Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
200.236.265/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling leaseovereenkomst auto’s. Rechtsverwerking. Matiging boetebeding. Een “Aanhangsel” bij een mantelovereenkomst in combinatie met die mantelovereenkomst zelf levert per voertuig een zelfstandige overeenkomst op. Het enkele feit dat schades en kilometerkosten in het verleden werden verrekend met de leaseprijs voor een nieuw voertuig doet niet het recht verloren gaan betaling daarvan te vorderen indien geen nieuwe leaseovereenkomsten meer worden gesloten. Contractuele rente van 1,5% is boetebeding. Matiging van de boete is (slechts) mogelijk indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. Die situatie doet zich voor doordat het leasebedrijf de vorderingen vier jaar heeft laten liggen en (daardoor) de contractuele rente de hoofdsom (variërend van enigszins tot ruim) is gaan overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.265/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 3965291, 4354787, 4366828 en 4366842)

arrest van 3 maart 2020

in de zaak van

Jedi Lease B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Jedi,

advocaat: mr. H.H.M. Meijroos, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 Specialistische Reinigingstechnieken B.V.,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

niet verschenen,

hierna te noemen: SRT,

en

2 DW Facility Group B.V.,

gevestigd te Almere,

3. DWF Holding B.V.,

gevestigd te Almere,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: DWF c.s.,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 mei 2018 hier over.

1.2

Ter uitvoering daarvan is een comparitie van partijen gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens zijn de volgende stukken genomen:

- memorie van grieven (Jedi) in het principaal hoger beroep;

- memorie van antwoord (DWF c.s.) in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep (met producties);

- memorie van antwoord (Jedi) in het incidenteel hoger beroep (met producties);

- akte van Jedi (met producties) inzake SRT.

1.3

Vervolgens hebben Jedi en DWF c.s. de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Jedi heeft in het principaal hoger beroep gevorderd:

- het vonnis van 16 november 2016 (verder: het tussenvonnis) aan te vullen met vaststaande feiten;

- het vonnis van 15 november 2017 (verder: het eindvonnis) te vernietigen en alsnog

a. DW Facility Group B.V. te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 12.671,71 met rente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.900,76;

b. SRT te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 9.223,33 met rente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.383,50;

c. DWF Holding B.V. te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 6.933,97 met rente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.040,10;

een en ander met veroordeling van alle geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

1.5

DWF c.s. hebben in het incidenteel hoger beroep gevorderd het tussenvonnis en het eindvonnis te vernietigen en Jedi te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen ter uitvoering van die vonnissen door DWF c.s. aan Jedi is betaald, met veroordeling van Jedi in de kosten van beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

De feiten zijn als volgt.

2.2

In deze procedure zijn de volgende vennootschappen betrokken:

DW Facility Groep B.V.

Deze vennootschap heeft voortgezet de onderneming van Schoonmaakbedrijf Dohmen B.V. (verder: Dohmen) en is de rechtsopvolgster van De Werven Schoonmaak B.V. (De Werven)


DWF Holding B.V. (verder: Holding)

Deze vennootschap was voorheen genaamd DW Facility Group B.V. (verder: Facility)

2.3

Op 25 mei 2006 is een "MANTEL LEASE-OVEREENKOMST" (verder: de mantelovereenkomst) gesloten tussen "Autobedrijf Jedi B.V. e.o. Jedi Lease B.V." als lessor en Dohmen als lessee. In die mantelovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

" Algemeen

Artikel 1

Lessor verhuurt aan lessee, gelijk deze huurt van lessor, de nieuwe auto('s), zoals nader

omschreven in het/de door partijen getekende en/of te tekenen aanhangsel(s), waarin

tevens zijn opgenomen de financiële voorwaarden op basis waarvan verhuur plaatsvindt.

Deze aanhangsels vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.

Ter zake van de in de toekomst te verhuren auto('s) zal van het bestaan van de verhuur en

huur voldoende blijken uit (een) aanhangsels) als hiervoor bedoeld en waarin verwezen

wordt naar deze overeenkomst.

(…)

Betaling

Artikel 3

De maandelijkse huurprijs, zoals deze is bepaald in het voor de betreffende auto opgemaakte aanhangsel, is bij vooruitbetaling door lessee zonder korting of compensatie verschuldigd. De eerste betaling van de huurprijs zal dienen plaats te vinden aan lessor bij aflevering van de auto('s), terwijl betaling van de volgende huurtermijnen dient plaats te vinden telkens één maand na de voorafgaande vervaldag.

(…)

Het feit, dat een auto om enigerlei reden niet kan worden gebruikt, heeft geen invloed op de

betalingsverplichtingen van lessee jegens lessor.

Bij betaling na de vervaldag is lessor gerechtigd over het niet op tijd betaalde bedrag een rente van 1,5% per maand in rekening te brengen, gerekend van de vervaldag tot de dag

van betaling.

Bovendien is lessor bij overschrijding van een betalingstermijn gerechtigd 15%, met een

minimum van € 40, -- van het niet betaalde bedrag, wegens incassokosten in rekening te

brengen.

(…)

Huurprijs

Artikel 4

De maandelijkse huurprijs is gebaseerd op het door lessee opgegeven geraamd jaarverbruik

van het te verrijden aantal kilometers, zoals vastgelegd in het betreffende aanhangsel. Indien het aantal gereden kilometers per jaar het opgegeven geraamd jaarverbruik overtreft, dan is lessee boven de overeengekomen maandelijkse huurprijs, per meer gereden kilometer verschuldigd als in het betreffende aanhangsel vastgelegd. De betaling voor deze meer gereden kilometers dient te geschieden uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de betreffende nota. Het bepaalde omtrent de betaling van de maandelijkse huurprijs in artikel 3 is ook op de betaling van de meer gereden kilometers van toepassing. Lessee verplicht zich tot medewerking aan controle op het aantal verreden kilometers. Lessee is verplicht de van lessor ontvangen kilometeropgave-vermelding, bevattende verzoek om inlichtingen, naar waarheid ingevuld en ondertekend en binnen 10 dagen na ontvangst aan lessor te retourneren. Indien na controle blijkt, dat meer of minder kilometers zijn gereden dan het geraamd jaarverbruik, dan zal, voor zover deze meer of minder gereden kilometers minder dan 10% bedragen, een vergoeding plaatsvinden tegen het tarief, genoemd in het betreffende

aanhangsel. Wanneer dit meer of minder verbruik meer dan 10% van het geraamd jaar

kilometrage bedraagt, stelt lessor eenzijdig naar zijn geldende normen een herberekening

op. Het door lessee te veel of te weinig betaalde worden verrekend met de toekomstige

leasetermijnen. Lessor is eveneens tot verrekening gerechtigd bij inlevering door de lessee

van de desbetreffende auto.

