachte gewond geraakt aan zijn teen en is er gelukkig redelijk goed vanaf gekomen. Het met een vuurwapen schieten op een rennend persoon, zelfs als er bewust wordt gericht en gemikt op een plek van het lichaam onder kniehoogte, zoals verdachte heeft verklaard, levert wel degelijk een groot risico op voor die persoon om zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Dat rekent het hof verdachte aan.

Het hof weegt in zijn voordeel mee dat verdachte een en ander heeft gedaan in het kader van de uitoefening van zijn beroep als politieambtenaar en dus niet heeft gehandeld met de bedoeling om [slachtoffer] ernstig te verwonden. Op grond van het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte na een inspannende, hectische en stressvolle achtervolging van ongeveer een half uur een verkeerde inschatting heeft gemaakt.

Daarbij is het echter wel zo geweest dat verdachte bij zijn uiteindelijke beslissing om zijn dienstwapen te gebruiken zich te veel heeft laten leiden door bij hem bestaande veronderstellingen, zonder deze op juistheid te toetsen bij de meldkamer of bij collega’s ter plaatse. Deze nalatigheid en onzorgvuldigheid rekent het hof verdachte zwaar aan, omdat verdachte onder deze omstandigheden uiteindelijk toch op onterechte wijze heeft gekozen voor het ultimum remedium waarover hij beschikte, namelijk het gebruik maken van zijn dienstwapen.

Verdachte heeft in strijd met de Ambtsinstructie gehandeld en het hof hecht eraan nogmaals op te merken dat die Ambtsinstructie er niet voor niets is.

In een maatschappij waarin zware criminaliteit en ernstige overlast veroorzaakt door personen – soms onder invloed van ernstige psychische stoornissen – aan de orde van de dag zijn, is het ook voor de politieambtenaren die hierin een moeilijke taak hebben te vervullen, belangrijk om te blijven onderscheiden dat er grenzen zijn aan het gebruik van geweld bij een op zichzelf gerechtvaardigd politieoptreden.

Dat het voor de politie niet altijd gemakkelijk is om in vaak zeer hectische situaties precies volgens de regels te handelen, onderkent het hof. Die vaststelling laat echter onverlet dat het in ieders belang is, ook van de politieambtenaar die zijn/haar belangrijke werk moet doen, dat de grenzen van toelaatbaar politieoptreden te allen tijde scherp worden getrokken en bewaakt. Ook dat is een belangrijk fundament van een rechtsstaat.

Daarmee wordt immers voorkomen dat er onschuldige slachtoffers vallen, iets wat niemand op zijn geweten wil hebben, ook een politieambtenaar niet en derhalve ook verdachte niet.

Het hof wil ten gunste van verdachte meewegen dat de communicatie en verstrekking van relevante informatie via de meldkamers destijds bepaald niet vlekkeloos verliep en dat het gebrek aan regie tijdens de achtervolging niet bevorderlijk is geweest voor een goede en correcte uitvoering van de politietaken door de politieambtenaren ter plaatse. Dat er sprake is geweest van een zekere collectieve flow vanwege de duur van de achtervolging, het aantal daarbij ingezette eenheden en de inhoud van het berichtenverkeer, acht het hof aannemelijk, maar ontslaat verdachte niet van het hanteren van zijn dienstwapen volgens de regels. Verdachte heeft zich daar onder de gegeven omstandigheden onvoldoende rekenschap van gegeven.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit waardoor iemand gewond is geraakt. Het hof is zich er terdege van bewust dat verdachte het reeds als een zware straf zal hebben ervaren dat hij zich als politieambtenaar in het openbaar in de rechtszaal heeft moeten verantwoorden. Ook voor zijn naasten zal de afgelopen periode zeer zwaar zijn geweest, hetgeen mede het gevolg is van de onzekerheid over de afloop.

Verdachte is door zijn werk, waarin hij de maatschappelijke veiligheid dient, in deze situatie terecht gekomen. Hij heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden niet eerder zijn dienstwapen gebruikt en het schietincident en de strafzaak hebben ongetwijfeld een grote impact op zijn (werkende) leven. Daarbij komt dat het schietincident meer dan vijf jaren geleden heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof veel te lang op de behandeling van zijn strafzaak, met name in de hoger beroepsfase, moeten wachten.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is in hoger beroep met twintig maanden overschreden. Omdat het hof een geheel voorwaardelijke straf zal opleggen, kan worden volstaan5 en wordt ook volstaan met de enkele constatering van deze schending van de redelijke termijn.

Toepassing van artikel 9a Sr, zoals verzocht door de verdediging, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit.

Gelet op het voorgaande acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 25 uur, subsidiair twaalf dagen hechtenis passend. De proeftijd zal op één jaar worden gesteld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. H. Heins, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,

en op 13 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld.

mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,

mr. R.W.P. Soons, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

2 Richtinggevend kader over de inzet en het optreden van politie bij achtervolgen, tactisch volgen en geforceerde stops, Driebergen , 29 april 2014.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5109).

4 Rechtbank Rotterdam 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6174).

5 Hoge Raad 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).