Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2076

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
200.228.137/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest. Slachtoffer fietsongeval spreekt de ouders van een minderjarige aan. Geschil over de toedracht van het ongeval. Het hof acht de door het slachtoffer geschetste gang van zaken voorshands bewezen. In het tussenarrest is beslist dat de ouders van de minderjarige tegenbewijs mogen leveren. Daarin zijn de ouders niet geslaagd. Vervolgens heeft het hof het beroep op eigen schuld afgewezen. Ook de grieven tegen de door de rechtbank toegekende schadevergoeding slagen niet. Daarmee zijn de ouders in het ongelijk gesteld en blijft het vonnis van de rechtbank in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.228.137/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 159861)

arrest van 10 maart 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te Duitsland,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.F. Ronday, kantoorhoudend te Mijdrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Berduszek, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 oktober 2019 hier over. [appellanten] c.s. zijn in dit arrest toegelaten tot bewijs door het horen van getuigen. [appellanten] c.s. hebben meegedeeld af te zien van het getuigenverhoor. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep
de toedracht van het ongeval (grief 1, 3 en 4)

2.1

In het tussenarrest heeft het hof ten aanzien van de toedracht van het ongeval overwogen dat [geïntimeerde] voorshands heeft bewezen dat [C] komende van de oprit de rijbaan is opgereden waar zij de aanrijding met [geïntimeerde] – die zij voorrang had moeten verlenen – heeft veroorzaakt. In rechtsoverweging 4.6 heeft het hof het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. om [C] als getuige te doen horen gehonoreerd. Omdat [appellanten] c.s. van dit getuigenverhoor hebben afgezien en ook geen ander bewijs naar voren hebben gebracht, zijn zij niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen verklaarde stelling van [geïntimeerde] . Daarmee is de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval bewezen, waardoor het onrechtmatig handelen van [C] vast komt te staan. [appellanten] c.s. zijn als wettelijk vertegenwoordigers van [C] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal lijden.
De grieven 1, 3 en 4 falen.
het beroep op eigen schuld (grief 5)

2.2

[appellanten] c.s. stellen dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van eigen schuld.

2.3

Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde ( [geïntimeerde] ) kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de aansprakelijke ( [appellanten] c.s.) te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de causaliteitsafweging), met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (de billijkheidscorrectie).

2.4

Gelet op wat het hof hiervoor over de toedracht van het ongeval heeft geoordeeld, staat vast dat [C] komende vanaf de oprit de rijbaan is opgereden waar zij de aanrijding met [geïntimeerde] – die zij voorrang had moeten verlenen – heeft veroorzaakt. Tijdens het getuigenverhoor bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] hierover verklaard: “Wij waren net overgestoken en ik verwachtte dat mijn man weer naast mij zou komen fietsen. Ineens zag ik uit mijn ooghoek een kind pardoes de weg op rijden. Zij kwam van een oprit links en schepte mij vol in het voorwiel. Ter plaatse is het zicht vanaf de oprit beperkt door een hoge heg.” De echtgenoot van [geïntimeerde] heeft daarbij verklaard: “Toen ik schuin linksachter mijn vrouw reed, zag ik ineens in een flits een meisje op de fiets de oprit van nummer 98 afkomen. Ik kon nog net op tijd stoppen, maar zij reed tegen het voorwiel van mijn vrouw aan, die daardoor kwam te vallen.” Met inachtneming van wat het hof over de waardering van (partij)getuigenverklaringen heeft overwogen in rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest, is op grond van deze verklaringen aannemelijk dat [geïntimeerde] , fietsend over de rijbaan, plotseling werd geconfronteerd met [C] , die de oprit afreed en [geïntimeerde] vol in het voorwiel schepte. Vanwege de aanwezigheid van de hoge heg die het zicht vanaf de oprit beperkte, had [geïntimeerde] [C] niet eerder op kunnen merken. Er was voor [geïntimeerde] dus geen of nauwelijks tijd af te remmen of uit te wijken om een ongeluk te voorkomen. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof dat niet sprake is van aan [geïntimeerde] toe te rekenen gedrag dat aan het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen. Daarbij gaat het hof voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] een grote mate van voorzichtigheid jegens kinderen in acht had moeten nemen. Het enkele feit dat het hier een aanrijding tussen een volwassene en een minderjarige betrof is, anders dan [appellanten] c.s. menen, onvoldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] onvoorzichtig is geweest. Dat de schade mede het gevolg is van een andere aan [geïntimeerde] toe te rekenen omstandigheid, is gesteld noch gebleken.

