Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.231.149/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

APV-overtreding: voertuig laten staan in park. Een bosrijke omgeving aan het water kan als (recreatie)park worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.231.149/01

CJIB-nummer

: 202396649

Uitspraak d.d.

: 6 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 november 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te Vlissingen.

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

de inleidende beschikking

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte de inleidende beschikking in stand heeft gelaten. Betrokkene blijft van mening dat er geen tekens zijn geplaatst waaruit blijkt dat er niet geparkeerd zou mogen worden op de desbetreffende plaats. Er stonden meerdere auto's geparkeerd, hetgeen getuigt van onduidelijkheid. De bebording is onjuist.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken.” Deze gedraging zou zijn verricht op 9 oktober 2016 om 15:11 uur op de Zwanenburgseweg te Vlissingen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . Op de inleidende beschikking is bij de gedraging de feitcode R 406 vermeld.

3. Aan de orde is de vraag of de locatie waar het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond als een park, plantsoen, of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook kan worden aangemerkt. Het daarin laten staan van een voertuig is namelijk strafbaar gesteld in artikel 5.10, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013.

4. Er bestaat geen wettelijke definitie van de hiervoor vermelde begrippen. Bij de bepaling of iets al dan niet als park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook kan worden aangemerkt, is doorslaggevend hoe het terrein zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.

5. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, verklaart in zijn proces-verbaal van 4 april 2017 onder meer het volgende. “Betrokkene is niet bekeurd op het verharde gedeelte langs de vijver, waar wel geparkeerd mag worden (zie foto 2), maar aan de andere kant van de vijver in het bosgedeelte (foto1). Op foto 1 en 3 is de scheiding van het verharde weggedeelte voor het verkeer en het onverharde pad door het bos te zien. Aan het begin van de Zwanenburgseweg (doodlopende weg) (foto 4) en na de afslag naar het parkeerterrein aan het begin van de weg (foto 6) staan ook nog borden E10 (E01). Het parkeren buiten de vakken is dus verboden. Het bos wordt door de gemeente onderhouden (…) Betrokkene is geverbaliseerd omdat hij met zijn voertuig het bos is ingereden en daar het voertuig geparkeerd heeft. Bijgevoegd de foto’s A,B en C die op het moment van overtreding zijn gemaakt.”

6. Op foto A, B en C is te zien dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd staat tussen bomen. Het voertuig staat met de voorzijde dichtbij een metalen hek met daarachter water. Op alle foto’s is een bosrijke omgeving te zien. Op foto 4 en 6 is te zien dat naast de verharde weg een bord E1 met daarboven het woord “zone” staat. Op foto 4 staan bij dat bord nog twee borden, die aangeven dat de doodlopende, verharde weg moet worden gevolgd om naar “Dos” en “Thermen (rest niet leesbaar)” te gaan. De gemachtigde noemt het gebied waar de auto van de betrokkene stond een recreatiegebied.

7. De Dikke Van Dale noemt als derde omschrijving van het begrip park ‘terrein bij of in een stad of dorp, dat is ingericht als publieke wandelplaats door beplanting met bomen en heesters’ en als vijfde omschrijving ‘terrein met bezienswaardigheden of attracties, ook als tweede lid in samenstellingen als de volgende, waarbij het eerste lid de functie noemt: recreatiepark.’

8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de plaats waar de auto van de betrokkene stond geparkeerd is aan te merken als een (recreatie)park, zodat kan worden vastgesteld dat de onder 2 genoemde gedraging is verricht.

9. Dat er meerdere auto’s geparkeerd zouden hebben gestaan, getuigt op zichzelf nog niet van een onduidelijke situatie. Dat klemt temeer nu de betrokkene om op de bewuste plek te komen ook borden E1 is gepasseerd. Bord E1 op zijn beurt verbiedt niet het parkeren op “andere weggedeelten” waar parkeren is toegestaan in de zin van artikel 65, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en 10, eerste lid, RVV 1990. Van een berm, waar hij dan wel zou mogen parkeren, is echter geen sprake. Dat er sprake is van onjuiste bebording, heeft de gemachtigde niet geadstrueerd.

de dwangsom

10. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om toewijzing van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep onbehandeld heeft gelaten. Hij verzoekt deze dwangsom ten bedrage van € 820,- alsnog vast te stellen, vermeerderd met rente.

11. Dit bezwaar treft geen doel. Uit artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alleen dan mede betrekking heeft op de hoogte (dan wel de verschuldigdheid) van een dwangsom, wanneer die wordt betwist.

De gemachtigde heeft in zijn brieven d.d. 22 juni 2017 en 23 oktober 2017, waarbij het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is ingesteld, respectievelijk de gronden van het beroep zijn aangevuld, niet verzocht om een door de officier van justitie te verbeuren dwangsom te bepalen. In de procedure bij de kantonrechter is de verschuldigdheid van een dwangsom geen onderwerp van geschil geworden. Dat brengt mee dat de kantonrechter niet was gehouden een dwangsom vast te stellen en dat de verschuldigdheid van een dwangsom in hoger beroep niet meer kan worden getoetst.

de proceskosten

12. Nu de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.