Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1889

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
200.258.106/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, loonvordering op basis van geschonden cao-bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.258.106/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6856777)

arrest van 3 maart 2020

in de zaak van

TP B.V.,

gevestigd te Haastrecht,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: TP,

advocaat: mr. M.J.W. Hoek,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E. Visser.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

31 juli 2018 en 12 februari 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 maart 2019;

- de memorie van grieven van TP van 4 juni 2019, met producties;

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep, met wijziging van eis van [geïntimeerde] van 13 augustus 2019;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties, van TP van 22 oktober 2019.

2.2

[geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van de op de rol geboden gelegenheid nog te reageren op de laatste producties van TP. Partijen hebben de stukken gefourneerd voor arrest.

2.3

TP heeft, kort weergegeven, gevorderd het vonnis van 12 februari 2019 te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en hem te veroordelen tot restitutie van het op grond van dat vonnis betaalde bedrag van € 3.771,- netto, te vermeerderen met wettelijke rente, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met wettelijke rente en nakosten.

2.4

[geïntimeerde] heeft, zeer kort weergegeven, op onderdelen een hoger bedrag gevorderd dan de kantonrechter heeft toegewezen, aanspraak gemaakt op een hogere wettelijke verhoging en alsnog betaling gevorderd van buitengerechtelijke incassokosten, onder veroordeling van TP in de proceskosten met nakosten.

3 Waar gaat deze procedure over?

3.1

[geïntimeerde] is van 1 november 2016 tot 1 oktober 2017 in dienst geweest bij TP en heeft, via een detachering, gewerkt als (beginnend) pakketbezorger bij een zusterbedrijf van TP. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing. Deze cao heeft een standaardkarakter, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst was de cao, die liep tot en met 2016, ook algemeen verbindend verklaard. Vanaf 1 januari 2017 werd een nieuwe cao van toepassing die op de hierna te bespreken onderdelen vrijwel gelijkluidend is aan de vorige cao.

3.2

In de arbeidsovereenkomst staat dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een 40-urige werkweek heeft van dinsdag tot en met zaterdag, zonder recht op toeslag. Voor uren boven de 40 geldt een toeslag van 30% op het uurloon. Daarnaast is [geïntimeerde] op verzoek van TP tenminste één maandag per maand beschikbaar voor werk, bovenop de normale arbeidsduur van 40 uur per week, waarbij het uurloon verschuldigd is met een toeslag van 30%.

3.3

De cao bepaalt in artikel 33 dat voor diensturen op zaterdag een toeslag van 50% op het uurloon verschuldigd is. Overuren zijn volgens artikel 27 van de cao uren die niet liggen op zaterdag en/of zondag en waarmee de diensttijd van 40 uur per week wordt overschreden. Die overuren worden vergoed met een toeslag van 30% op het uurloon. Dat staat in artikel 29 van de cao.

3.4

Omdat TP ondanks herhaald verzoek het salaris over september 2017 niet betaalde, heeft [geïntimeerde] een advocaat ingeschakeld. Daarna doken ook andere punten van geschil op die verband houden met de financiële afwikkeling van de arbeidsrelatie.

De kantonrechter heeft de diverse geschilpunten beoordeeld. In hoger beroep zijn een paar daarvan niet meer aan de orde. De posten waarover het hof nog wel moet oordelen zijn:

- de hoogte van de zaterdagtoeslag en het aantal uren (grief 1 van TP en grief A van [geïntimeerde] );

- het aantal overuren (grief 2 van TP);

- de berekening van het loon tijdens arbeidsongeschiktheid (grief 3 van TP en grief B van [geïntimeerde] );

- het aantal vakantie-uren (grief 4 van TP);

- de wettelijke verhoging (grief C van [geïntimeerde] );

- de buitengerechtelijke kosten (grief D van [geïntimeerde] ).

Het hof zal die posten hierna bespreken.

4 Hoogte zaterdagtoeslag en aantal uren op zaterdag

4.1

De kantonrechter heeft de afspraak in de arbeidsovereenkomst dat geen toeslag verschuldigd is over op zaterdag gewerkte uren nietig geoordeeld wegens strijd met de (algemeen verbindend verklaarde) cao.