2.5

Omdat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] , komt het hof niet toe aan een causaliteitsafweging en aan de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat voor een billijkheidscorrectie. Grief 5 faalt.
de schade (grieven 2, 6 en 7)

2.6

[appellanten] c.s. maken bezwaar tegen de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding vanwege huishoudelijke hulp en het voorschot op immateriële schadevergoeding. Verder maken [appellanten] c.s. bezwaar tegen de verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.
huishoudelijke hulp

2.7

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de schade vanwege kosten van huishoudelijke hulp begroot op € 16.628,90. De uitgangspunten die de rechtbank daarbij in aanmerking heeft genomen, zijn uiteengezet in rechtsoverwegingen 4.8 t/m 4.10 van het vonnis. [appellanten] c.s. hebben een aantal bezwaren geuit tegen deze beslissing van de rechtbank.

2.8

Volgens [appellanten] c.s. heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat [geïntimeerde] beperkt is in de uitoefening van huishoudelijke taken, met name omdat [geïntimeerde] kort na het ongeval weer in staat zou zijn geweest haar werkzaamheden in de supermarkt op te pakken. [appellanten] c.s. stellen met eigen ogen gezien te hebben dat [geïntimeerde] kort na het ongeval weer in de supermarkt aan het werk was en bieden hier bewijs van aan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de aard en de ernst van het letsel volgt dat [geïntimeerde] direct na het ongeval en de operatieve ingrepen beperkt was in het uitvoeren van zwaardere huishoudelijke taken, terwijl uit de medische rapportage van fysiotherapeut [D] en manueel therapeut [E] blijkt dat sprake is van een blijvende beperking van de functionaliteit van de schouder van 15%. Uit het overzicht van het ziektewetverloop van [geïntimeerde] (dat [appellanten] c.s. niet betwist hebben) blijkt dat [geïntimeerde] na het ongeval bijna een jaar arbeidsongeschikt is geweest, waarbij zij gedurende enkele maanden vier uur per week op therapeutische basis in de supermarkt heeft gewerkt. Vervolgens heeft zij met aangepaste werkzaamheden haar werk in de supermarkt volledig (dat wil zeggen 16 uur per week) kunnen hervatten. Dat [geïntimeerde] haar werk in de supermarkt heeft hervat, betekent echter niet dat zij ook alle (zwaardere) huishoudelijke taken weer kan uitvoeren. [geïntimeerde] werkt als caissière. Zij verricht incidenteel wel schoonmaakwerkzaamheden in de supermarkt, maar daarbij hoeft zij niet boven haar macht te werken. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zij met name in het laatste geval beperkingen ondervindt, zoals bij boven het hoofd ramen zemen, de was ophangen en het bed opmaken. Als [appellanten] c.s. al gezien hebben dat [geïntimeerde] kort na het ongeval werkzaamheden in de supermarkt heeft verricht, dan kan dat om die reden niet tot de conclusie leiden dat zij geen of minder behoefte heeft aan huishoudelijke hulp dan door de rechtbank is vastgesteld. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. op dit punt als niet ter zake dienend.

2.9

[appellanten] c.s. stellen verder dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de huishoudelijke taken die [geïntimeerde] niet meer zelf kan verrichten tot de dag van het ongeval wel door [geïntimeerde] zelf werden verricht. [appellanten] c.s. betwisten echter niet dat de echtgenoot van [geïntimeerde] een fulltime baan als regiomanager vervult en dat [geïntimeerde] voorafgaand aan het ongeval 16 uur per week werkte. Zonder nadere onderbouwing van het tegendeel, die [appellanten] c.s. niet gegeven hebben, gaat het hof er dan ook met de rechtbank vanuit dat de uitvoering van de huishoudelijke taken tot de dag van het ongeval in belangrijke mate door [geïntimeerde] zijn verricht.