Artikel 5

In de maandelijkse prijs zijn de volgende kosten ten laste van lessor begrepen:

(…)

C. reparaties, die naar het oordeel van lessor noodzakelijk zijn, tenzij het reparaties

betreffen van schade, ontstaan door nalatigheid of ondeskundig gebruik van de

auto('s) door lessee en/of diegene(n), die de betreffende auto('s) berijd(t) (en);

(…)

Voor rekening van lessee zijn alle andere kosten waaronder begrepen:

(…)

2. de gevolgen van schade als bedoeld in het onder c. genoemde uitzonderingsgeval;

(…)"

2.4

Voor iedere door DWF c.s. en SRT geleasede auto werd een zogenoemde "Aanhangsel Lease-overeenkomst" (zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1 van de hiervoor genoemde mantelovereenkomst met Dohmen) opgemaakt met daarin de specificaties van het voertuig in kwestie alsmede aanvangsdatum huur, jaarverbruik, huurprijs, kilometerprijs (meer- en minderkilometers) en eigen risico.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Jedi heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd de (rechtsvoorgangers van) DWF c.s. en SRT te veroordelen tot betaling van hoofdsommen van € 8.668,07 (Schoonmaakbedrijf Dohmen B.V.), € 7.913,37 (De Werven Schoonmaak B.V.), € 7.466,34 (SRT) en € 6.631,34 (DW Facility Group B.V.), vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en de werkelijke proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij eindvonnis de vorderingen toegewezen tot de volgende bedragen:

- DW Facility Group B.V.: een hoofdsom van € 6.821,17, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.023,17 en proceskosten;

- De Werven Schoonmaak B.V.: een hoofdsom van € 5.707,02, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten ad € 856,03 en proceskosten;

- SRT: een hoofdsom van € 8.948,11, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.342,20 en proceskosten;

- Schoonmaakbedrijf Dohmen B.V.: een hoofdsom van € 4.524,75, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten ad € 678,71 en proceskosten.

Voor het overige zijn de vorderingen van Jedi afgewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Wijziging van eis

4.1

De bedragen die Jedi in hoger beroep van DWF c.s. vordert zijn anders dan die welke zij in eerste aanleg vorderde. Voor zover sprake is van een wijziging en/of vermeerdering van eis geldt dat daartegen door DWF c.s. geen bezwaar is gemaakt. De wijziging is ook niet in strijd met de goede procesorde. Zij is kenbaar gemaakt bij het eerste processtuk in hoger beroep en DWF c.s. zijn dan ook niet onredelijk geschaad in hun mogelijkheden om verweer te voeren. Jegens DWF c.s. wordt daarom recht gedaan op de gewijzigde en/of vermeerderde eis.

4.2

De eis tegen SRT is bij memorie van grieven vermeerderd. Nu SRT in het geding niet is verschenen, is een (niet reeds in het appelexploot opgenomen) vermeerdering van eis uitgesloten, tenzij die vermeerdering van eis bij exploot tijdig is bekend gemaakt aan SRT (artikel 130 lid 3 Rv). Dat exploot moet voldoen aan de eisen van artikel 120 lid 3 Rv, dat wil zeggen dat de voor dagvaarding voorgeschreven termijn daarbij in acht moeten worden genomen. Jedi heeft, zo blijkt uit de door haar genomen akte met bijlagen van 30 juli 2019, de vermeerdering van eis op 23 juli 2019 laten betekenen aan SRT. In zoverre is voldaan aan het voorschrift van artikel 130 lid 3 Rv.

4.3

Van oproeping van SRT tegen een bepaalde rechtsdag blijkt daaruit echter niet. In zoverre is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 120 lid 3 Rv dat de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht moet worden genomen. Die tekortkoming leent zich in beginsel voor herstel door aan Jedi een termijn te gunnen om SRT alsnog op te roepen tegen de datum waarop de zaak weer op de rol staat. Een goede procesorde staat daaraan echter in de weg nu Jedi de vermeerdering van eis pas heeft doen betekenen nadat de conclusiewisseling in hoger beroep had plaats gevonden en de procedure, indien alsnog oproeping van SRT zou mogen plaats vinden, mede daardoor onredelijk vertraagd wordt. Jegens SRT wordt daarom recht gedaan op basis van de in eerste aanleg ingestelde eis.

De grieven

4.4

In het principaal hoger beroep heeft Jedi zeven grieven ontwikkeld, genummerd 1 tot en met 7.

4.5

DWF c.s. hebben in het incidenteel hoger beroep 23 (met Romeinse cijfers aangeduide) grieven ontwikkeld. Daarbij is sprake van twee grieven die het nummer "XXII" hebben. Dat is kennelijk een vergissing. De laatste van die twee (inzake de proceskostenveroordeling) wordt daarom door het hof aangeduid als grief "XXIII".

4.6

DWF c.s. hebben in de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep (randnummer 50 tot en met 58) aandacht besteed aan grieven VIII, IX en X van Jedi. Jedi heeft echter geen grieven VIII, IX en X ontwikkeld. Het hof zal de opmerkingen van DWF c.s. daarom, voor zover nodig, betrekken bij de beoordeling van de wél ontwikkelde zeven grieven van Jedi en de grieven van DWF c.s. zelf in incidenteel hoger beroep.

4.7

Het incidenteel hoger beroep heeft de verste strekking. Dat zal daarom als eerste worden behandeld. Waar grieven in het principaal en/of incidenteel hoger beroep samenhangen worden deze gelijktijdig behandeld.

Incidenteel hoger beroep

Grieven II en X: overeenkomst De Werven

4.8

De kantonrechter heeft, samengevat, in rechtsoverweging 3.6.1. van het tussenvonnis het volgende overwogen. Tussen Autobedrijf Jedi Almere B.V. en De Werven is op 1 juni 2001 een mantelovereenkomst tot stand gekomen. Jedi heeft gesteld dat zij medio 2005 in de plaats is gekomen van Autobedrijf Jedi Almere B.V. Een akte contractovername als bedoeld in artikel 6:159 BW is niet overgelegd. In de zogenaamde "Aanhangsels" bij de leaseovereenkomst is echter telkens verwezen naar de mantelovereenkomst van 1 juni 2001. Dat kan niets anders betekenen dan dat partijen het oog hebben gehad op de mantelovereenkomst van die datum tussen Autobedrijf Jedi Almere B.V. en De Werven. Zij hebben aldus die mantelovereenkomst van toepassing verklaard op hun contractuele relatie, vastgelegd in de "Aanhangsels", die als zelfstandige uitvoeringsovereenkomsten zijn aan te merken. In rechtsoverweging 3.3. van het eindvonnis van 15 november 2017 is de kantonrechter bij dat oordeel gebleven.

4.9

DWF c.s. komen in de grieven II en X op tegen dit oordeel. Zij voeren aan dat de kantonrechter feitelijk het Haviltexcriterium heeft toegepast, maar dat niet had mogen doen omdat artikel 6:159 BW als constitutief vereiste voor contractovername nu eenmaal een akte stelt. Een aanhangsel impliceert een toevoeging aan een bestaande overeenkomst, maar kan niet als een zelfstandige uitvoeringsovereenkomst worden aangemerkt.

4.10

Uit de zojuist weergegeven (samenvatting van) de overweging van de kantonrechter blijkt dat deze de overeenkomst tussen Jedi en De Werven heeft uitgelegd en op basis van de tekst van de "Aanhangsels" en de verwijzing daarin naar de overeenkomst van 1 juni 2001, in combinatie met de mantelovereenkomst tussen Autobedrijf Jedi Almere B.V. en De Werven, tot de conclusie is gekomen dat de bepalingen van die mantelovereenkomst deel uitmaken van de overeenkomst tussen Jedi en De Werven. Het al dan niet aanwezig zijn van een rechtsgeldige contractovername tussen Autobedrijf Jedi Almere B.V. en Jedi is geen bouwsteen in deze redenering van de kantonrechter. De tegen de rechtsgeldigheid van die contractovername gerichte grief II gaat kennelijk ervan uit dat dit anders is, maar berust dan op een verkeerde lezing van de overweging van de kantonrechter.