TP betwist in hoger beroep niet meer dat zij voor op zaterdag gewerkte uren een toeslag van 50% moet betalen op het uurloon. Toch vindt zij dat het bedrag dat de kantonrechter daarvoor heeft toegewezen, door [geïntimeerde] terugbetaald moet worden. [geïntimeerde] daarentegen vindt dat hij voor op zaterdag gewerkte uren, bovenop het loon dat hij al ontving voor 40 uur per week, recht heeft op 150%. Het hof zal deze stelling van [geïntimeerde] als eerste behandelen.

Zaterdaguur: 50% extra of 150% extra?

4.2

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat uit artikel 27 van de cao volgt dat de normale werkweek van maandag tot en met vrijdag loopt, zodat het loon dat over een week verschuldigd is niet ziet op zaterdaguren. Uit artikel 33 lid 1 van de cao leidt hij af dat hij recht heeft op separate uitbetaling van op zaterdag gewerkte uren tegen 150%.

Het hof volgt [geïntimeerde] daarin niet en legt hierna de aangehaalde bepalingen van de cao uit.

4.3

Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten CAO-norm (zie HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687). Die houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de hele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis. Het gaat dus niet om de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, als die niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer worden gelet op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. (Vgl. HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889).

4.4

Artikel 3 van de cao geeft enkele definities. Onder “week” wordt verstaan: de dagen van maandag tot en met zondag. Een “werkdag” is iedere dag van de week met uitzondering van zondagen, algemeen erkende christelijke en nationale feestdagen.

Artikel 27 lid 1 luidt:

Overuren zijn uren, niet liggend op zaterdag en/of zondag, waarmee de diensttijd van 40 uur in de week wordt overschreden.

Artikel 33 lid 1 luidt:

Alle diensturen op zaterdag worden vergoed door betaling van het uurloon vermeerderd met een toeslag van 50%.

Het hof ziet niet in dat uit de bewoordingen en het verband van deze bepalingen volgt dat een werkweek conform de cao de periode van maandag tot en met vrijdag omvat en niet, zoals hier, van dinsdag tot en met zaterdag kan duren, waarbij dan wel voor elk uur op zaterdag 150% in plaats van 100% van het uurloon betaald moet worden.

4.5

[geïntimeerde] voert ter onderbouwing van zijn andersluidende standpunt aan dat als de zaterdag tot de normale werkweek hoort, overuren op een zaterdag niet uitgekeerd hoeven te worden. Hij geeft daarbij als voorbeeld dat de werknemer van dinsdag tot en met vrijdag 32 uur werkt en op zaterdag 12 uur, in totaal dus 44 uur waarvan er 4 overwerk zijn. Die overuren krijgt hij dan (op grond van artikel 27 van de cao) niet uitbetaald. Daarmee wordt het voor werkgevers goedkoper om werknemers te laten overwerken op een zaterdag dan op een doordeweekse dag. Dat is niet een door de cao-partijen beoogd rechtsgevolg, aldus [geïntimeerde] .

Dit argument klopt echter niet. In het voorbeeld is de werkgever zonder de 4 extra uren op zaterdag loon verschuldigd voor 40 uur plus 8 x 50% zaterdagtoeslag, in totaal 44 uurlonen. Met de vier extra uren op zaterdag is hij 4 x 150% is 6 extra uurlonen verschuldigd, in totaal dus 50 uur. Zouden de overuren op doordeweekse dagen zijn gemaakt, dan zou de werkgever 40 uur moeten verlonen waarvan 8 met zaterdagtoeslag (weer 44 uurlonen), plus 4 overuren tegen 130%, ofwel 5,2 uren, samen 49,2 uurloon.

Voor de uitleg van de bewuste cao-bepalingen is voorts het standpunt van de door [geïntimeerde] aangehaalde belangenvereniging niet van belang (zie de aan te leggen toets onder 4.3), nog daargelaten dat uit de door [geïntimeerde] geciteerde zinnen niet blijkt dat die vereniging zijn standpunt onderschrijft.

Noch de tekst van de bewuste cao-bepalingen, noch de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen leidt tot de door [geïntimeerde] bepleite uitleg. Zijn stelling dat de manier waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan de cao aansluit bij zijn standpunt is op geen enkele manier onderbouwd.

Overigens berust de opvatting van [geïntimeerde] dat de kantonrechter zijn oordeel mede heeft gebaseerd op artikel 26b lid 5 van de cao, die pas vanaf 1 januari 2017 gold terwijl genoemd artikel bovendien pas in 2018 in werking zou treden, op een verkeerde lezing van het vonnis.

Grief A van [geïntimeerde] gaat niet op.