2.10

Voor zover [appellanten] c.s. stellen dat [geïntimeerde] ten onrechte voor abstracte schadevergoeding heeft geopteerd, verwijst het hof naar wat de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 van het bestreden vonnis heeft overwogen. Het hof onderschrijft deze overweging van de rechtbank en neemt die over.

2.11

[appellanten] c.s. hebben tot slot bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank gehanteerde eindleeftijd van 75 jaar. Zij hebben echter nagelaten hun stelling op dit punt te onderbouwen en hebben evenmin aangevoerd welke leeftijd volgens hen wel gehanteerd dient te worden. Met de rechtbank acht het hof het op zijn plaats om voor de vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp een eindleeftijd van 75 jaar als uitgangspunt te nemen1.

2.12

Gelet op het voorgaande faalt de tweede grief.
voorschot immateriële schadevergoeding

2.13

[appellanten] c.s. maken bezwaar tegen de toewijzing van de vordering tot betaling van € 7.500,- als voorschot op immateriële schadevergoeding. [appellanten] c.s. voeren in dit kader aan dat het letsel dat [geïntimeerde] heeft opgelopen in de eerste plaats te wijten is geweest aan onachtzaam en onzorgvuldig optreden van haarzelf. Deze stelling kan [appellanten] c.s. echter niet baten. Het hof heeft hiervoor namelijk overwogen dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] .
[appellanten] c.s. betwisten verder dat uit de rapportage blijkt dat [geïntimeerde] een blijvende beperking van de schouder in de vorm van krachtverlies heeft opgelopen. Ook aan dit verweer gaat het hof voorbij, gelet op de rapportages van fysiotherapeut [D] , manueel therapeut [E] en orthopedisch chirurg [F] (geciteerd in rechtsoverweging 2.5 t/m 2.7 van het vonnis van de rechtbank). Hieruit blijkt dat bij [geïntimeerde] weldegelijk sprake is van een blijvende beperking van de functionaliteit van de linkerschouder van 15%.
[appellanten] c.s. hebben voor het overige geen bezwaren aangevoerd tegen (de hoogte van) het voorschot op immateriële schadevergoeding. Grief 6 faalt dan ook.
verwijzing schadestaatprocedure

2.14

[appellanten] c.s. stellen dat de rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat [geïntimeerde] in de toekomst schade zal lijden. Het feit dat de orthopedisch chirurg spreekt over een verhoogde kans op toekomstig letsel betreft volgens hen een onzekere situatie die niet mag leiden tot een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

2.15

Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in dit standpunt. [appellanten] c.s. gaan eraan voorbij dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure slechts is vereist dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Aan deze voorwaarde is voldaan, omdat uit de verklaring van orthopedisch chirurg [F] volgt dat bij het schouderletsel van [geïntimeerde] een verhoogde kans op een doorbloedingsstoornis van de schouderkop aanwezig is en dat er een verhoogde kans bestaat op het ontstaan van slijtage van het schoudergewricht in de toekomst. De discussie over de vraag of [geïntimeerde] daadwerkelijk bijkomende schade zal lijden als gevolg van het ongeval en, indien dit het geval is, wat de omvang van die schade is, kan verder in de schadestaatprocedure worden gevoerd. Grief 7 faalt.


de slotsom

2.16

De conclusie luidt dat het hoger beroep faalt. [appellanten] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (verschotten plus salaris advocaat overeenkomstig tariefgroep III, 2 punten). Daarmee faalt tot slot ook grief 8.
De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in Groningen van

24 mei 2017 en veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep. Tot aan deze uitspraak worden die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Het hof verklaart deze uitspraak ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.W. Zandbergen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, uitgesproken op 10 maart 2020.

1 Vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2014, r.o. 2.23, ECLI:NL:GHARL:2014:6223.