4.11

In de "Aanhangsels" zijn wederzijdse verplichtingen neergelegd inzake de leaseafspraken met betrekking tot het daarin telkens concreet genoemde voertuig. Verwezen is daarin telkens ook naar de overeenkomst van 1 juni 2001. DWF c.s. stellen slechts dat dit geheel niet een zelfstandige (uitvoerings)overeenkomst oplevert, maar die stelling is niet anders onderbouwd dan met de verwijzing naar het ontbreken van een akte contractovername. Die verwijzing is ontoereikend. Het moge zo zijn dat een dergelijke akte een constitutief vereiste is voor contractovername, een dergelijke akte was niet nodig voor het zelfstandig sluiten van een overeenkomst tussen De Werven en Jedi. De grieven falen.

Grief III: overeenkomst Facility

4.12

Het verweer dat met Autobedrijf Jedi B.V. (en niet met Jedi) een mantelovereenkomst is gesloten, hebben DWF c.s., aldus de kantonrechter in overweging 3.6.3. van het tussenvonnis, uitsluitend gevoerd met betrekking tot De Werven. Facility heeft, zo vervolgt de kantonrechter in die overweging, niet betwist dat tussen haar en Autobedrijf Jedi B.V. en/of Jedi een mantelovereenkomst is gesloten met een inhoud als die tussen Jedi en Dohmen/SRT.

4.13

DWF c.s. komen in hun grief III op tegen deze overweging met de stelling dat zij wel degelijk hebben betwist dat sprake is van een mantelovereenkomst tussen Autobedrijf Jedi Almere B.V. en/of Jedi.

4.14

In randnummer 7 van de akte van 11 mei 2016 van Jedi is gesteld dat met alle gedaagden (behalve De Werven) een mantelovereenkomst is gesloten tussen Autobedrijf Jedi BV e/o Jedi Lease B.V. In de antwoordakte van DWF c.s. van 8 juni 2016 is specifiek ingegaan op de (hiervoor in grief II behandelde) kwestie van de contractovername inzake De Werven. Voor het overige is geen gemotiveerd verweer gevoerd op het nu besproken punt. In hoger beroep wordt wel gesteld dat in eerste aanleg betwisting heeft plaats gevonden, maar onderbouwing daarvan ontbreekt. Evenmin is, alsnog, gemotiveerd betwist dat (ook) de mantelovereenkomst met Facility is gesloten door Autobedrijf Jedi B.V. e/o Jedi Lease B.V., derhalve (ook) Jedi. Grief III faalt.

Tussenconclusie

4.15

Gegeven het oordeel over de nu besproken grieven II, III en X en gelet op het feit dat overigens door DWF c.s. op dit punt in hoger beroep geen gemotiveerde stellingen zijn betrokken, geldt dat verder uitgangspunt voor beoordeling is dat tussen Jedi en DWF c.s. de mantelovereenkomst van toepassing is die (met betrekking tot Dohmen) in het geding is gebracht (zie hiervoor onder 2.3). Voor SRT geldt dat de mantelovereenkomst met haar tot de processtukken behoort en daarom uitgangspunt is voor beoordeling.

Grief IV: vernietiging artikel 3 en 4 mantelovereenkomst.

4.16

In rechtsoverweging 3.7. van het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat aan DWF c.s. en SRT geen beroep toekomt op het door hen gestelde onredelijk bezwarend karakter van artikel 3 en 4 van de mantelovereenkomst, omdat DWF c.s. en SRT niet hebben betwist dat de tot deze groep behorende vennootschappen rechtspersonen zijn als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW. Bovendien, aldus de kantonrechter, is het beroep op deze bepaling verjaard op grond van het bepaalde in artikel 6:235 lid 4 BW.

4.17

In grief IV komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij betogen dat SRT nooit meer dan vijftig personen in dienst heeft gehad en het aantal werkzame personen bij Facility veertien bedroeg. Van verjaring is volgens DWF c.s. evenmin sprake nu door Jedi voor het eerst in dit geding een beroep is gedaan op de artikelen 3 en 4 van de mantelovereenkomst.

4.18

SRT heeft in hoger beroep verstek laten gaan. Op basis van wat namens SRT in eerste aanleg naar voren is gebracht heeft de kantonrechter terecht geconcludeerd dat SRT niet heeft betwist dat zij een vennootschap is als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW.

4.19

Indien geen sprake is van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 sub a BW kan niettemin ook geen beroep gedaan worden op de vernietigingsgronden van de artikelen 6:233 en 6:234 BW indien ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vijftig of meer personen werkzaam waren in de rechtspersoon.

4.20

DWF c.s. hebben in hoger beroep een uittreksel uit het handelsregister overgelegd (productie 15 bij memorie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep). Dat uittreksel is gedateerd 19 maart 2019 en vermeldt als aantal werkzame personen veertien. De overeenkomst tussen Facility en Jedi is gesloten vóór 2010, in welk jaar de laatste lease-auto is geretourneerd. Het overgelegde uittreksel zegt derhalve niets over de situatie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Weliswaar is in hoger beroep derhalve sprake van een betwisting, maar deze moet op de aangegeven grond als onvoldoende gemotiveerd worden aangemerkt.

4.21

Bovendien slaagt het beroep verjaring. De termijn voor het inroepen van de nietigheid van een onredelijk bezwarend beding bedraagt drie jaren (artikel 3:52 lid 1 sub d BW) nadat een beroep op het beding is gedaan. Een sommatie (met daarin opgenomen de mede op toepasselijkheid van de artikelen 3 en 4 van de mantelovereenkomst gebaseerde vordering) is, onweersproken, verzonden op 29 december 2010. De termijn waarbinnen DWF c.s. een beroep op de nietigheid van het beding konden doen ving dus (in ieder geval) aan op 30 december 2010. DWF c.s. hebben niet gesteld binnen drie jaren daarna een beroep op verjaring te hebben gedaan. Grief IV faalt.

Grief I doorberekening schades en kilometerkosten

4.22

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.5. van het tussenvonnis overwogen dat DWF c.s. onvoldoende hebben onderbouwd op grond waarvan zij erop hebben mogen vertrouwen dat bij het einde van de leaseovereenkomsten in 2010 Jedi niet ook schades en kilometerkosten in rekening zou brengen.

4.23

In grief I komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij voeren aan dat DWF c.s. de gerechtvaardigde verwachting hadden en mochten hebben dat Jedi schade en kilometerkosten niet zou doorberekenen. Jedi heeft immers zelf verklaard dat schades en kilometerkosten waren verwerkt in leasetermijnen van opvolgende leaseauto's dan wel waren verdisconteerd in de overeenkomst tot vernieuwing van het wagenpark. Jedi wist bovendien ruimschoots voor de einddata van de leaseovereenkomsten van de beëindiging daarvan, maar desondanks heeft zij DWF c.s. niet laten weten schades en kilometerkosten door te berekenen. Zij heeft daarvan evenmin een afrekening gemaakt. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar een dergelijke afrekening alsnog te presenteren. Daarnaast is het, bij gebreke van verlenging van de leaseovereenkomst, voor rekening en risico van Jedi dat schades en kilometerkosten niet worden voldaan omdat nu eenmaal overeengekomen is dat zulks het geval is indien niet verlengd wordt.

4.24

In artikel 4 van de mantelovereenkomst is bepaald dat meer- of minderverbruik, indien dat meer of minder dan 10% van het geraamde jaarkilometrage bedraagt, verschuldigd is. Berekening van dat meer- of minderverbruik geschiedt door Jedi. Het door DWF c.s. te veel of te weinig betaalde wordt verrekend met de toekomstige leasetermijnen of bij inlevering van de desbetreffende auto.