Aantal zaterdaguren

4.6

Tussen partijen staat vast dat er geen urenverantwoordingsstaten zijn over de periode van 1 november 2016 tot 1 mei 2017, hoewel de cao gebruik daarvan voorschrijft. Het ontbreken van die staten komt volgens de kantonrechter voor risico van TP.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg de door hem in 2017 op zaterdagen gewerkte uren berekend aan de hand van activiteitenrapporten over 2017 die TP hem van de kantonrechter moest verstrekken. De in 2016 op zaterdagen gewerkte uren heeft hij geschat. De kantonrechter heeft dat aantal uren overgenomen omdat TP dat aantal niet of onvoldoende gemotiveerd had betwist. Over die uren heeft de kantonrechter 50% van het uurloon toegewezen (tot 1 juli 2017 was het uurloon € 10,45 en daarna € 10,50), in totaal € 1.344,48 bruto.

4.7

In hoger beroep voert TP aan dat [geïntimeerde] bij zijn opstelling van in 2017 gewerkte uren geen rekening heeft gehouden met de volgens cao verplichte pauzetijden die niet vergoed worden. [geïntimeerde] betwist dit en verwijst daarvoor naar zijn conclusie van repliek, waarin hij inderdaad uitgaat van een netto tijd (na aftrek van pauzes) vermeerderd met de standaardopslag voor voorbereiding, aan- en afrijtijd en afhandeling.

Ook het hof gaat daarom uit van de berekende 174,4 uur op zaterdagen in de weken 1 en 14 tot en met 37 in 2017.

4.8

Wat de zaterdaguren in 2016 betreft, betoogt TP dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het risico van het ontbreken van urenverantwoordingsstaten en activiteitenrapporten over 2016 uitsluitend bij haar wordt neergelegd. [geïntimeerde] had de urenverantwoordingsstaten bij haar moeten inleveren maar heeft dat ondanks herhaald verzoek niet gedaan. TP heeft steeds de door [geïntimeerde] opgegeven uren betaald. Tegen de salarisspecificaties, waarop ook de toeslagen staan, heeft [geïntimeerde] toen hij nog in dienst was niet geprotesteerd.

Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat het aan TP als werkgever is om duidelijke instructies te geven aan [geïntimeerde] en op te treden wanneer instructies worden genegeerd. En verder kan [geïntimeerde] niet worden verweten dat hij niet doorhad dat zijn werkgever met hem een arbeidsovereenkomst had gesloten met bepalingen die in strijd waren met de (destijds zelfs algemeen verbindend verklaarde) cao, op basis waarvan ten onrechte geen zaterdagtoeslagen werden betaald. De specificaties geven slechts aan wat de werkgever heeft betaald of ingehouden, maar vormen geen bewijs van de juistheid van de onderliggende loonverplichtingen.

4.9

In hoger beroep heeft TP alsnog gegevens van PostNL gekregen over de periode november en december 2016. TP stelt dat daaruit blijkt dat [geïntimeerde] ten onrechte aanspraak maakt op 43,5 zaterdaguren in de weken 44 tot en met 47 en 52.

Die conclusie volgt echter niet uit de toelichting van TP, die slechts ziet op de weken 48 tot en met 51. Het aantal uren over de weken 44 tot en met 47 en 52 blijft daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook het hof gaat uit van de 43,5 uur waarover de kantonrechter de toeslag heeft toegewezen.

4.10

[geïntimeerde] had het aantal zaterdaguren in de weken 48 tot en met 51 in 2016 (dat is de periode waarin Sinterklaas en Kerst vallen), geschat op 39 waarbij hij uitging van vier gemiddelde werkdagen van 09:45 uur tot 21.00 uur. Dat kwam na aftrek van pauzes uit op 9,75 uur per dag. Het gaat dan om uren op 3, 10, 17 en 24 december.

TP heeft in hoger beroep als productie 2 dagplanningen over die dagen overgelegd waarop de tijdstippen staan waarop [geïntimeerde] bij de Leeuwarder vestiging van PostNL zijn dienst moest beginnen. Als productie 3 heeft zij stukken overgelegd, afkomstig van PostNL, waarop volgens haar ook het tijdstip staat waarop [geïntimeerde] op die dagen bij deze vestiging van PostNL is uitgecheckt. TP heeft toegelicht dat op dat uitcheckmoment de werkzaamheden zijn afgerond.

