Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2019

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
200.255.033/01 en 200.259.027/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoerder heeft het recht om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij hij is ontslagen. Hij heeft daarvoor geen machtiging nodig van de kantonrechter. De dochter kan geen bewindvoerder worden omdat zij werkt bij de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.255.033/01 en 200.259.027/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 7434516 VO VERZ 18-2818 en 7547915 TB VERZ 19-2136)

beschikking van 3 maart 2020

in beide zaken:

[verzoeker] , h.o.d.n. [verzoeker] Financiële Zorgverlening,

in zijn hoedanigheid van (voormalig) bewindvoerder van [A],

kantoorhoudende te [B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. D. van der Wal te Drachten.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [A] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: rechthebbende,

2. [verweerster], in haar hoedanigheid van (opvolgend) bewindvoerder van [A],

tevens verweerster in hoger beroep,

wonende te [D] ,

verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaak met zaaknummer 200.255.033/01

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 7434516 VO VERZ 18-2818.

In de zaak met zaaknummer 200.259.027/01

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 7547915 TB VERZ 19-2136.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.255.033/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 22 februari 2019;

- het verweerschrift tevens schorsingsverzoek van [verweerster] met productie(s);

- een brief van mr. Van der Wal van 7 maart 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van der Wal van 11 maart 2019 met productie(s);

- de reactie van [verzoeker] van 6 mei 2019 op het schorsingsverzoek met productie(s);

- de beschikking van dit hof van 9 juli 2019;

- een journaalbericht van mr. Van der Wal van 15 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 20 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van der Wal van 21 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 29 januari 2020 met productie(s).

In de zaak met zaaknummer 200.259.027/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 7 mei 2019;

- het verweerschrift van [verweerster] ;

- een journaalbericht van mr. Van der Wal van 24 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van der Wal van 21 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 30 januari 2020 met productie(s).

In beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2020 plaatsgevonden. De zaken zijn tegelijkertijd behandeld. [verzoeker] en [verweerster] zijn beiden in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Rechthebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De broer van [verweerster] (tevens de zoon van rechthebbende) en de partner van [verweerster] waren als toehoorders aanwezig.

3 De feiten

In beide zaken

3.1

Rechthebbende is geboren [in] 1944. Zij is de moeder van [verweerster] en een (niet in de procedures betrokken) zoon. Bij rechthebbende is sprake van paranoïde schizofrenie. Zij woont in zorginstelling [E] . [verweerster] werkt bij deze zorginstelling.

3.2

Bij beschikking van 8 mei 2015 heeft de kantonrechter - op het daartoe strekkende verzoek van [verweerster] - wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van rechthebbende een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan rechthebbende. Daarbij is [verzoeker] tot bewindvoerder benoemd.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 27 december 2018, heeft [verweerster] de kantonrechter verzocht om [verzoeker] als bewindvoerder van rechthebbende te ontslaan en haar te benoemen als opvolgend bewindvoerder.

3.4

Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2019 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, met ingang van 25 februari 2019 [verzoeker] ontslagen als bewindvoerder en [verweerster] tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 20 februari 2019, heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht een machtiging te verlenen voor het instellen van hoger beroep tegen voornoemde beschikking van 11 februari 2019.

3.6

Bij de bestreden beschikking van 1 maart 2019 heeft de kantonrechter voornoemd verzoek van [verzoeker] tot het verlenen van een machtiging afgewezen.

4 De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.255.033/01

4.1

[verzoeker] is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 11 februari 2019. Deze grieven zien op zijn ontslag als bewindvoerder van rechthebbende en de benoeming van [verweerster] tot opvolgend bewindvoerder van rechthebbende. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen zodat [verzoeker] de bewindvoerder van rechthebbende blijft.

4.2

[verweerster] voert verweer en verzoekt het hof:

- primair: [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen;

- subsidiair: mocht het hof van oordeel zijn dat het bewind door een professionele bewindvoerder moet worden uitgevoerd, [F] , h.o.d.n. [G] Financieel Beheer, tot bewindvoerder te benoemen in plaats van [verzoeker] .

Verder heeft [verweerster] bij wege van incident verzocht de procedure op grond van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te schorsen.

4.3

[verzoeker] heeft het hof verzocht het schorsingsverzoek af te wijzen.

4.4

Bij beschikking van 9 juli 2019 heeft dit hof het verzoek tot schorsing afgewezen.

In de zaak met zaaknummer 200.259.027/01

4.5

[verzoeker] is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 1 maart 2019. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog een machtiging te verlenen.

4.6

[verweerster] voert verweer en verzoekt het hof te bepalen dat het hoger beroep moet worden afgewezen, zo nodig onder verbetering van de grondslag.

5 De motivering van de beslissing

Machtiging (zaaknummer 200.259.027/01)

5.1

Op grond van artikel 1:443 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter.

5.2

Niet in geschil is dat [verzoeker] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 1 maart 2019 waarbij de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om hem een machtiging te verlenen om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van 11 februari 2019, heeft afgewezen.