4.25

De stellingen van DWF c.s. komen erop neer dat de mantelovereenkomst inhoudt dan wel de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid meebrengt dat schades en kilometerkosten niet meer verschuldigd zijn indien geen aansluitende leaseovereenkomst tot stand komt. Daarin kunnen DWF c.s. niet worden gevolgd. Uit het enkele feit dat artikel 4 van de mantelovereenkomst erin voorziet dat betaling van schades en kilometerkosten wordt verrekend met een aansluitende leaseovereenkomst kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat, indien een dergelijke aansluitende overeenkomst niet tot stand komt, van verschuldigdheid geen sprake meer is en/of de overeenkomst inhoudt dat die schades en kilometerkosten voor rekening en risico van Jedi zijn. Slechts verrekening in een nieuwe leaseprijs is dan niet meer mogelijk. Aanvullende feiten of omstandigheden op grond waarvan anders moet worden geoordeeld zijn niet gesteld. Grief I faalt.

Grief V contractuele rente over kilometerkosten

4.26

In rechtsoverweging 3.7.2. van het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat artikel 4 van de mantelovereenkomst bezwaarlijk anders valt uit te leggen dan in deze zin dat de daarin genoemde contractuele rente van 1,5% per maand ook van toepassing is op de extra kilometerkosten.

4.27

In grief V komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij betogen dat de herberekening van het aantal kilometers los staat van het separaat doorbelasten daarvan. In dat licht bezien is het niet logisch dat de contractsbepaling die ziet op contractuele rente over de facturen inzake leasetermijnen ook ziet op, afzonderlijke, facturen over extra kilometers. In de tekst van artikel 3 tot en met 5 van de mantelovereenkomst is daarvoor ook geen aanknopingspunt te vinden, aldus DWF c.s.

4.28

In artikel 3 van de mantelovereenkomst is bepaald dat bij niet tijdige betaling van de leaseprijs een rente verschuldigd is van 1,5% per maand. In artikel 4 is bepaald dat artikel 3 ook van toepassing is op de betaling van meer gereden kilometers. Anders dan DWF c.s. betogen biedt de mantelovereenkomst dus wel degelijk grondslag voor berekening van rente over extra kilometers. Voor zover de grief aldus moet worden begrepen dat rente over meer gereden kilometers slechts verschuldigd is indien de leasetermijn(en) en die meer gereden kilometers op één factuur in rekening worden gebracht geldt dat dit (daargelaten de vraag of het mogelijk is) niet staat in artikel 4 of artikel 3 van de mantelovereenkomst. Grief V faalt.

Grief VI onredelijk bezwarend karakter artikel 4 mantelovereenkomst

4.29

In grief VI betogen DWF c.s., naar het hof begrijpt, dat de kantonrechter heeft nagelaten hun stelling te beoordelen dat het beding van artikel 4 van de mantelovereenkomst (eenzijdige herberekening huurprijs bij meer- of minderkilometers) onredelijk bezwarend is. Bovendien betogen zij dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is minderkilometers te berekenen op basis van € 0,06 per kilometer, maar meerkilometers op basis van € 0,12 per kilometer.

4.30

Voor het gestelde onredelijk bezwarend karakter van artikel 4 van de mantelovereenkomst geldt hetzelfde als bij de beoordeling van grief IV reeds is opgemerkt. Op basis van wat namens SRT in eerste aanleg naar voren is gebracht heeft de kantonrechter terecht geconcludeerd dat SRT niet heeft betwist dat zij een vennootschap is als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW. Voor DWF c.s. geldt wat in rechtsoverweging 4.20 hiervoor staat. Daarbij komt het volgende. Jedi heeft niet betwist dat verschil bestaat tussen de prijs die is overeengekomen en dus berekend wordt voor minderkilometers (€ 0,06) en die voor meerkilometers (€ 0,12). Het enkele feit dat dit verschil bestaat, rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat het op basis daarvan factureren onredelijk bezwarend is. Daarvoor is nadere onderbouwing vereist. Die ontbreekt echter in de toelichting op de grief. Grief VI faalt.

Grief VII contractuele rente over eigen risico

4.31

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.7. van het eindvonnis overwogen dat "de contractuele rente niet van toepassing is bij de in rekening gebrachte schades".

4.32

DWF c.s. bestrijden dit oordeel in grief VII. Zij voeren aan dat in deze overweging ten onrechte besloten ligt dat de contractuele rente slechts niet verschuldigd is over schades die buiten de leaseprijs vallen. Daarmee is, aldus DWF c.s. impliciet geoordeeld dat wel contractuele rente verschuldigd is over het eigen risico.

4.33

Het hof kan DWF c.s. niet volgen in deze grief. Kennelijk is bedoeld te betogen dat ten onrechte contractuele rente is toegewezen over toegewezen eigen risicobedragen. De kantonrechter heeft blijkens het hiervoor opgenomen citaat uit het eindvonnis echter geen contractuele rente toegewezen over schades. De kantonrechter heeft het eigen risico aangemerkt als "schade". Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.6.5 van het eindvonnis inzake kenteken [00-YY-YY] . In het resumé van rechtsoverweging 3.8 van het eindvonnis heeft de kantonrechter vervolgens, conform dit uitgangspunt, de contractuele rente niet berekend over de schades, derhalve ook niet over het eigen risico. Over schades is de wettelijke rente berekend. Grief VII mist dan ook feitelijke grondslag en faalt daarom.

Grief VIII contractuele rente over kosten van ontstickeren

4.34

DWF c.s. stellen in grief VIII dat de kantonrechter in rechtsoverweging 3.8 van het eindvonnis heeft overwogen dat de contractuele rente ook verschuldigd is over de kosten van ontstickeren.

4.35

Onder verwijzing naar het bij grief VII gegeven oordeel geldt dat kosten van ontstickeren schade zijn en dat de kantonrechter blijkens rechtsoverweging 3.8 over schades niet de contractuele rente maar de wettelijke rente heeft toegewezen. Ook deze grief mist dus feitelijke grondslag.

Grief IX bindende eindbeslissing

4.36

In rechtsoverweging 3.11 van het tussenvonnis heeft de kantonrechter, na op diverse onderdelen beslissingen te hebben gegeven, overwogen dat partijen in het vervolg van de procedure ten aanzien van die punten geen nieuwe feiten en omstandigheden meer mogen aanvoeren, behoudens voor zover de jurisprudentie ruimte biedt om terug te komen op bindende eindbeslissingen.

4.37

In hun grief IX stellen DWF c.s. dat de kantonrechter het aldus ten onrechte heeft doen voorkomen dat sprake was van bindende eindbeslissingen. Het belang van DWF c.s. bij deze grief ontgaat het hof. DWF c.s. hebben immers niet gesteld op welke onderdelen de kantonrechter een in het tussenvonnis gegeven oordeel of bindende eindbeslissing heeft gehandhaafd - ondanks verzoek van DWF c.s. daarop terug te komen - met een beroep op de bestreden passage in het tussenvonnis. Grief IX faalt.

Grieven XI en XIV contractaanpassingen

4.38

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.5.1. van het eindvonnis het volgende overwogen:

"Jedi Lease heeft steeds bij overschrijding van het aantal kilometers aan de betreffende vennootschappen een contractaanpassing gestuurd, waarop is gespecificeerd de looptijd van het contract, het aantal kilometers dat is overeengekomen en het aantal kilometers dat is verreden, het nieuwe in rekening te brengen maandbedrag en de periode waarvoor de aanpassing met terugwerkende kracht heeft te gelden. Niet gesteld noch gebleken is dat door Groep c.s. op enig moment anders dan in deze procedure bezwaar is gemaakt tegen de (eenzijdige) contractaanpassing. Jedi Lease heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende inzicht gegeven in de door haar ten aanzien van de herberekening van het aantal te vergoeden (meer)kilometers in rekening gebrachte bedragen en daarmee haar vordering

voldoende onderbouwd."