De gewerkte uren zijn volgens TP op basis van die gegevens:

datum aanvangstijdstip uitchecktijdstip uren na aftrek pauze

3/12 10:30 18:00:48 6:30

10/12 09:45 17:57:30 7:12:30

17/12 09:45 16:11:51 5:56:51

24/12 10:45 15:18:30 4:03:30

totaal 23:42:51

[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat hij minimaal een kwartier voor het aanvangstijdstip bij de vestiging van PostNL moest zijn, zodat dit bij de werktijd opgeteld moet worden. Verder trekt hij in twijfel of productie 3 wel van PostNL afkomstig is. Hij betwist dat PostNL de begin- en eindtijd van de werkzaamheden registreert. Dit bedrijf registreert alleen de momenten waarop pakjes worden afgeleverd. Op productie 3 staat daarom de laatste stop met het adres. Daarna moet nog het een en ander afgehandeld worden en daarom moet per dag rekening gehouden worden met de standaard afhandelingsuren van 1 uur en 25 minuten, zoals de kantonrechter ook heeft gedaan en waartegen geen grief is gericht, aldus [geïntimeerde] .

Het hof gaat ervan uit dat productie 3 afkomstig is van PostNL, gelet op de bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep gevoegde producties 7 en 8 waarover [geïntimeerde] zich kon uitlaten, wat hij niet heeft gedaan. Daarop staan, voor de geregistreerde tijden die TP uitchecktijdstippen noemt, verschillende adressen, zoals ‘Lwd Zuiderburen’ of ‘Dronrijp’. Dat duidt eerder op de door [geïntimeerde] beschreven werkwijze, die hij ook al in zijn conclusie van repliek onder nummer 2 heeft toegelicht. Anders dan bij de daar beschreven activiteitenrapporten begint de ‘stopwatch’ in de berekening van TP nu niet te lopen bij het eerste bezorgmoment, maar bij het ophalen van de pakketten die bezorgd moeten worden. Het hof volgt [geïntimeerde] in zijn betoog dat hij daar zeer tijdig moet zijn (dus iets eerder dan het precieze aanvangstijdstip). Voordat hij vervolgens naar de eerste stop gaat, zullen voorbereidende logistieke werkzaamheden nodig zijn. Na het bezorgen van het laatste pakket zal nog het een en ander moeten gebeuren. Het hof schat dat van de 1 uur en 20 minuten ‘opslagtijd’ in totaal gemiddeld 30 minuten per dag besteed worden aan het nawerk en ongeveer 10 minuten aan voorzorg om bij aanvang stipt op tijd de pakketten in ontvangst te kunnen nemen.

De door TP berekende uren worden daarom met 40 minuten per dag verhoogd, ofwel 2 uur en 40 minuten, waardoor gerekend moet worden met, afgerond, 26,5 zaterdaguren in plaats van 39 in de weken 48 tot en met 51 van 2016.

Conclusie in het geschil over de zaterdaguren

4.11

[geïntimeerde] heeft recht op betaling van de door de kantonrechter berekende zaterdagtoeslag verminderd met 12,5 uren (39 min 26,5) in december 2016, waardoor op het toegewezen bedrag van € 1.344,48 in mindering strekt 12,5 x 50% van € 10,45 is € 65,31 bruto. Toewijsbaar was dus € 1.279,17. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

Grief 1 van TP faalt grotendeels.

5 Het aantal overuren

5.1

De kantonrechter heeft TP veroordeeld tot betaling van 32 overuren die in de weken 48 tot en met 51 door [geïntimeerde] volgens zijn schatting zouden zijn gemaakt, bovenop de vier overuren die TP indertijd al had betaald.

TP betwist dat zij nog 32 overuren verschuldigd is onder verwijzing naar haar nieuwe, onder 4.10 besproken, producties 2 en 3 (haar eigen dagplanning en de informatie van PostNL).

[geïntimeerde] herhaalt het onder 4.10 weergeven verweer tegen deze producties. Verder betwist hij dat hij op maandag 12 december 2016 tot en met woensdag 14 december 2016 niet zou hebben gewerkt. Tot slot wijst hij erop dat, als hij in die week minder dan 40 uur zou hebben gewerkt, dat voor risico van TP komt.

