Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1905

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
21-001283-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:700
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1134
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering subsidiegelden door Statenlid. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank grotendeels, maar legt een zwaardere straf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001283-17

Uitspraak d.d.: 4 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2017 met parketnummer 18-730314-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 120 uur. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. D. Nieuwenhuis, naar voren is gebracht, alsmede op hetgeen namens de benadeelde partij door haar advocaat, mr. P. Koops, is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Verder is de vordering van de benadeelde partij integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting van het hof gepleit voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Nu een voormalig [partij] -statenlid in een soortgelijke kwestie niet is vervolgd, is de vervolging van verdachte in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus de raadsman.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Hij heeft erop gewezen dat de zaak die door de verdediging wordt aangehaald onvergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Anders dan verdachte heeft het [partij] -statenlid de onrechtmatigheid van haar handelen erkend en een terugbetalingsregeling getroffen met de provincie. In de onderhavige zaak zijn voorafgaand aan de beslissing om verdachte te vervolgen meerdere pogingen gedaan om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen. Pas nadat verdachte volhardde in zijn weigering om de door hem toegeëigende gelden terug te betalen, is besloten tot strafvervolging.

Het oordeel van het hof

Artikel 167 Sv bepaalt dat het openbaar ministerie kan vervolgen als het van oordeel is dat een ingesteld opsporingsonderzoek daar aanleiding toe geeft. Deze ruime discretionaire bevoegdheid wordt (mede) beperkt door de beginselen van een goede procesorde. Het gelijkheidsbeginsel waarop door de verdediging een beroep is gedaan, betreft één dezer beginselen.

Het hof stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een ander die een soortgelijk delict heeft begaan niet wordt vervolgd, niet met zich brengt dat de onderhavige vervolging per definitie in strijd zou zijn met beginselen van een goede procesorde. Daar komt nog bij dat de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak aanmerkelijk verschillen van de zaak waarnaar is verwezen, terwijl bovendien niet is gebleken dat in die zaak aangifte is gedaan of strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden op basis waarvan het openbaar ministerie tot vervolging had kunnen overgaan. In zoverre is de door de verdediging aangedragen zaak niet vergelijkbaar met de onderhavige en is mitsdien geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is, nu ook overigens niet is gebleken van vervolgingsbeletselen, ontvankelijk in de vervolging.

Bevestiging

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij betreft. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd en treedt dit arrest in de plaats van het vonnis. Voorts wordt het vonnis aangevuld met voormelde overwegingen op het verweer omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De raadsman heeft het hof gevraagd af te zien van het opleggen van een straf of maatregel, of anders te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf zoals door de rechtbank is opgelegd. In dat kader heeft de raadsman naar voren gebracht dat – kort gezegd – verdachte, meende in zijn recht te staan vanwege de (te) late uitkering van de subsidiebedragen.

Het hof stelt voorop dat de verdachte bij zijn aantreden als lid van de Provinciale Staten de eed c.q. belofte heeft afgelegd dat hij ‘de wetten’ zal nakomen. Dit brengt met zich dat van hem mocht worden verwacht dat hij de nodige prudentie aan de dag zou leggen inzake de naleving van de voor hem q.q. geldende rechtsregels waartoe uitdrukkelijk moet worden gerekend de in deze toepasselijke Verordening ondersteuning Statenfracties provincie Fryslân 2014. Voorts overweegt het hof het volgende.

Het standpunt van verdachte ontbeert naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte al op 30 april 2014, twee weken nadat hij het bankrekeningnummer van zijn pas opgerichte stichting doorgaf, is meegedeeld dat hem voorschotten van in totaal € 20.127,21 zouden worden uitbetaald, wat binnen vijf weken daarna ook daadwerkelijk is gebeurd. Op basis hiervan had verdachte fractiemedewerkers kunnen werven en inhuren. Overigens blijkt niet dat verdachte daartoe daadwerkelijk tijdig pogingen heeft ondernomen. Wat hier verder ook van zij, de Verordening ondersteuning Statenfracties provincie Fryslân 2014 verbiedt uitdrukkelijk dat statenleden hun ambt combineren met een functie als fractiemedewerker. In de toelichting op de Verordening is daarnaast nadrukkelijk gewezen op artikel 96, eerste lid, van de Provinciewet, waarin expliciet is uitgesloten dat statenleden enige andere vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie ontvangen dan de vergoedingen waarop zij als statenlid recht hebben. Daarbij wordt opgemerkt de zgn. doelbinding van het geld verband houdt met het uitgangspunt dat politieke partijen zich ter wille van de zuiverheid van de politiek geen bijdragen schenken. Het hof merkt op dat het belang van ‘de zuiverheid van de politiek’ nauwelijks kan worden overschat.

