Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2098

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
18/00379 t/m 18/00381
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1531, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navordering. Nieuw feit? Persoonsgebonden aftrek. Specifieke zorgkosten. Aftrekbare giften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-03-2020
V-N Vandaag 2020/786
FutD 2020-1024
V-N 2020/24.26.11
NTFR 2020/940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummers 18/00379 t/m 18/00381

uitspraakdatum: 10 maart 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2018, nummers AWB 17/5507, 17/5508 en 17/5509, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2012, 2013 en 2014 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Daarbij is steeds belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft partijen bij brief van 9 mei 2019 op de hoogte gesteld van het voornemen van het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. Partijen zijn in die brief gewezen op het recht ter zitting te worden gehoord. Voorts is daarin aangegeven dat als partijen het formulier niet binnen twee weken retourneren, het Hof ervan zal uitgaan dat partijen geen onderzoek ter zitting wensen. Beide partijen hebben aan het Hof te kennen heeft gegeven dat zij niet om een zitting verzoeken. Het Hof heeft vervolgens, gelet op het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was in de jaren 2012, 2013 en 2014 gehuwd met mevrouw [A] . De echtgenote van belanghebbende heeft in deze jaren geen aangiften IB/PVV ingediend.

2012

2.2.

Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2012 ingediend naar een verzamelinkomen van € 25.492. In deze aangifte zijn de navolgende uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen:

Kosten medicijnen

280

Hulpmiddelen

2.805

Uitgaven voor overige aanpassingen

1.500

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

840

Dieetkosten

850

Kleding en beddengoed

1.550

Totaal uitgaven voor specifieke zorgkosten

7.825

Af: niet aftrekbare drempel

-/- 596

In aftrek gebrachte uitgaven voor specifieke zorgkosten

7.229

Voorts heeft belanghebbende giften opgevoerd ten bedrage van € 461. Na aftrek van de drempel van € 361 heeft belanghebbende de aftrek op € 100 berekend.

2.3.

Met dagtekening 30 augustus 2013 is de primitieve aanslag IB/PVV 2012 overeenkomstig de ingediende aangifte aan belanghebbende opgelegd.

2013

2.4.

Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2013 ingediend naar een verzamelinkomen van € 14.966. In deze aangifte zijn de navolgende uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen:

Kosten medicijnen

222

Hulpmiddelen

7.297

Uitgaven voor overige aanpassingen

-

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

1.150

Dieetkosten

850

Kleding en beddengoed

1.550

Verhoging 40% x € 11.069

4.428

Totaal uitgaven voor specifieke zorgkosten

15.497

Af: niet aftrekbare drempel

-/- 551

In aftrek gebrachte uitgaven voor specifieke zorgkosten

14.946

Voorts heeft belanghebbende giften opgevoerd ten bedrage van € 668. Na aftrek van de drempel van € 334 heeft belanghebbende de aftrek op € 334 berekend.

2.5.

Met dagtekening 16 december 2015 is de primitieve aanslag IB/PVV 2013 overeenkomstig de ingediende aangifte aan belanghebbende opgelegd.

2014

2.6.

Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2014 ingediend, naar een verzamelinkomen van € 22.558. In deze aangifte zijn de navolgende uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen:

Kosten medicijnen

496

Hulpmiddelen

2.814

Uitgaven voor overige aanpassingen

-

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit

287

Dieetkosten

-

Kleding en beddengoed

1.550

Genees- en heelkundige hulp

4

Verhoging 40% x € 5.151

2.059

Totaal uitgaven voor specifieke zorgkosten

7.210

Af: niet aftrekbare drempel

-/- 540

In aftrek gebrachte uitgaven voor specifieke zorgkosten

6.670

Voorts heeft belanghebbende giften opgevoerd ten bedrage van € 620. Na aftrek van de drempel van € 327 heeft belanghebbende de aftrek op € 293 berekend.

2.7.

Met dagtekening 22 januari 2016 is de primitieve aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de ingediende aangifte aan belanghebbende opgelegd.

2.8.

De Inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aangiften die vermoedelijk door een bepaalde belastingadviseur zijn ingediend, in verband met fraude die hij mogelijk zou hebben gepleegd ter zake van door hem ingediende aangiften. De Inspecteur heeft uit het onderzoek afgeleid dat één of meer aangiften van belanghebbende zijn ingediend door deze belastingadviseur. Hij heeft op 15 juli 2016 een vragenbrief gestuurd over de aangifte IB/PVV 2015 van belanghebbende. De Inspecteur heeft belanghebbende daarin verzocht de aftrek specifieke ziektekosten en giften te onderbouwen. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een brief met bijlagen van 8 september 2016. De bijlagen bestaan onder meer uit facturen en bankafschriften. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende de aftrek van specifieke ziektekosten en giften niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft deze bij primitieve aanslag IB/PVV 2015, van 21 oktober 2016, gecorrigeerd.

2.9.

De behandeling van de aangifte IB/PVV 2015 van belanghebbende heeft de Inspecteur aanleiding gegeven belanghebbende op 18 maart 2017 vragenbrieven te sturen waarin hem is gevraagd informatie en bewijsstukken te verstrekken ter zake van de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten en giften in de aangiften IB/PVV 2012, 2013 en 2014. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 6 april 2017. Daarin heeft hij aangegeven dat hij niet meer over bewijsstukken beschikt omdat hij na ontvangst van de definitieve aanslagen de administratie heeft opgeruimd.

