Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2069

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
200.264.252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Rechthebbende overlijdt na de procedure in eerste aanleg. Procedure wordt voortgezet door erfgenaam.

In geschil zijn nadere afspraken na sluiting convenant. In hoger beroep is de behoeftigheid na betwisting onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.252

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 475193)

beschikking van 10 maart 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats ] , Duitsland,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Tijseling te Utrecht

en

[verweerder] ,

werkzaam te [plaatsnaam] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de executeur,

in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van

[A.] ,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.L. Ortelee te Houten.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 9 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 augustus 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Ortelee van 12 februari 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2020 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Tijseling. Namens de vrouw is haar erfgenaam, de heer [B.] , verschenen, bijgestaan door mr. Ortelee.

3 De feiten

3.1

De man is gehuwd geweest met de vrouw. Dit huwelijk is 5 maart 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 februari 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Bij echtscheidingsconvenant, door de man en de vrouw ondertekend op 26 januari 2010, zijn zij ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (verder: partneralimentatie), voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 2 PARTNERALIMENTATIE

Behoefte

2.1

Partijen zijn grootaandeelhouders van [X] B.V. en [Y] B.V., hierna “de Onderneming”. Het inkomen van partijen wordt grotendeels met de Onderneming verdiend. Partijen zijn gerechtigd tot een salaris uit de onderneming, maar hebben feitelijk dit salaris niet uitgekeerd en hebben onttrekkingen uit de BV gedaan. Voorts zijn er inkomsten uit vermogen.

2.2

Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen bedroeg de laatste jaren ca € 2.600,00 per maand. Partijen zijn evenwel van oordeel dat hun welstandsniveau desondanks hoger ligt, gelet op het feit dat zij de laatste jaren niet meer met vakantie gingen, weinig voor zichzelf aanschaften en gebruik konden maken van de in het verleden aangeschafte voorzieningen. Wanneer zij hun leven opnieuw gaan vormgeven zullen zij behoefte hebben aan een bruto inkomen van ten minste € 2450,--, buiten de woonlasten.

2.3

Essentieel voor hun welstandsniveau beschouwen zij het wonen in de ruime woning aan de [adres] tegen verhoudingsgewijs zeer lage woonlasten.

Eigen inkomen van de vrouw

2.4

De vrouw blijft in dienst van de Onderneming en is gerechtigd tot een arbeidsinkomen van bruto € 2.420,- per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Dit brutosalaris wordt jaarlijks verhoogd met het zelfde percentage als waarmee de alimentatie via landelijke indexering wordt verhoogd.

(…)

Artikel 3. AFWIJKING VAN ART. 1:160 BW

3.1

In afwijking van het in art. 160 BW bepaalde wordt de alimentatieverplichting van de man niet opgeschort in geval de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, of als hadden zij hun partnerschap laten registeren.”

3.3

Ter zitting bij de rechtbank op 24 juli 2014 hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt ten aanzien van - onder meer - de partneralimentatie. De man en de vrouw zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 augustus 2014 € 1.350,- per maand aan de vrouw zal voldoen als partneralimentatie. Zij zijn voorts overeengekomen dat de vrouw op dat moment niets meer van de man aan achterstallige partneralimentatie te vorderen had.

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 6 februari 2019, heeft de man – zakelijk weergegeven - verzocht:

I. voor recht te verklaren dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 januari 2017 is geëindigd;

II. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die de man ter zake van de partneralimentatie over de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met april 2018 aan de vrouw heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;

III. te bepalen dat de vrouw iedere vorm van de executie van de beschikking van 24 februari 2010 en het proces-verbaal van 24 juli 2014 voor onbepaalde tijd [het hof leest:] staakt en gestaakt houdt, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-;

IV. de vrouw te veroordelen tot opheffing van de gelegde bankbeslagen en haar te veroordelen tot betaling van de kosten voor het heropenen van de bankrekeningen en interestbetalingen vanwege de debetstand; en

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.5

De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de volledige kosten van de executoriale beslagen en deze procedure.

3.6

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen en de proceskosten in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.7

De vrouw is op [datum] 2019 overleden.

4 Het geschil

4.1

De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    primair: de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoeken alsnog toe te wijzen, en

  • -

    subsidiair, als aanvullend verzoek: te bepalen dat de door hem te betalen partneralimentatie in die zin wordt gewijzigd dat deze met ingang van 1 mei 2018 op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist acht.

4.2

De erfgenaam voert verweer en verzoekt – zakelijk weergegeven – het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de man af te wijzen wegens strijd met het echtscheidingsconvenant, waarin de man en de vrouw hun afspraken hebben vastgelegd;

  2. de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de achterstallige partneralimentatie vanaf de datum van [het hof begrijpt:] het verweerschrift in hoger beroep tot aan de dag dat de volledige achterstand van € 20.171,- is betaald;

  3. de man te veroordelen tot betaling van de volledige kosten van de procedure en, ten overvloede, van het verschuldigde bedrag in de achterstallige partneralimentatie, en

  4. e man overeenkomstig artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen zekerheid te stellen voor € 31.317,-.

4.3

Bij aanvullend verzoek heeft de erfgenaam het hof verzocht voor recht te verklaren dat de man niets meer van de nalatenschap van de vrouw te vorderen heeft, omdat de man en de vrouw elkaar finale kwijting hebben verleend.

5 De overwegingen voor de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening1is de Nederlandse rechter - onder meer - bevoegd indien de verweerder of de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland. Nu de vrouw ten tijde van het verzoek in eerste aanleg haar gewone verblijfplaats in Nederland had, heeft de rechtbank terecht rechtsmacht aangenomen met betrekking tot het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie en is ook het hof in hoger beroep bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

5.2.