5.3

Het hof is van oordeel dat de betreffende machtiging aan [verzoeker] dient te worden verleend.

Het hof stelt voorop dat [verzoeker] gelet op het bepaalde in artikel 1:443 BW niet verplicht was een machtiging te verzoeken voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van 11 februari 2019.

[verzoeker] heeft naar het oordeel van het hof zorgvuldig gehandeld door een machtiging te verzoeken, zeker gelet op de met het instellen van hoger beroep gepaard gaande (proces)kosten. Bovendien heeft [verzoeker] als (voormalig) bewindvoerder van rechthebbende het recht om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij hij is ontslagen als bewindvoerder van rechthebbende. Door het instellen van hoger beroep tegen die beschikking is [verzoeker] niet tekortgeschoten in zijn taken als bewindvoerder.

Naar het oordeel van het hof is in dit geval, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, voor de vraag of de machtiging dient te worden verleend niet van doorslaggevend belang of het verzoek tot wijziging van bewindvoerder tegen de wens van rechthebbende ingaat. Immers, bij een verzoek tot wijziging van bewindvoerder dient te worden beoordeeld of er sprake is van gewichtige redenen en/of de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden. Dat de wens van rechthebbende niet bekend is, acht het hof dan ook - los van het feit dat, zoals hierna zal blijken, het hof rechthebbende niet (meer) in staat acht om haar mening kenbaar te maken over het voorliggende verzoek - in dit geval niet relevant.

5.4

Voor zover [verweerster] heeft aangevoerd dat [verzoeker] ten onrechte geen machtiging heeft gevraagd om zijn advocaatkosten via de rekening van rechthebbende te betalen, overweegt het hof dat dit los staat van de vraag of aan [verzoeker] een machtiging dient te worden verleend voor het instellen van hoger beroep.

5.5

Op grond van het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking van 1 maart 2019 vernietigen en [verzoeker] alsnog een machtiging verlenen tot het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van 11 februari 2019.

Wijziging bewindvoerder (zaaknummer 200.255.033/01)

* Schorsingsverzoek op grond van artikel 225 lid 2 Rv

5.6

Ter zitting in hoger beroep heeft [verweerster] opnieuw haar verzoek tot schorsing van het geding in hoger beroep op grond van artikel 225 lid 2 Rv ter beoordeling aan het hof voorgelegd. [verweerster] is van mening dat [verzoeker] zijn procesbevoegdheid door zijn ontslag als bewindvoerder van rechthebbende is kwijtgeraakt.

5.7

Het hof heeft reeds bij beschikking van 9 juli 2019 geoordeeld dat dit verzoek van [verweerster] dient te worden afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om thans opnieuw te oordelen over dit verzoek.

* Ontvankelijkheid [verzoeker]

5.8

Het hof is van oordeel dat, anders dan [verweerster] heeft betoogd, [verzoeker] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift op 22 februari 2019 was [verzoeker] nog de bewindvoerder van rechthebbende en was hij derhalve bevoegd om in die hoedanigheid hoger beroep in te stellen. Sinds 25 februari 2019 is hij weliswaar niet meer de bewindvoerder van rechthebbende, maar dit leidt er niet toe dat [verzoeker] niet meer ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nog los van het feit dat hij ook na 25 februari 2019 als voormalig bewindvoerder van rechthebbende bevoegd was geweest om hoger beroep in te stellen.

Hetgeen [verweerster] voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot de ontvankelijkheid, onder meer over de inhoud van de volmacht van [verzoeker] aan zijn advocaat, doet niet af aan bovenstaand oordeel.

* Horen van rechthebbende

5.9

Rechthebbende is in hoger beroep niet ter zitting verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om rechthebbende alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, omdat uit de overgelegde stukken, waaronder de medische verklaringen, en de verklaring van [verweerster] ter zitting blijkt dat de mentale toestand van rechthebbende de afgelopen periode verder is verslechterd. Daarmee is voldoende gebleken dat rechthebbende niet in staat is haar mening met betrekking tot het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder kenbaar te maken.