2.10.

De Inspecteur heeft vervolgens op 20 mei 2017 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. Daarin zijn de uitgaven voor specifieke zorgkosten alsmede de giften niet in aftrek toegelaten. De daartegen door belanghebbende ingestelde bezwaren en beroepen zijn ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur bevoegd is de onderhavige navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente aan belanghebbende op te leggen.

3.2.

De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd omdat sprake is van een nieuw feit en subsidiair dat sprake is van (aan belanghebbende toe te rekenen) kwade trouw aan de zijde van de belastingadviseur die de aangifte heeft verzorgd. Verder stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten en giften heeft gemaakt. Van gewekt vertrouwen is voorts geen sprake.

3.3.

Belanghebbende stelt daartegenover dat reeds definitieve aanslagen zijn opgelegd, zodat niet kan worden nagevorderd. Van toe te rekenen kwade trouw is evenmin sprake omdat hij, anders dan waarvan de Inspecteur uitgaat, de aangiften zelf heeft ingediend. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken meer van de in aftrek gebrachte zorgkosten omdat de aanslagen definitief waren. Bovendien heeft de Inspecteur in eerdere jaren aftrek van specifieke zorgkosten en giften wel toegestaan.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 22 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165). De omstandigheid dat een groot bedrag als persoonsgebonden aftrekpost vanwege buitengewone uitgaven in de aangiften is opgenomen laat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid open dat de aangiften juist waren.

4.3.

De Inspecteur neemt ter zake van het nieuw feit het standpunt in dat hij is gerechtigd de onderhavige navorderingsaanslagen aan belanghebbende op te leggen omdat uit het onderzoek naar de aangifte IB/PVV 2015 is gebleken dat belanghebbende geen recht had op de geclaimde aftrek van specifieke zorgkosten en giften. Dat daarop geen recht bestond is pas tijdens het onderzoek bekend geworden en was ten tijde van het vaststellen van de definitieve aanslagen IB/PVV 2012, 2013 en 2014 niet bekend.

4.4.

Het Hof is van oordeel dat de aangiften IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2014 de Inspecteur geen aanleiding hoefden te geven een nader onderzoek in te stellen. Daarbij wordt van belang geacht dat de aangiften een verzorgde indruk maakten. De primitieve aanslagen over de jaren 2012 t/m 2014 waren reeds vastgesteld toen de Inspecteur een onderzoek instelde naar de aangifte IB/PVV 2015. Uit dat onderzoek is de Inspecteur gebleken dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet erin slaagde de in aftrek gebrachte ziektekosten en giften aannemelijk te maken. De Inspecteur heeft daarin aanleiding gezien om de voor de jaren 2012 tot en met 2014 ingediende aangiften IB/PVV te onderzoeken. Het Hof is van oordeel dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De vraag of sprake is van - aan belanghebbende toe te rekenen - kwade trouw van de belastingadviseur als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR, behoeft daarom geen beantwoording .

4.5.

Op grond van artikel 6.17, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn specifieke in die bepaling genoemde uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan aftrekbaar als specifieke zorgkosten. Aftrekbare giften zijn bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat aan algemeen nut beogende instellingen of steunstichtingen (artikel 6.32 tot en met 6.35 Wet IB 2001). De uitgaven en giften moeten op de belastingplichtige drukken (artikel 6.1, eerste lid, Wet IB 2001).

4.6.

Belanghebbende heeft geen enkele toelichting of onderbouwing gegeven of gegevens verstrekt over de geclaimde zorgkosten. Er is geen informatie gegeven over de aard van de ziekte of invaliditeit, er zijn geen nota’s of betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de uitgaven zijn gedaan, er is zelfs geen nadere specificatie gegeven om welke uitgaven het gaat en hoe die zijn berekend. Het Hof wijst erop dat het verkrijgen van deze informatie tot op zekere hoogte nog wel tot de mogelijkheden zou behoren; zo zijn bijvoorbeeld betaalgegevens en vergoedingenoverzichten van de verzekeraar ook achteraf nog op te vragen. Belanghebbende heeft de aftrek van giften evenmin onderbouwd. Vanwege het ontbreken van gegevens komt het Hof tot de slotsom dat de Inspecteur terecht de in aftrek gebrachte zorgkosten en giften heeft gecorrigeerd.

4.7.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat hij in de aangiften voor IB/PVV 2012 ook specifieke zorgkosten en giften heeft afgetrokken en dat de Inspecteur deze aftrekposten niet heeft gecorrigeerd. Correctie van aftrek in de onderhavige jaren is daarom volgens hem niet gerechtvaardigd.

4.8.

Het Hof begrijpt dit standpunt van belanghebbende aldus, dat de Inspecteur bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de in geschil zijnde aftrekposten ook in de onderhavige jaren mochten worden opgevoerd. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 13 december 1989, nr. 25 077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119) méér vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd. Er moeten bijkomende omstandigheden zijn op grond waarvan bij belanghebbende de indruk kan zijn gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur. Belanghebbende heeft dergelijke bijkomende omstandigheden niet gesteld. Het Hof concludeert dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

4.9.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J. van de Merwe, en mr. I. Linssen in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 maart 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.