Niet in geschil is dat op het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie het Nederlandse recht van toepassing is. Daarom zal het hof bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw om partneralimentatie daarvan uitgaan.

Zelfstandig verzoek van de executeur

5.3

De erfgenaam heeft op 12 februari 2020 een zelfstandig verzoek geformuleerd. Omdat de vrouw in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek heeft gedaan, kan de erfgenaam in hoger beroep niet alsnog een zelfstandig verzoek doen (artikel 362 Rv in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv), maar slechts verweer voeren voor zover dat ziet op het hoger beroep van de man. Op grond hiervan zal het hof dit verzoek afwijzen.

Inhoudelijk

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Ten tijde van het uiteengaan van de man en de vrouw hebben zij afspraken gemaakt over de tussen hen geldende rechtsverhouding na huwelijk, meer in het bijzonder – voor zover ten deze van belang – de tussen hen bestaande verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze afspraken zijn vastgelegd in het echtscheidingsconvenant op de wijze zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven. Deze afspraken hielden onder meer in dat partijen de behoefte van ieder van hen vaststelden op € 2.450,- bruto per maand (2.2), dat in de behoefte van de vrouw op het moment van het maken van de afspraken werd voorzien door het inkomen van de vrouw uit de Onderneming (2.4) en dat zij afweken van hetgeen is bepaald in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (3.1).

Later, bij het tot stand komen van de overeenstemming op 24 juli 2014, hebben partijen alleen gesproken over de draagkracht van de man. De behoefte van de vrouw was, zoals namens de man ter mondelinge behandeling in hoger beroep erkend, ongewijzigd, al kon zij daarin door het wegvallen van haar inkomen uit de Onderneming niet meer zelf voorzien.

Het hof is van oordeel dat de man en de vrouw bij die latere afspraken voortbouwden op hun bestaande rechtsverhouding, waarvan zij de gevolgen hebben vastgelegd in het echtscheidingsconvenant (artikel 6:229 BW), zodat al hetgeen zij daarbij waren overeengekomen tussen hen van kracht bleef voor zover zij daarvan niet bij nadere afspraak zijn afgeweken. Anders dan de man stelt behoefden partijen dus juist niet opnieuw overeen te komen dat zij de werking van artikel 1:160 BW tussen hen uitsloten. Grief II faalt.

5.5

Vast staat dat partijen op 24 juli 2014 zijn overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie) zou gaan betalen nu de vrouw niet langer in haar behoefte kon voorzien met haar inkomen uit de Onderneming. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de vraag of partijen in het echtscheidingsconvenant al dan niet partneralimentatie zijn overeengekomen in het midden blijven. De beoordeling van grief I kan achterwege blijven.

5.6

In hoger beroep voert de man aan dat de vrouw met ingang van 1 mei 2018 in haar eigen levensonderhoud kon voorzien, omdat zij naast een – gering – arbeidsinkomen diverse uitkeringen ontving uit hoofde van opengevallen lijfrente- en kapitaalverzekeringen. Daarnaast hadden de man en de vrouw naast de traditionele ouderdomspensioenaanspraken diverse aanvullende zelfstandige pensioenvoorzieningen getroffen.

5.7

Het hof stelt vast dat de erfgenaam op dit punt geen verweer heeft gevoerd. Desgevraagd heeft de advocaat van de erfgenaam ter mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de behoefte van de vrouw in eerste aanleg niet aan de orde is geweest en dat zij dus geen verweer hoefde te voeren. Het hof is van oordeel dat de enkele stelling dat de behoefte van de vrouw eerder in de procedure niet aan de orde is geweest – wat daarvan ook zij – niet betekent dat de man die behoefte én de mate waarin de vrouw daarin zelf kan of kon voorzien, niet in hoger beroep aan de orde kon stellen. Het hoger beroep dient er immers mede toe om in eerste aanleg gemaakte fouten of omissies te herstellen en om nieuwe gronden voor het verzoek aan te voeren. Dat heeft de man in zijn beroepschrift - op een duidelijke manier - gedaan. Het lag derhalve op de weg van de erfgenaam om op dit onderdeel verweer te voeren en inzicht te geven in de inkomsten die de vrouw vanaf 1 mei 2018 had. Nu hij dit heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat de vrouw vanaf 1 mei 2018 beschikte over voldoende inkomsten om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat de partneralimentatie wegens het ontbreken van een (resterende) behoefte vanaf deze datum op nihil moet worden gesteld. Het hof komt niet toe aan het draagkrachtverweer van de man. Het hof zal het verzoek van de man de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2018 op nihil te stellen, toewijzen.

5.8

Het hof passeert het bewijsaanbod van de erfgenaam nu hij geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

5.9

De man heeft de overeengekomen partneralimentatie tot en met april 2018 voldaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dus geen sprake van achterstallige partneralimentatie en komt het hof niet toe aan het verzoek van de erfgenaam de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de achterstallige partneralimentatie.

5.10

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de onderhavige procedure de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, voortvloeiend uit hun huwelijk, betreft. Anders dan de erfgenaam ziet het hof geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

5.11

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is geen sprake van achterstallige partneralimentatie. Nu de man ook niet wordt veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding de man te bevelen zekerheid te stellen, zodat het hof dit verzoek van de erfgenaam zal afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, za het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover deze ziet op de periode tot 1 mei 2018, en deze beschikking vernietigen voor zover deze ziet op de periode met ingang van 1 mei 2018 en beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 9 mei 2019, voor zover deze betrekking heeft op de periode tot 1 mei 2018;

vernietigt deze beschikking, voor zover deze ziet op de periode met ingang van 1 mei 2018, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2018 op nihil;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, E.B. Knottnerus en R. Feunekes, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 10 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.