4.39

In de grieven XI en XIV, zo begrijpt het hof, komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij betogen dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Jedi voldoende inzicht heeft gegeven in de herberekening van het aantal meerkilometers. Voor dat inzicht zijn onderliggende bescheiden, zoals grootboekkaarten, nodig, maar die ontbreken. Meerkilometers zijn bovendien in rekening gebracht waar dat aantal de 10%-grens niet overschreed.

4.40

DWF c.s. heeft niet betwist dat Jedi, zoals de kantonrechter heeft overwogen, steeds bij overschrijding van het aantal kilometers aan de betreffende vennootschappen een contractaanpassing heeft gestuurd, waarop is gespecificeerd de looptijd van het contract, het aantal kilometers dat is overeengekomen en het aantal kilometers dat is verreden, het nieuwe in rekening te brengen maandbedrag en de periode waarvoor de aanpassing met terugwerkende kracht heeft te gelden. Specifieke bezwaren tegen de door Jedi toegepaste en aan DWF c.s. dus bekende herberekening zijn door DWF c.s. niet aangevoerd. Van gemotiveerd verweer tegen de door Jedi verstrekte contractaanpassingen is in zoverre geen sprake. Ook overigens is daarvan geen sprake. De enkele opmerking dat DWF c.s. behoefte hebben aan nadere bescheiden, zoals grootboekkaarten, is daartoe onvoldoende nu DWF c.s. nalaten inzichtelijk te maken in welk opzicht daardoor meer duidelijkheid kan worden verkregen dan nu reeds via de contractaanpassingen is verstrekt. Ook de enkele opmerking dat Jedi meerkilometers in rekening heeft gebracht waar de 10%-grens niet was overschreden is niet geconcretiseerd. De grieven XI en XIV falen.

Grief XII beëindiging mantelovereenkomsten

4.41

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.5.4. van het eindvonnis het volgende overwogen:

"Partijen hebben geen inzicht gegeven op grond waarvan bepaalde leaseovereenkomsten voortijdig zijn beëindigd. Voor zover de beëindiging op initiatief van Groep c.s. is geschied geldt dat, hoewel in de Mantelovereenkomst daarover niet expliciet een regeling is

afgesproken, aansluiting dient te worden gezocht bij hetgeen is geregeld ten aanzien van beëindiging van de overeenkomst op initiatief van Jedi Lease."

4.42

In grief XII komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij voeren aan dat de mantelovereenkomst niet in alle gevallen van toepassing is. Ook wordt aangevoerd dat de situatie van artikel 15 van de mantelovereenkomst (de lessor haalt de auto terug) niet aan de orde is, terwijl ook geen sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van DWF c.s.

4.43

Hiervoor is (bij de grieven II en III) al geoordeeld dat de mantelovereenkomst alle contracten (mede) beheerst. De essentie van de overweging van de kantonrechter is voorts dat Jedi schade en kosten (als genoemd in artikel 15 van de mantelovereenkomst) in rekening mag brengen ook indien het initiatief tot beëindiging van het contract is uitgegaan van DWF c.s. Die essentie wordt in de toelichting op de grief niet bestreden. Grief XII faalt.

Grief XIII hergroeperen vordering

4.44

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.10 van het tussenvonnis Jedi verzocht haar vorderingen te hergroeperen per auto.

4.45

In grief XIII voeren DWF c.s. aan dat Jedi niet heeft voldaan aan deze in het tussenvonnis gegeven "instructie" tot hergroepering van haar vordering. Volgens DWF c.s. is nog steeds niet duidelijk hoe de vordering van Jedi per auto en per post is opgebouwd. Daarvoor is noodzakelijk dat inzicht wordt verkregen in alle boekingen, maar die boekingen ontbreken. De vorderingen van Jedi hadden reeds op deze grond moeten worden afgewezen.

4.46

Jedi heeft bij akte van 11 januari 2017 een hergroepering van haar vordering gepresenteerd. De kantonrechter is, op basis daarvan, in het eindvonnis vervolgens gedetailleerd ingegaan op de daarin opgenomen onderscheiden posten. Concrete onderbouwing van haar stelling dat die specificatie ontoereikend is en/of op welke onderdelen daartegen bezwaar bestaat ontbreekt. De grief is onvoldoende onderbouwd en faalt op die grond.

Grief XV gebruiksschade

4.47

In artikel 3.5.2 van het eindvonnis heeft de kantonrechter overwogen:

"Een redelijke uitleg van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding brengt met zich dat schade die ziet op gebruiksschade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 18 van de Mantelovereenkomst ligt het op de weg van Groep c.s. dit voldoende te onderbouwen. Waar nodig zal de kantonrechter de schade naar redelijkheid en billijkheid begroten."

4.48

Zoals bij de bespreking van de vorige grieven al regelmatig werd opgemerkt geldt ook hier dat concrete onderbouwing ontbreekt. DWF c.s. hebben het bestaan van schade erkend. Zij hebben echter niet concreet vermeld welke schadegevallen gebruiksschade betroffen. Dat mocht echter wel verwacht worden omdat de kantonrechter gedetailleerd is ingegaan (per auto) op, onder andere, de door Jedi gestelde schade en schaderapporten in het geding zijn gebracht. De grief is dan ook onvoldoende onderbouwd. Indien al juist zou zijn dat Jedi het bestaan van schade niet zijnde gebruiksschade moet bewijzen zou de grief evenmin slagen omdat niet concreet is aangegeven over welke schadegevallen dan anders geoordeeld moet worden dan de kantonrechter heeft gedaan. Voor een bewijsopdracht bestaat geen reden omdat het verweer van DWF c.s., zoals gezegd, onvoldoende onderbouwd is. Grief XV faalt.

Grief XVI stickers

4.49

In overweging 3.5.3. van het eindvonnis is geoordeeld dat de kosten van ontstickering voor rekening van DWF c.s. komen omdat in artikel 6 van de mantelovereenkomst is vermeld: "(..) De kosten van herstel en/of reparatie wegens zonder toestemming van lessor aangebrachte accessoires, trekhaken en reclamebeschilderingen komen voor rekening van lessee (..)”.

4.50

In grief XVI komen DWF c.s. op tegen dit oordeel op de grond dat stickers niet zijn aan te merken als "reclamebeschilderingen" of "accessoires" in de zin van genoemd artikel 6 van de mantelovereenkomst.

4.51

De strekking van artikel 6 van de mantelovereenkomst is onmiskenbaar dat de lessee de kosten van herstel of reparatie moet dragen van alles wat na aflevering van de auto aan haar op die auto is aangebracht, zoals stickers. De kosten van verwijdering van stickers zijn, eveneens onmiskenbaar, als "reparatie" aan te merken omdat het uiterlijk van de auto door het verwijderen van de stickers wordt teruggebracht in de oorspronkelijke toestand. Grief XVI faalt.

Grief XVII bespreking specificatie vordering

4.52

In rechtsoverweging 3.6 van het eindvonnis overweegt de kantonrechter het volgende:

"De kantonrechter hanteert met inachtneming van bovenstaande overwegingen daarbij de door Jedi Lease in het geding gebrachte specificatie naar vennootschap en kenteken van de geleasede auto’s. De kantonrechter beperkt zich tot uitsluitend bespreking van de door Groep c.s. betwiste bedragen en concludeert vervolgens, de specificatie volgend, wat verschuldigd is."

4.53

In grief XVII komen DWF c.s. op tegen deze overweging. Zij voeren aan dat de specificaties niet voldoen aan "de bewijsopdracht conform tussenvonnis". Om die reden resteert geen enkele afrekening meer volgens DWF c.s. Zij verwijzen daarbij naar de producties die zij hebben overgelegd bij hun akte van 8 maart 2017.