* Wijziging bewindvoerder

5.10

Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

5.11

Het hof is van oordeel dat ten tijde van de procedure in eerste aanleg er geen sprake was van gewichtige redenen die op dat moment het ontslag van [verzoeker] rechtvaardigden.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de wijze van uitvoering van de taken als bewindvoerder door [verzoeker] de eerste jaren na zijn benoeming nooit tot problemen of bezwaren heeft geleid, ook niet aan de zijde van [verweerster] . [verweerster] heeft verklaard dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan nadat de broer van rechthebbende is overleden en zijn erfenis vrijkwam. Vervolgens zijn er in toenemende mate spanningen ontstaan tussen [verzoeker] en [verweerster] , omdat [verzoeker] de wensen van [verweerster] met betrekking tot de erfenis en ook met betrekking tot eventuele schenkingen van rechthebbende aan haar kinderen en de (ver)koop van een camper, niet wilde uitvoeren. [verzoeker] heeft in hoger beroep verklaard dat hij over deze zaken regelmatig heeft gecommuniceerd en overlegd met [verweerster] . [verzoeker] heeft naar aanleiding van de verzoeken van [verweerster] tweemaal (de eerste keer in verband met de kwestie rondom de erfenis en de tweede keer in verband met eventuele schenkingen) laten onderzoeken of rechthebbende wilsbekwaam was met betrekking tot die onderwerpen. Bij beide onderzoeken is geconcludeerd dat rechthebbende wilsonbekwaam is. Gelet op de voor bewindvoerders geldende richtlijnen en aanbevelingen kon [verzoeker] daarom geen gehoor geven aan de wensen van [verweerster] met betrekking tot de erfenis en schenkingen. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] telkens terecht heeft gehandeld conform de voor bewindvoerders geldende richtlijnen en aanbevelingen. Dat dit tot gevolg had dat [verzoeker] de wensen van [verweerster] niet kon uitvoeren en dat [verweerster] hierdoor geen vertrouwen meer heeft in [verzoeker] , maakt niet dat er sprake is van gewichtige redenen om [verzoeker] te ontslaan als bewindvoerder.

5.12

Ter zitting in hoger beroep is echter het volgende naar voren gekomen. Zowel [verzoeker] als [verweerster] heeft erkend dat het gelet op de ontstane huidige situatie wellicht beter is wanneer er een andere professionele bewindvoerder wordt benoemd. [verzoeker] heeft verklaard dat het hem vooral er om gaat dat [verweerster] niet de bewindvoerder van rechthebbende is, nu hij er geen vertrouwen in heeft dat zij de vermogensrechtelijke belangen van rechthebbende op een behoorlijke manier zal behartigen. [verweerster] heeft verklaard dat zij vooralsnog bewindvoerder wil blijven omdat zij voornemens is een procedure aanhangig te maken tot aansprakelijkstelling van [verzoeker] wegens slecht bewind, maar dat zij daarna geen bewindvoerder meer wil zijn, omdat zij geschrokken is van wat er op haar af is gekomen als bewindvoerder.

De omstandigheid dat [verweerster] nog een procedure tegen [verzoeker] wil voeren, is naar het oordeel van het hof geen reden om haar benoeming tot bewindvoerder gehandhaafd te houden.

Het hof neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat [verweerster] gelet op het bepaalde in artikel 1:435 lid 6 sub h BW niet tot bewindvoerder van rechthebbende kan worden benoemd, nu zij werkt bij de instelling waar rechthebbende wordt verzorgd of die aan rechthebbende begeleiding biedt. Dat zij op een andere afdeling zou werken, doet hieraan niet af. Het beroep van [verweerster] op de toelichting bij artikel 1:435 lid 6 sub g BW, waaruit volgens [verweerster] zou volgen dat zij wel kan worden benoemd, faalt nu in dit geval sub h van toepassing is en niet sub g. Dat [verweerster] tevens de dochter van rechthebbende is en in die hoedanigheid tot bewindvoerder benoemd wil worden, maakt bovenstaand oordeel niet anders.

5.13

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat er een andere professionele bewindvoerder moet worden benoemd. [verweerster] heeft (subsidiair) verzocht [G] Financieel Beheer in de persoon van mevr. [F] tot opvolgend bewindvoerder te benoemen. Het hof zal dit verzoek afwijzen. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] en [verweerster] van mening verschillen over de vraag in welke mate mevr. [F] de afgelopen periode reeds betrokken is geraakt bij deze zaak, haar opvatting kenbaar heeft gemaakt over hoe [verzoeker] anders had kunnen handelen en in hoeverre zij derhalve nog geheel objectief is. Het hof is van oordeel dat de vermogensrechtelijke belangen van rechthebbende het meest gewaarborgd zijn bij benoeming van een onafhankelijk en professioneel bewindvoerder die onafhankelijk en objectief de beslissingen kan nemen. Het hof zal dan ook overgaan tot benoeming van een andere professionele bewindvoerder. Het hof heeft contact opgenomen met [H] BV, kantoorhoudende te [I] , en deze heeft zich telefonisch bereid verklaard tot benoeming als bewindvoerder.

5.14

Op grond van het bovenstaande zal het hof met ingang van heden [verweerster] ontslaan als bewindvoerder van rechthebbende en [H] BV benoemen tot opvolgend bewindvoerder van rechthebbende.

6 De slotsom

In beide zaken

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met zaaknummer 200.259.027/01

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 maart 2019, en opnieuw beschikkende:

verleent [verzoeker] een machtiging tot het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 februari 2019;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met zaaknummer 200.255.033/01

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 februari 2019, voor zover daarbij [verweerster] tot bewindvoerder van rechthebbende is benoemd en voor zover het de periode vanaf heden betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

ontslaat [verweerster] met ingang van heden als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende;

benoemt met ingang van heden [H] BV [I]
tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan [H] BV zal toezenden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, I.A. Vermeulen en M.C. van Woudenberg, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 3 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.