Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1939

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
200.273.437/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord. Art. 287a Fw. Prognoseakkoord aangeboden door ondernemer. Akkoord kent onduidelijkheden omtrent de inhoud van het akkoord, de wijze van afdragen en de controle op de nakoming van de verplichtingen. Onvoldoende komen vast te staan of dit aanbod het maximaal haalbare is waartoe schuldenaar in staat is en aanbod is onvoldoende duidelijk gedocumenteerd en onderbouwd. Schuldeisers hebben in redelijkheid hun instemming aan akkoord kunnen onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.273.437/01

(zaaknummer rechtbank 239998)

arrest van 5 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: verzoeker,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F. Douma-Jongsma, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1 Benthem Gratama Advocaten B.V.,

gevestigde te Zwolle,

hierna te noemen: Benthem Gratama,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [B] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde2],

3. Van der Steeg Vastgoed B.V.,

gevestigd te Kampen,

hierna te noemen: Van der Steeg,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: verweerders,

hierna gezamenlijk te noemen: geïntimeerden.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2020 is het verzoek van [appellant] om geïntimeerden te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldenregeling afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 3 februari 2020, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en te bepalen dat geïntimeerden alsnog wordt bevolen hun medewerking te verlenen aan de door [appellant] aangeboden schuldenregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 11 februari 2020 van mr. Douma-Jongsma. Van Benthem Gratama is een brief ontvangen van 10 februari 2020. Van Van der Steeg heeft het hof een brief van 24 februari 2020 ontvangen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.W. Hemmes (kantoorgenoot van
mr. Douma-Jongsma). Voorts is verschenen de heer [C] (hierna te noemen: [C] ), schuldhulpverlener bij [D] . Namens Benthem Gratama en Van der Steeg is - zoals op voorhand aangekondigd - niemand verschenen. [geïntimeerde2] is - hoewel behoorlijk opgeroepen - evenmin verschenen.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. [appellant] heeft 25 (concurrente) schuldeisers, Zijn schuldenlast bedraagt in totaal € 375.797,73. Deze schuldenlast bestaat onder meer uit een schuld aan Benthem Gratama van € 6.716,35,- (1,79% van de totale schuldenlast), een schuld aan [geïntimeerde2] van € 26.453,95 (7,04% van de totale schuldenlast) en een schuld aan Van der Steeg van € 11.139,65 (2,96% van de totale schuldenlast).

3.2

De aangeboden schuldenregeling van [appellant] houdt - op grond van hetgeen het beroepschrift daarover vermeldt - in dat hij drie jaar lang zijn maandelijkse afloscapaciteit zal sparen. Op basis van de huidige bedrijfsresultaten van [appellant] zullen de schuldeisers naar verwachting 11,43% van hun vordering uitgekeerd krijgen. Het betreft een prognoseakkoord, in die zin dat de afloscapaciteit jaarlijks wordt aangepast naar aanleiding van de resultaten van de onderneming. De aangeboden schuldenregeling kan als gevolg hiervan ook lager of hoger uitvallen.

3.3

Benthem Gratama, [geïntimeerde2] en Van der Steeg zijn niet akkoord gegaan met voormeld aanbod. Zij vertegenwoordigen 11,79% van de totale schuldenlast. Benthem Gratama en [geïntimeerde2] hebben aangegeven akkoord te kunnen gaan met betaling van 50% van hun vorderingen. Van der Steeg heeft aangevoerd niet te willen instemmen omdat zij het vertrouwen in [appellant] heeft verloren. De overige schuldeisers (88,21% van de totale schuldenlast) zijn wel akkoord gegaan met de aangeboden regeling.

Oordeel van de rechtbank

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en heeft hiertoe - kort gezegd - overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (financieel) het maximaal mogelijke aan de schuldeisers heeft aangeboden en dat geïntimeerden in redelijkheid tot weigering van instemming met de aangeboden schuldenregeling hebben kunnen komen.

Beroep van [appellant]

3.5

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het maximaal haalbare aan zijn schuldeisers heeft aangeboden. Het inkomen van [appellant] uit de eenmanszaak is variabel. Daarom is een prognoseakkoord aangeboden. Hierbij wordt jaarlijks, voorafgaand aan elk jaar een (realistische) berekening/inschatting van de afdracht gemaakt, die na het opmaken van de jaarrekening opnieuw wordt vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank er een verkeerde lezing van de jaarstukken van 2018 op nagehouden. Voorts heeft [appellant] geen inbare debiteurenportefeuille. Ten aanzien van de handel in bitcoins, merkt [appellant] op dat er hier - anders dan de rechtbank overweegt - slechts sprake was van een normaal ondernemersrisico. Daarbij zijn de schulden niet voortgekomen uit de handel in bitcoins, maar veroorzaakt door de wanprestatie van Mining Hardware.

Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geïntimeerden in redelijkheid tot weigering van hun instemming met het aanbod hebben kunnen komen. Bij het criterium op grond waarvan de rechtbank dit dient te beoordelen, heeft de rechtbank een onjuiste belangenafweging afgemaakt. [appellant] merkt hierbij - onder meer - op dat de schuldeisers bij een wettelijk schuldsaneringstraject of een faillissement geen beter perspectief hebben.

Oordeel van het hof

3.6

Op grond van artikel 287a lid 5 van de Faillissementswet (hierna: Fw) dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Het ligt op de weg van de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het aanbod heeft kunnen komen. In dit kader dient de schuldenaar - onder meer - aan te tonen dat dit aanbod het uiterste is waartoe hij in staat is. Ook dient het aangeboden akkoord duidelijk gedocumenteerd en met stukken onderbouwd te zijn.

3.7

Bij de beoordeling van de vraag of Benthem Gratama, [geïntimeerde2] en Van der Steeg in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling konden komen, moet eerst worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Het door [appellant] aan de schuldeisers aangeboden akkoord bevindt zich echter niet bij de overgelegde stukken, zodat het hof niet bekend is met de precieze inhoud ervan. Evenmin beschikt het hof over de brieven aan de schuldeisers waarin het akkoord is toegelicht. Het beroepschrift kent wel enige omschrijving van het akkoord, namelijk dat het een prognoseakkoord betreft waarbij [appellant] gedurende drie jaar zijn afloscapaciteit afdraagt aan zijn schuldeisers, waarbij wordt uitgegaan van een verwachte afloscapaciteit van circa € 1.300,- per maand. Dit bedrag is gebaseerd op de resultaten van het jaar 2018 en de voorlopige cijfers van het jaar 2019. De verwachte afloscapaciteit is afhankelijk van de resultaten van de onderneming van [appellant] , waarbij de mogelijkheid bestaat dat de afloscapaciteit aan het eind van ieder jaar ook lager of juist hoger kan uitvallen.

3.8

Het hof stelt vast dat de hoogte van het uit te keren bedrag aan de schuldeisers met het aangeboden prognoseakkoord niet is gegarandeerd. Ter zitting is de onzekerheid van de afloscapaciteit aan de orde gesteld. In dat verband hebben [C] - die het akkoord heeft opgesteld - en mr. Hemmes aangegeven dat er bij een lagere afloscapaciteit opnieuw instemming aan de schuldeisers zal moeten worden gevraagd. Indien de maandelijkse afloscapaciteit aan het eind van het jaar hoger blijkt te zijn dan de geschatte € 1.300,- per maand maar de aflossingsgelden onverhoopt niet meer beschikbaar mochten zijn, heeft [C] desgevraagd verklaard dat het akkoord dan wellicht met een aantal maanden moet worden verlengd.

3.9

De hiervoor onder 3.8 weergegeven toelichting die [C] en mr. Hemmes op het akkoord hebben gegeven, is niet verifieerbaar nu het akkoord zich niet bij de stukken bevindt. Bovendien is gesteld noch gebleken van waarborgen met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de inkomens- en vermogenspositie van [appellant] en de reservering van de voor de schuldeisers beschikbare gelden. Er vindt slechts een jaarlijkse berekening plaats.

3.10

Wat betreft de hoogte van het spaarbedrag, heeft [appellant] ook geen inzicht verstrekt in de onderliggende financiële bescheiden (de (jaar)cijfers van 2018 en 2019). Evenmin blijkt van enige controle op of verantwoording van [appellant] waar het betreft zijn plicht zich maximaal in te spannen om zoveel mogelijk inkomsten voor de schuldeisers te vergaren. In dit licht valt ook niet in te zien waarom geen minimaal aflossingsbedrag is aangeboden.

3.11

Nu het aangeboden akkoord zich niet bij de stukken bevindt en er onduidelijkheid bestaat over de inhoud van het akkoord, de wijze van afdragen en de controle op de nakoming van de verplichtingen door [appellant] , is onvoldoende komen vast te staan dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is waartoe [appellant] in staat is en is het akkoord onvoldoende duidelijk gedocumenteerd en onderbouwd. Het hof merkt hierbij op dat het akkoord dat [appellant] voor ogen heeft, alleen slaagt als hij continu het maximaal haalbare opzijzet voor zijn schuldeisers en dat hij gedurende dit proces zijn administratie continu monitort en ook laat monitoren. Onvoldoende is gebleken dat het akkoord een waarborg bevat dat door [appellant] aldus zal worden gehandeld.

Onder deze omstandigheden hebben geïntimeerden in redelijkheid hun instemming aan het akkoord kunnen onthouden.

Slotsom

3.12

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. I.F. Clement en mr. M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2020.