4.54

Dat Jedi niet heeft voldaan aan het, bij tussenvonnis gedane, verzoek tot hergroepering van de vordering is hiervoor bij grief XIII al besproken. Wat daar is overwogen geldt ook hier. De kantonrechter heeft, in het voetspoor van zijn (in het tussenvonnis gedane) verzoek aan Jedi tot hergroepering van de vordering, die opnieuw gegroepeerde vordering tot uitgangspunt genomen en die vervolgens gedetailleerd besproken. Kennelijk zijn DWF c.s. van oordeel dat die vordering voldoende is weersproken met de producties van de akte van 8 maart 2017. Iedere specificatie ontbreekt echter in de toelichting op de grief. Deze is daarom onvoldoende onderbouwd. Grief XVII faalt.

Grief XVIII vorderingen per auto

4.55

De kantonrechter heeft in de overwegingen 3.6.2 tot en met 3.6.14 van het eindvonnis de vorderingen van Jedi per auto besproken.

4.56

In grief XVIII voeren DWF c.s. aan dat geen van die vorderingen voldoende is onderbouwd en dat voor individuele weerspreking van de diverse posten geen aanleiding bestaat omdat DWF c.s. in eerdere grieven al bezwaren hebben ontwikkeld met betrekking tot de bij alle vorderingen terugkerende posten meer- en minderkilometers, schades en ontstickerkosten. Een behandeling per auto op basis van kenteken is volgens DWF c.s. daarom niet zinvol.

4.57

De eerdere grieven van DWF c.s. inzake meer- en minderkilometers, schades en ontstickerkosten zijn hiervoor beoordeeld. Die grieven slagen niet. Wat daartoe is overwogen geldt ook hier. Voor het overige geldt dat de nu besproken grief geen concrete bezwaren bevat tegen de per auto gegeven beoordeling van de kantonrechter. De grief is in zoverre onvoldoende onderbouwd. Grief XVIII faalt.

Grief XX contractuele rente naast wettelijke (handels)rente

4.58

In grief XX stellen DWF c.s. dat de kantonrechter contractuele rente (1,5% per maand, zijnde 18% per jaar) naast de wettelijke (handels)rente (volgens DWF c.s. 8% op jaarbasis) verschuldigd acht. Opgeteld levert dat op een rente van 26%. Dat is buitensporig.

4.59

Uit het staatje dat is opgenomen in rechtsoverweging 3.8 van het eindvonnis en het dictum van dat vonnis blijkt dat de kantonrechter over een deel van de hoofdsommen contractuele rente en over een ander deel wettelijke rente (niet: handelsrente) verschuldigd heeft geacht. Van een cumulatie van die twee is geen sprake. De grief berust dus op een verkeerde lezing van het vonnis en faalt om die reden.

Grief XXI rechtsverwerking en eigen schuld

4.60

In rechtsoverweging 3.5. van het tussenvonnis heeft de kantonrechter het beroep op rechtsverwerking van DWF c.s. verworpen.

4.61

In grief XXI betogen DWF c.s. dat de kantonrechter heeft nagelaten te responderen op hun verweer inzake rechtsverwerking. Ook betogen zij dat zij er niet op bedacht behoefden te zijn dat Jedi alsnog schades en kilometerkosten in rekening zou brengen. Daarnaast betogen zij dat de kantonrechter niet is ingegaan op de eigen schuld van Jedi door zo lang te wachten met onderbouwing van haar vordering. Om die reden is de matiging van de rente die de kantonrechter heeft toegepast onvoldoende.

4.62

Het eerste deel van de grief wordt weerlegd door het feit dat de kantonrechter in rechtsoverweging 3.5. van het tussenvonnis wél is ingegaan op het beroep op rechtsverwerking. In de grief en de toelichting daarop valt ook niet te lezen op welke gronden het door de kantonrechter gegeven oordeel onjuist zou zijn. Het enkele feit dat kennelijk bij het aangaan van nieuwe leaseovereenkomsten schades en kilometerkosten wel werden verrekend met de nieuwe leaseprijs is onvoldoende om daaruit te kunnen concluderen dat het recht verwerkt is die kosten te vorderen in een andere situatie, namelijk die waarin geen sprake was van een nieuwe leaseovereenkomst. Voor een verder gaande matiging van de rente dan de kantonrechter heeft gedaan (verschuldigdheid per datum dagvaarding) bestaat geen reden. Het is de keuze van DWF c.s. geweest om na 24 mei 2011 niets te doen hoewel zij zelf had aangekondigd met een betalingsvoorstel te komen. Daarbij komt dat Jedi in deze procedure dan weliswaar pas na het verzoek van de kantonrechter tot een overzichtelijke hergroepering van haar vordering is gekomen, maar gesteld noch gebleken is dat de documenten en bescheiden die aan die hergroepering ten grondslag zijn gelegd (overeenkomsten, facturen) niet al in 2010/2011 bekend waren bij DWF c.s. Als deze vragen hadden opgeleverd hadden deze door DWF c.s. dus gesteld kunnen worden. Grief XXI faalt.

Grief XXII buitengerechtelijke incassokosten

4.63

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.9 van het eindvonnis de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de hoofdsom toewijsbaar geoordeeld nu in artikel 3 van de mantelovereenkomst is bepaald dat die kosten verschuldigd zijn.

4.64

In grief XXII komen DWF c.s. op tegen dit oordeel. Zij betogen dat het bedrag van 15% te hoog is nu het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (verder: het Besluit) tot een lager bedrag leidt en aan dat Besluit reflexwerking toekomt. Daarnaast geldt dat Jedi geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ook heeft geen aanzegging van die kosten plaats gevonden. Tot slot geldt dat een eventuele aanzegging niet in het geding is gebracht, hoewel artikel 85 lid 1 Rv daartoe wel verplicht.

4.65

Voorop staat dat, gegeven de toepasselijkheid van de mantelovereenkomst, overeengekomen is dat aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is een bedrag gelijk aan 15% over de hoofdsom. Een dergelijk beding kan tussen zakelijke contractanten (zoals in dit geval) geldig worden overeengekomen (zie HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868). Kennelijk beogen DWF c.s. met de grief te bewerkstelligen dat de rechter gebruik maakt van zijn matigingsbevoegdheid ex artikel 242 Rv. Het enkele feit dat het Besluit tot een lager bedrag komt is onvoldoende. Een lagere Besluitvergoeding zou pas relevant zijn indien die vergoeding in geen enkele redelijke verhouding meer staat tot de bedongen vergoeding. Dat daarvan sprake is hebben DWF c.s. niet onderbouwd. Dat aanzegging van de buitengerechtelijke incassokosten vereist is in een situatie als deze (zakelijke contractanten) is voorts niet op de wet gebaseerd. Grief XXII faalt.

Principaal en incidenteel hoger beroep

Grieven 1 en 2 principaal hoger beroep en grief XIX incidenteel hoger beroep: rente

4.66

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.7 van het eindvonnis, samengevat, het volgende overwogen. DWF c.s. hebben tot hun verweer tegen de gevorderde contractuele rente ad 1,5 % per maand een beroep gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en op matiging. Op grond van artikel 6:94 BW is matiging mogelijk indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Daarvan is sprake omdat toewijzing van de contractuele rente tot een buitensporig resultaat leidt nu Jedi haar uit 2010 daterende vorderingen pas in 2015 aanhangig heeft gemaakt en voor dat tijdsverloop geen maatschappelijk aanvaardbare reden heeft gegeven.