Resumerend, het betoog van de raadsman, dat als gezegd feitelijke grondslag mist, kan niet in matigende zin worden betrokken bij de straftoemeting.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan het verduisteren van als voorschot toegekende subsidiebedragen; opgeteld een bedrag van ruim zeventienduizend euro. Verdachte was ervan op de hoogte dat deze bedragen slechts mochten worden aangewend voor – kort gezegd – het inhuren van fractiemedewerkers, niet zijnde verdachte zelf, voor zijn Statenfractie. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden telkens, en zonder dat daadwerkelijk een fractiemedewerker werd ingehuurd, gelden naar zijn privérekening over te maken.

Verdachte heeft misbruik heeft gemaakt van publieke middelen, waarmee hij zijn eigen belangen gesteld heeft boven die van de samenleving. Het hof acht dit uiterst laakbaar, te meer nu verdachte als volksvertegenwoordiger een voorbeeldfunctie bekleedde. Het aanzien van de politiek en de overheid in het algemeen wordt ernstig geschaad wanneer personen in een publiek ambt frauderen en zichzelf met gemeenschapsgeld verrijken. Het achterwege laten van een straf of maatregel, zoals door de raadsman is voorgesteld, kan bij dergelijke ernstige feiten niet aan de orde zijn.

Het hof constateert dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder is veroordeeld. Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met het tijdsverloop en met de omstandigheid dat verdachte op dit moment kampt met serieuze gezondheidsproblemen. Daarnaast is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat verdachtes handelen weliswaar uitgesproken laakbaar was, maar dat dit meer moet worden toegeschreven aan zijn eigengereidheid dan aan bij hem bestaande, louter op zelfverrijking gerichte criminele intenties.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, in het bijzonder de ernst van het feit en de persoon van verdachte, is het hof van oordeel dat oplegging van een zwaardere straf passend en geboden is dan door de rechtbank is opgelegd, namelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij

Namens verdachte is het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij, de provincie Fryslân, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds bij onherroepelijke uitspraak heeft geoordeeld dat het besluit tot terugvordering rechtmatig is. Verdachte is op grond van die uitspraak reeds tot terugbetaling verplicht, zodat toewijzing van de vordering in deze procedure achterwege moet blijven, aldus de verdediging.

Het verweer miskent dat de uitspraak in de bestuursrechtelijke procedure geen executoriale titel oplevert voor terugvordering ten aanzien van verdachte, nu die procedure niet verdachte, maar de door hem opgerichte stichting betrof. Het bestuursrechtelijke traject staat gelet daarop niet in de weg aan toewijzing van de vordering binnen het strafproces. Het verweer op dit punt faalt.

De rechtbank heeft verdachte daarnaast op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij en deze kosten tot op de dag van het vonnis begroot op nihil. Het hof zal deze kosten opnieuw begroten, waarbij het hof anders dan is gevorderd, gelet op de hoogte van de vordering, voor de eerste aanleg aansluit bij de Liquidatietarieven Kanton 2019, te weten een bedrag van € 300,- per punt, en voor hoger beroep bij het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, categorie II, te weten een bedrag van € 543,- per punt. De voor vergoeding in aanmerking komende door de advocaat van de benadeelde partij verrichte proceshandelingen leiden in eerste aanleg tot 2 punten, namelijk voor het indienen van de vordering en het verschijnen ter zitting van de rechtbank en in hoger beroep tot 4 punten, namelijk het indienen van een nadere toelichting ten behoeve van de behandeling in hoger beroep en het verschijnen op de drie zittingen van het hof. De kosten van de benadeelde partij worden aldus begroot op € 2.772,- (2 x € 300 + 4 x € 543).

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij, de provincie Fryslân, integraal toegewezen, maar afgezien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Volgens vaste rechtspraak betekent de omstandigheid dat een benadeelde partij over eigen mogelijkheden beschikt om schulden te innen niet dat de schadevergoedingsmaatregel achterwege moet blijven. Anders dan de rechtbank ziet het hof wel aanleiding om aan verdachte in overeenstemming met artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Mede in het licht van verdachtes weigering tot nog toe om het zich toegeëigende bedrag terug te betalen, acht het hof oplegging van de maatregel geboden om te bevorderen dat de schade alsnog door verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft naast de in het bevestigde vonnis aangehaalde artikelen gelet op de artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Begroot de door de benadeelde partij Provincie Fryslân gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, waarin verdachte is veroordeeld, tot aan de datum van deze uitspraak op € 2.772,00 (tweeduizend zevenhonderdtweeënzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Provincie Fryslân, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 17.750,00 (zeventienduizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 123 (honderddrieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 oktober 2015.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 4 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.