5.2

Het hof verwijst naar wat onder 4.10 is overwogen en zal ook hier per dag 40 minuten optellen bij de door TP opgegeven uren. [geïntimeerde] heeft zijn stelling dat hij op 12 tot en met 14 december 2016 wel heeft gewerkt onvoldoende onderbouwd, zodat het hof die stelling passeert. Wel juist is zijn verweer dat het op grond van artikel 7:628 BW voor risico van TP komt indien hij in een week minder dan 40 uur is ingezet.

5.3

De werkduur in de bewuste weken is dan als volgt:

week datum werkduur volgens TP met 40 minuten erbij

48 maandag 28 november 2016 6:40 7:20

dinsdag 29 november 2016 9:11 9:51

woensdag 30 november 2016 8:36 9:16

donderdag 1 december 2016 7:11 7:51

vrijdag 2 december 2016 7:10 7:50

zaterdag 3 december 2016 6:30 7:10

totaal wk 48 49:18

49 maandag 5 december 2016 6:03:06 6:43:06

dinsdag 6 december 2016 7:04:13 7:44:13

woensdag 7 december 2016 8:14:58 8:54:58

donderdag 8 december 2016 7:03:08 7:43:08

vrijdag 9 december 2016 8:03:42 8:43:42

zaterdag 10 december 2016 7:12:30 7:52:30

totaal wk 49 47:40

50 maandag 12 december 2016 -

dinsdag 13 december 2016 -

woensdag 14 december 2016 -

donderdag 15 december 2016 6:08:19 6:48:19

vrijdag 16 december 2016 7:21:25 8:01:25

zaterdag 17 december 2016 5:56:51 6:36:51

totaal wk 50 21:27

51 maandag 19 december 2016 -

dinsdag 20 december 2016 7:08:23 7:48:23

woensdag 21 december 2016 8:29:47 9:09:47

donderdag 22 december 2016 6:46:16 7:26:16

vrijdag 23 december 2016 6:51:32 7:31:32

zaterdag 24 december 2016 4:03:30 4:43:30

totaal wk 51 36:39

Conclusie in het geschil over de overuren

5.4

Deze opstelling leidt tot 17 overuren (9:18 plus 7:40 van de weken 48 en 49), waarvan 4 al zijn betaald. Nog te betalen zijn daarom 13 uurlonen van € 10,45 bruto tegen 130%, ofwel € 176,61 bruto, in plaats van de 32 onbetaald gebleven overuren waarvan de kantonrechter is uitgegaan. Ook hier dient het te betalen bedrag te worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

Grief 2 van TP slaagt gedeeltelijk.

6 Loon tijdens arbeidsongeschiktheid

6.1

[geïntimeerde] is in de periode van 11 januari 2017 tot en met 28 maart 2017 arbeidsongeschikt geweest. Over die periode heeft hij recht op doorbetaling van zijn loon waarbij dient te worden uitgegaan van het gemiddelde loon in de tien weken voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid, dus vanaf week 44 in 2016 tot en met week 1 van 2017.

TP heeft gedurende de arbeidsongeschiktheid het loon betaald zonder de gemiddeld gemaakte overuren en zaterdagtoeslag in de voorafgaande tien weken mee te nemen.

De kantonrechter is over die tien weken uitgegaan van 36 overuren, ofwel 3,6 overuren per week tegen 130%, en 81,45 zaterdaguren, ofwel 8,15 uren x de zaterdagtoeslag van 50%.

6.2

[geïntimeerde] betoogt met grief B dat de kantonrechter voor de zaterdagen rekening had moeten houden met een extra loonaanspraak van 150%. Deze grief faalt, gelet op wat het hof hiervoor al onder 4.2 tot en met 4.5 heeft overwogen.

6.3

In haar grief 3 voert TP, weer met verwijzing naar de nieuwe producties 2 en 3, aan dat [geïntimeerde] in de weken 44 tot en met 1 geen 81,45 zaterdaguren heeft gewerkt en geen 36 overuren heeft gemaakt.

Deze grief slaagt in zoverre, dat hiervoor al is beslist dat uitgegaan moet worden van (de al betaalde) vier overuren en 13 nog te betalen overuren, dus 17 overuren. Dat zijn er 1,7 per week, tegen 130% van het uurloon van € 10,45 bruto.

Wat de zaterdaguren betreft gaat het hof over de weken 44 tot en met 52 in 2016 uit van de uren die onder 4.9 en 4.10 zijn bepaald op 43,5 en 26,5, samen 70 zaterdaguren. Over week 1 van 2017 is dat 6,2 uur (productie 25 bij conclusie van repliek). In totaal komt dat op 76,2 zaterdaguren, ofwel 7,62 uren x de zaterdagtoeslag van 50% van het uurloon van € 10,45 bruto.