4.67

Jedi bestrijdt deze overweging met haar grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep.

Zij voert daarin aan dat DWF c.s. eind 2010 gesommeerd zijn tot betaling, dat DWF c.s. op 24 mei 2011 hebben gevraagd om hun meer tijd te gunnen voor het doen van "aanvaardbare (financiële) voorstellen" en dat Jedi heeft gewacht op het afkomen van die voorstellen. Toen deze uiteindelijk niet kwamen is Jedi, om te voorkomen dat de vorderingen zouden verjaren, tot dagvaarding overgegaan. Volgens Jedi had de kantonrechter de feiten moeten aanvullen met deze gegevens. Bovendien is de kantonrechter buiten de rechtsstrijd getreden omdat DWF c.s. zich niet erop beroepen hebben dat toewijzing van de contractuele rente vanaf 45 dagen na factuurdatum tot een onbillijk resultaat leidt. Dat resultaat is ook niet onbillijk omdat nu eenmaal betaling van een rente van 1,5% per maand is overeengekomen en een dergelijke rente, hoewel misschien hoog, niet buitensporig genoemd kan worden.

4.68

DWF c.s. komen tegen de nu besproken overweging van de kantonrechter op met grief XIX in het incidenteel hoger beroep. Volgens DWF c.s. had de wettelijke (handels)rente ook niet mogen worden toegewezen per datum dagvaarding. Reden daarvoor is dat de vorderingen in de diverse dagvaardingen onvoldoende zijn onderbouwd. Zelfs nadat de kantonrechter om hergroepering van de vorderingen had verzocht was van voldoende onderbouwing nog geen sprake.

4.69

Grief XIX van DWF c.s. faalt. Van onvoldoende onderbouwd zijn van de vorderingen van Jedi is geen sprake. De eerdere grieven van DWF c.s. waarin hetzelfde betoogd wordt faalden. Op dezelfde gronden faalt ook deze grief.

4.70

In artikel 3 van de mantelovereenkomst is opgenomen dat Jedi gerechtigd is over het niet betaalde factuurbedrag een rente in rekening te brengen van 1,5% per maand gerekend vanaf de vervaldag tot de dag van betaling. De kantonrechter heeft deze renteclausule aangemerkt als een boetebeding. Artikel 6:91 BW bepaalt dat als boetebeding wordt aangemerkt ieder beding waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van een verbintenis tekort schiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot nakoming over te gaan. De renteclausule in de mantelovereenkomst is bestemd om in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet als bedoeld in artikel 6:119 of 6:119a BW en daarom aan te merken als een vorm van gefixeerde schadevergoeding, gesteld op vertraging in de nakoming van de verbintenis tot betaling. Aldus is sprake van een boetebeding.

4.71

Ingevolge artikel 6:94 BW kan de rechter de bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dat brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 en HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207).

4.72

DWF c.s. hebben matiging verzocht op de grond dat de vordering van Jedi van meet af aan onvoldoende gespecificeerd was. Ook hebben zij aangevoerd - en is de kantonrechter dus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden - dat de boete (contractuele rente) buitensporig ("excessief", zie antwoordakte van DWF c.s. van 17 maart 2017, randnummer 27) is, gegeven het feit dat Jedi de vordering lange tijd heeft laten rusten (zie akte DWF c.s. d.d. 3 februari 2016, randnummers 49 en 50). Dat laatste is ontegenzeggelijk waar. Nadat DWF c.s. op 24 mei 2011 tijd hadden gevraagd om een financieel voorstel te doen heeft Jedi de zaak laten rusten totdat in de onderscheiden zaken werd gedagvaard op 16 maart 2015 (Dohmen), 3 augustus 2015 (De Werven) en 7 augustus 2015 (SRT en Facility). Het gevolg van dit tijdsverloop is geweest dat de gevorderde rente de gevorderde hoofdsommen (variërend van enigszins tot ruim) is gaan overschrijden. Dat blijkt uit de volgende weergave van gevorderde hoofdsom en gevorderde contractuele rente, berekend tot en met

30 juni 2015:

Debiteur Hoofdsom Contractuele rente

Dohmen 8.668,07 9.030,01

Facility 6.631,34 10.428,28

SRT 7.466,34 9.827,01

De Werven 7.913,37 9.982,91

Jedi had haar vertragingsschade voorts kunnen en moeten beperken door binnen redelijke termijn na het uitblijven van betalingsvoorstellen van DWF c.s. tot dagvaarding over te gaan. Dat zij na het bericht van DWF c.s. van 24 mei 2011 nog even heeft gewacht op een betalingsvoorstel is wel begrijpelijk, maar een bijzondere reden om dat wachten te laten duren tot maart respectievelijk augustus 2015 is niet gegeven. Dit klemt in het bijzonder omdat de bedongen rente (volgens de rente-overzichten van Jedi zelf 19,56% op jaarbasis) hoog is te noemen. De marktrente op spaargeld of te lenen geld in 2011 was, dat is van algemene bekendheid, aanmerkelijk lager. De werkelijke geleden schade van Jedi is daarom aanmerkelijk lager geweest dan de boete in kwestie. De kantonrechter heeft de contractuele rente om die reden terecht gematigd in die zin dat deze pas verschuldigd is vanaf datum dagvaarding. De grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep falen.

Principaal hoger beroep

Grief 3: kenteken [01-XX-XX]

4.73

De kantonrechter heeft in het eindvonnis in rechtsoverweging 3.6.1 vastgesteld dat met betrekking tot het kenteken [01-XX-XX] sprake is van een creditpost "contractaanpassing km's" van € 476,48. In rechtsoverweging 3.6.2 heeft de kantonrechter overwogen dit door Jedi in credit gebrachte bedrag niet te kunnen herleiden. Om die reden is uitgegaan van het door DWF c.s. genoemde (hogere) creditbedrag van € 597,28.

4.74

In grief 3 komt Jedi op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat zij de post in kwestie heeft toegelicht in de producties bij de akte van 11 januari 2017. Contractueel was overeengekomen een jaarkilometrage van 35.000. Feitelijk is minder gereden, namelijk 32.644 kilometer. De oorspronkelijke leaseprijs was € 678,- (exclusief btw) per maand. De leaseprijs op basis van 32.644 kilometer bedroeg € 670,30 (exclusief btw). Het verschil correspondeert met de minder gereden kilometers. Uitgaande van een leasetermijn van 52 maanden leverde dat een creditpost op van € 484,48 (het aanvankelijk genoemde bedrag van € 476,48 is een vergissing).

4.75

In de toelichting op de grief neemt Jedi tot uitgangspunt dat sprake was van een afwijking van meer dan 10% van de overeengekomen jaarkilometrage en zij op die grond gerechtigd was tot herrekening van het leasebedrag. Dat uitgangspunt is onjuist. Ook Jedi gaat ervan uit dat feitelijk gereden zijn 32.644 kilometers. Dat is een afwijking van 6,73% ten opzichte van de overeengekomen jaarkilometrage van 35.000. Derhalve minder dan 10%. Het startpunt van de redenering van Jedi mist dus feitelijke grondslag. De op dat foute uitgangspunt gebaseerde (verdere) berekening kan om die reden niet voor juist gehouden worden. Grief 3 faalt.

Grief 4: kenteken [00-YY-YY]

4.76

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.6.5 van het eindvonnis op het gevorderde schadebedrag met betrekking tot kenteken [00-YY-YY] toegewezen het bedrag van € 227,- (eigen risico) en niet het volledige gevorderde bedrag van € 1.111,08.

