Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2190

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.236.973/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Als de officier van justitie een uitstelverzoek niet honoreert, moet de reeds geplande hoorzitting doorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.236.973/01

CJIB-nummer

: 206219471

Uitspraak d.d.

: 12 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat hij bij brief van 28 november 2017 heeft verzocht om uitstel van de zitting van de kantonrechter. Hier is niet op gereageerd door de rechtbank. Dit is schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

2. De gemachtigde is bij brief van 25 oktober 2017 opgeroepen voor de zitting van 26 februari 2018. De gemachtigde stelt dat hij bij brief van 28 november 2017 heeft verzocht om uitstel van de zitting. Deze brief bevindt zich echter niet in het dossier. Als een brief per gewone post wordt verstuurd, is er geen verzendbewijs. Dat risico ligt bij de verzender. Als er geen brief is ontvangen, zal de verzender op een andere manier moeten aantonen dat de brief op tijd is verzonden. De gemachtigde heeft dat niet gedaan. Alleen een kopie meesturen van de brief die zou zijn verstuurd, is daarvoor onvoldoende. Het hof gaat er daarom vanuit dat niet is verzocht om uitstel. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is geen sprake.

3. De gemachtigde stelt verder onder meer dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. Hij voert hiertoe aan dat hij de officier van justitie naar aanleiding van de uitnodiging van de hoorzitting bericht heeft dat nog niet alle procesdossiers van de zaken op die zitting compleet waren. Ook heeft hij de officier van justitie verzocht aan te geven of de hoorzitting van 22 augustus 2017 door zou gaan. Hierop is geen reactie gekomen. Op de betreffende datum is de gemachtigde niet gebeld. De gemachtigde is zelfs voor niets naar Utrecht gereden, maar in Utrecht wist men niet van een hoorzitting.

4. De gemachtigde heeft in zijn administratief beroepschrift verzocht om te worden gehoord. Bij brief van 29 juni 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting op 22 augustus 2017 in Utrecht. De gemachtigde is via een meegestuurd retourformulier gevraagd om aan te vinken in welke van de genoemde zaken hij gehoord wil worden. De onderhavige zaak is op het formulier opgenomen. Op 31 juli 2017 is het ingevulde formulier door de officier van justitie retour ontvangen. Op het formulier is niet aangekruist dat de gemachtigde in de onderhavige zaak gehoord wil worden. De gemachtigde geeft aan niet in alle zaken het procesdossier te hebben ontvangen en geeft aan dat de onderhavige zaak niet bekend is bij hem. Op 4 augustus 2017 heeft de officier van justitie nogmaals een retourformulier naar de gemachtigde toegestuurd, ditmaal met vermelding van CJIB-nummers in plaats van achternamen. Opnieuw is de gemachtigde gevraagd om aan te geven in welke zaken hij op 22 augustus 2017 gehoord wil worden. Bij brief van 9 augustus 2017, door de officier van justitie ontvangen op 15 augustus 2017, geeft de gemachtigde aan dat hij niet meer kan worden gehoord op 22 augustus 2017, nu dit al over 13 dagen is en hij inmiddels allerlei andere oproepen heeft ontvangen. De gemachtigde geeft aan graag in persoon gehoord te willen worden op een andere datum en dat hij niet afziet van het recht om gehoord te worden. Bij brief van 4 september 2017 geeft de officier van justitie aan dat is afgezien van het horen van de gemachtigde, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid.

5. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie niet mocht afzien van een hoorzitting. De gemachtigde heeft overeenkomstig artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om te worden gehoord. De uitzonderingsituaties, bedoeld in artikel 7:17 aanhef en onder a of b, van de Awb doen zich hier ook niet voor. Ook mocht de officier van justitie niet afzien van een hoorzitting op grond van artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb. De brief van de gemachtigde waarin hij aangeeft niet te kunnen worden gehoord op 22 augustus 2017 kan niet worden aangemerkt als verklaring geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. De gemachtigde verzoekt in deze brief immers om een hoorzitting op een andere datum en vermeldt expliciet dat hij niet afziet van het recht om gehoord te worden.

6. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken verder af dat de aangeboden hoorzitting geen doorgang heeft gezonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 22 augustus 2017 is gemaakt. De gemachtigde is gelet hierop niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. De vraag of de officier van justitie de gemachtigde voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord, kan eerst aan de orde komen als de hoorzitting van 22 augustus 2017 wel doorgang had gevonden. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer. Ter beoordeling van het hof staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 178,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 20 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 maart 2017 om 21:29 uur op de N354, Snitserdyk in Reduzum met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

8. De gemachtigde voert aan dat de ijking niet klopt. De betrokkene reed op een motorfiets, ’s avonds laat en er waren trillingen in het stuur voelbaar. De betrokkene heeft daarom ruim onder de maximale snelheid gereden. Hij heeft de motorfiets juist deze avond laat bereden om geen andere weggebruikers te hinderen en zo zijn motorfiets van plaats A naar plaats B te rijden. De gemachtigde voert verder aan dat het in de databalk genoemde serienummers gelijk dienen te zijn. Dat is hier niet het geval.

9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Hierin is onder andere vermeld dat de werkelijke snelheid is vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel en dat deze 100 km per uur bedroeg. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. De bij de foto vermelde gegevens stemmen overeen met de in het zaakoverzicht vermelde gegevens. Verder is onder andere het serienummer [00000] vermeld.

11. Het verweer dat de apparatuur niet (correct) is geijkt, nu het serienummer van de camera en van de antenne-eenheid niet identiek zijn, treft geen doel. Uit de foto van de gedraging blijkt dat de camera en de antenne-eenheid elk over een uniek serienummer beschikken. Dat is niet ongebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 14 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:4377). Voor het overige ziet het hof in de enkele suggestie dat de gebruikte apparatuur niet (correct) zou zijn geijkt geen aanleiding om te betwijfelen dat dit, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, wel het geval was.

12. Voor het overige betreft het verweer van de gemachtigde in feite niet meer dan een ontkenning van de gemeten snelheid. Dit is onvoldoende om te twijfelen aan de gemeten snelheid.

Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.

13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.