Conclusie in het geschil over het loon tijdens arbeidsongeschiktheid

6.4

Het loon tijdens ziekte diende te worden verhoogd met de gemiddeld gemaakte overuren per week (1,7 x 130% x 10,45 is € 23,09) en de gemiddelde zaterdagtoeslag per week (7,62 x 50% x 10,45 is € 39,82), samen € 62,91 per week. Gedurende de zeven weken arbeidsongeschiktheid heeft [geïntimeerde] daarom nog recht op 7 x € 62,91 is € 440,37 bruto in plaats van de door de kantonrechter berekende € 640,22 bruto. Hierbij komt nog 8% vakantietoeslag

De grief van TP slaagt maar voor een klein deel en de grief van [geïntimeerde] faalt.

7 Het aantal vakantie-uren

7.1

[geïntimeerde] heeft vanaf 19 september 2017 tot het einde van de die maand, op welk moment de arbeidsovereenkomst eindigde, vakantie opgenomen. Dat zijn twee werkweken van dinsdag tot en met zaterdag, dus 80 uur.

Op de salarisspecificatie over september 2017 staat dat [geïntimeerde] 144 vakantie-uren had en in die maand nog 16 uur vakantie opbouwde. Volgens die specificatie heeft hij 61 uur vakantie opgenomen, zodat er nog 99 vakantie-uren over waren. In oktober 2017 heeft TP 19 vakantie-uren uitbetaald en het vakantiedagentegoed op 0 gesteld.

[geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op nog 80 uit te betalen vakantie-uren. Uit de urenverantwoordingsstaten blijkt dat hij in augustus 2017 geen vakantie heeft gehad, dus de 61 als vakantie genoteerde uren moeten volgens [geïntimeerde] dan zien op de vakantiedagen eind september 2017. TP heeft dat betwist.

De kantonrechter heeft het standpunt van [geïntimeerde] gevolgd en TP veroordeeld tot vergoeding van 80 niet uitbetaalde vakantie-uren. Hiertegen richt TP haar vierde grief.

7.2

Volgens TP zijn de 61 uur gedurende het dienstverband als verlof opgenomen. De in september 2017 openstaande 99 uur is voor 80 uur opgegaan aan vakantie in de laatste twee weken en de resterende 19 uur zijn uitbetaald.

[geïntimeerde] betwist dat hij voorafgaande aan 19 september 2017 verlof heeft genoten. Daarvan heeft TP geen bewijs overgelegd, aldus [geïntimeerde] .

7.3

[geïntimeerde] heeft echter als productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg diverse salarisspecificaties overgelegd waaruit blijkt hoe vanaf november 2016 het vakantiedagentegoed is opgebouwd en opgenomen. Zo vermeldt de loonstrook over december 2016 dat hij 16 vakantie-uren heeft opgenomen. De loonstrook over januari 2017 vermeldt ook 16 opgenomen vakantie-uren en die over april 2017 vermeldt 24 opgenomen vakantie-uren. Volgens de loonstrook over mei 2017 zijn 5 vakantie-uren opgenomen.

Dat maakt samen de 61 uren die [geïntimeerde] nu betwist te hebben opgenomen. Die betwisting is, in het licht van de loonstroken, onvoldoende gemotiveerd.

Het hof gaat uit van de duidelijke administratie via de salarisspecificaties.

Conclusie in het geschil over de openstaande vakantie-uren

7.4

De grief van TP is gegrond. De vordering van [geïntimeerde] wordt op dit onderdeel alsnog afgewezen.

8 De wettelijke verhoging

8.1

De kantonrechter heeft de wettelijke verhoging over de niet uitbetaalde zaterdagtoeslag, de overuren en het loon tijdens arbeidsongeschiktheid gematigd tot 5%, omdat [geïntimeerde] zijn werkgever hierop pas na afloop van de arbeidsovereenkomst heeft aangesproken.

8.2

Hoewel het hof het argument van de kantonrechter voor matiging begrijpt, ziet het hof in de omstandigheden van dit geval aanleiding om voor de gemiste zaterdagtoeslag geen matiging toe te passen. TP heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] waarin die toeslag, in strijd met de (algemeen verbindend verklaarde) cao, is ‘weggecontracteerd’. TP heeft als middellijk bestuurder [B] , die ook voorzitter is van de Belangenvereniging voor Pakket Distributie. Namens die vereniging heeft Post op 10 oktober 2017 (naar later is gebleken: vergeefs) dispensatie aangevraagd van diverse cao-verplichtingen, waaronder de betaling van de zaterdagtoeslag. Hoewel TP dus overduidelijk wist dat zij in strijd met de cao handelde, heeft zij het desondanks, en ook ondanks de sommatie van 2 maart 2018, op een procedure laten aankomen waarin zij een ander standpunt huldigde.

Het hof zal de wettelijke verhoging over de zaterdaguren dus stellen op 50% en de kantonrechter volgen voor zover het de overuren en de (daarop voortbouwende) aanvulling op loon tijdens arbeidsongeschiktheid betreft.

Conclusie in het geschil over de wettelijke verhoging

8.3

Grief C van [geïntimeerde] is gedeeltelijk gegrond.

9 Buitengerechtelijke kosten

9.1

[geïntimeerde] had in eerste aanleg verzuimd in zijn vordering de buitengerechtelijke incassokosten op te nemen, die hij wel had aangekondigd te vorderen. In incidenteel hoger beroep heeft hij dat met grief D hersteld een aanspraak gemaakt op een bedrag dat is gerelateerd aan de gevorderde hoofdsom inclusief 50% wettelijke verhoging.

9.2

Het hof zal de kosten toewijzen, berekend over het toe te wijzen bedrag.

10 De slotsom

10.1

De eindconclusie is dat grief 1 van TP grotendeels faalt, de grieven 2 en 3 slechts gedeeltelijk slagen en dat grief 4 slaagt.

De grieven A en B van [geïntimeerde] zijn ongegrond. Zijn grieven C en D zijn (deels) gegrond.

10.2

In afwijking van het vonnis in eerste aanleg is TP verschuldigd:

 € 1.279,17 € 1.279,17 bruto zaterdagtoeslag, met 8% vakantietoeslag, 50% wettelijke verhoging

en wettelijke rente vanaf 1 maart 2018 tot voldoening;

  • -

    € 176,61 bruto overuren, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, 5% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 1 maart 2018 tot voldoening;

  • -

    € 440,37 bruto loon tijdens arbeidsongeschiktheid, met 8% vakantietoeslag, 5% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 1 maart 2018 tot voldoening;

terwijl de vordering wegens niet genoten vakantie-uren alsnog wordt afgewezen.

Zoals onder 3.4 is aangegeven zijn niet alle beslissingen van de kantonrechter aan hoger beroep onderworpen. In eerste aanleg blijft TP de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De proceskostenveroordeling blijft daarom in stand.

10.3

In aanvulling is in hoger beroep aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar een bedrag van € 494,76 waarbij rekening is gehouden met wat in eerste aanleg onbetwist is toegewezen en met hetgeen in hoger beroep wordt toegewezen, inclusief vakantiegeld en wettelijke verhoging.

10.4

TP heeft in hoger beroep restitutie gevorderd van de € 3.771,- die zij op grond van het bestreden vonnis heeft betaald. Het hof zal de restitutievordering toewijzen, beperkt tot hetgeen zij met inachtneming van dit arrest teveel aan [geïntimeerde] mocht hebben betaald.

10.5

In hoger beroep worden de proceskosten gecompenseerd, zowel in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep.

11 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 12 februari 2019 voor zover het de beslissingen betreft onder 15.1, 15.2, 15.3, 15.5 en 15.11, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt TP tot betaling aan [geïntimeerde] van de volgende bedragen:

€ 1.279,17 bruto zaterdagtoeslag, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 50% wettelijke verhoging;

€ 176,61 bruto overuren, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 5% wettelijke verhoging;

€ 440,37 bruto loon tijdens arbeidsongeschiktheid, met 8% vakantietoeslag en 5% wettelijke verhoging;

een en ander met wettelijke rente vanaf 1 maart 2018 tot voldoening;

- veroordeelt TP tot betaling van € 494,76 buitengerechtelijke kosten;

- compenseert de proceskosten in zowel principaal als incidenteel hoger beroep;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot restitutie van hetgeen TP met inachtneming van dit arrest op grond van het bestreden vonnis teveel mocht hebben voldaan, met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot voldoening;

- verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. W.P.M. ter Berg en mr. W.F. Boele en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

3 maart 2020.