4.77

In grief 4 komt Jedi op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat de inbraakschade niet bij haar gemeld is en dat zij die daarom niet bij haar verzekeraar heeft kunnen melden. Contractueel is DWF c.s. aansprakelijk, aldus Jedi, omdat zij heeft nagelaten Jedi in de gelegenheid te stellen een claim bij haar verzekeraar in te dienen.

4.78

Beide partijen gaan ervan uit dat het gevorderde bedrag betrekking heeft op inbraakschade. Niet in geschil is voorts dat Jedi tegen de gevolgen daarvan verzekerd is. Om aanspraak te kunnen maken op uitkering moet Jedi wel in staat zijn een melding bij haar verzekeraar te doen. Uit de door Jedi zelf overgelegde stukken blijkt dat de auto op

25 november 2010 door haar is ingenomen. Als schadeoorzaak is vermeld "390 inbraak/braak". Overgelegd is ook een Audatax-schaderapport met betrekking tot deze braakschade. Uit deze combinatie van stukken blijkt dat Jedi in ieder geval op 25 november 2010 op de hoogte was van de schade alsmede omvang en oorzaak daarvan. Zij had die dus toen kunnen melden bij haar verzekeraar, maar heeft dat kennelijk niet gedaan. Dat moet voor haar eigen rekening en risico blijven tenzij zou vast staan dat melding niet (alsnog) tot uitkering zou hebben geleid. Dat echter heeft Jedi niet betoogd. Grief 4 faalt.

Grief 5: kenteken [YY-YY-01] + verborgen grief over buitengerechtelijke incassokosten

4.79

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.6.5 van het eindvonnis overwogen dat de minder gereden kilometers niet zijn afgerekend op basis van het tarief van € 0,06 per kilometer, althans dat de kantonrechter niet in staat is het door Jedi opgevoerde creditbedrag van € 529,92 te herleiden.

4.80

In grief 5 komt Jedi op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat sprake is van meer dan 10% afwijking ten opzichte van de overeengekomen jaarkilometrage. Om die reden heeft zij het leasebedrag herrekend. Dat bedrag kwam € 8,63 lager uit. Uitgaande van de uiteindelijke looptijd van de overeenkomst van 51,6 maanden levert dat op een bedrag van € 529,92 inclusief btw.

4.81

Uit de als productie 9j bij akte van 11 januari 2017 door Jedi overgelegde stukken ("Aanhangsel" en "contractaanpassing") blijkt dat overeengekomen was een jaarkilometrage van 25.000 en dat herrekend is op basis van een jaarkilometrage van 21.550. Dat laatste is meer dan 10% van het overeengekomen aantal kilometers. Ingevolge artikel 3 van de mantelovereenkomst was Jedi in een dergelijk geval gerechtigd tot herrekening. Afrekening op basis van de prijs voor minderkilometers van € 0,06 (zoals in het Aanhangsel vermeld) was niet aan de orde omdat die wijze van afrekening slechts gold voor situaties waarin de afwijking ten opzichte van de jaarkilometrage minder dan 10% bedraagt. De wijze waarop de herrekening heeft plaats gevonden is vastgelegd in de "contractaanpassing": het oude leasebedrag (op basis van 25.000 kilometer) was € 461,31, het nieuwe (op basis van 21.550 kilometer) € 452,68, zijnde een verschil van € 8,63. Bij een looptijd van 51,6 maanden levert dat op een totaalbedrag van € 529,92 (inclusief btw). Dat en waarom deze herrekening niet klopt hebben DWF c.s. niet gemotiveerd aangevoerd. De grief is dus gegrond. Dat betekent dat ten aanzien van De Werven een bedrag van € 579,09 meer moet worden toegewezen dan door de kantonrechter is gedaan.

4.82

Gevolg van deze extra toewijzing is ook dat de buitengerechtelijke incassokosten (onderwerp van de als verborgen grief aan te duiden opmerkingen hierover in randnummer 35 van de memorie van grieven) moeten worden verhoogd met 15% over € 579,09, zijnde € 86,86.

Grief 6: kenteken [02-YY-XX]

4.83

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.6.8 van het eindvonnis de schadevordering van Jedi met betrekking tot het voertuig met kenteken [02-YY-XX] slechts toegewezen tot een bedrag van € 227,- aan eigen risico. Overwogen is dat niet onderbouwd is waarom zowel de volledige schade als het eigen risico verschuldigd is terwijl evenmin onderbouwd is dat de verzekeraar de schadeclaim heeft afgewezen.

4.84

In grief 6 komt Jedi op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat het gaat om twee schades, te weten van € 375,11 respectievelijk € 127,10 (totaal: € 502,21) en dat die bedragen samen met het eigen risico ad € 227,- toewijsbaar zijn. De kantonrechter heeft, aldus Jedi, over het hoofd gezien dat zij bewijs heeft aangeboden van haar stelling dat de schades door de verzekeraar zijn afgewezen.

4.85

Waarom naast het volledige schadebedrag ook nog eens het eigen risico verschuldigd is, heeft Jedi ook in hoger beroep niet onderbouwd. Evenmin voldoende onderbouwd is de stelling dat de schade van € 375,11 door de verzekeraar is afgewezen. Voorop staat dat niet in geschil is dat Jedi tegen schades als de onderhavige verzekerd is. Na de gemotiveerde betwisting van de afwijzing door DWF c.s. en het oordeel van de kantonrechter op dit onderdeel mocht van Jedi verwacht worden dat zij in hoger beroep een nadere onderbouwing zou aanreiken. Die is echter uitgebleven. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Grief 6 faalt.

Grief 7: kenteken 14-SF-SB

4.86

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3.6.11 van het eindvonnis overwogen dat de minder gereden kilometers niet zijn afgerekend op basis van het tarief van € 0,06 per kilometer, althans dat de kantonrechter niet in staat is het door Jedi opgevoerde creditbedrag van € 520,84 te herleiden.

4.87

In grief 7 komt Jedi op tegen dit oordeel. Zij voert aan dat zij het leasebedrag heeft herrekend van € 632,31 naar € 624,62 wegens minder kilometers. Het nieuwe leasebedrag kwam aldus € 7,69 lager uit. Uitgaande van de uiteindelijke looptijd van de overeenkomst van 56,916 maanden levert dat op een bedrag van € 520,84 inclusief btw.

4.88

Uit de als productie 9o bij akte van 11 januari 2017 door Jedi overgelegde stukken ("Aanhangsel" en "contractaanpassing") blijkt dat overeengekomen was een jaarkilometrage van 30.000 en dat herrekend is op basis van een jaarkilometrage van 27.582. In de toelichting op de grief neemt Jedi tot kennelijk uitgangspunt dat sprake was van een afwijking van meer dan 10% van de overeengekomen jaarkilometrage en zij op die grond gerechtigd was tot herrekening van het leasebedrag. Dat uitgangspunt is onjuist. Ook Jedi gaat immers ervan uit dat feitelijk gereden zijn 27.582 kilometers. Dat is een afwijking van 8,06% ten opzichte van de overeengekomen jaarkilometrage van 30.000. Derhalve minder dan 10%. Het startpunt van de redenering van Jedi mist dus feitelijke grondslag. De op dat foute uitgangspunt gebaseerde (verdere) berekening kan om die reden niet voor juist gehouden worden. Grief 7 faalt.

5 De slotsom

5.1

De grieven I tot en met XXII in het incidenteel hoger beroep falen en daarmee ook grief XXIII (proceskosten). In het principaal hoger beroep slagen grief 3 en de verborgen grief inzake de buitengerechtelijke incassokosten. De overige grieven in het principaal hoger beroep falen. Het bestreden tussenvonnis van 16 november 2016 wordt bekrachtigd. Het eindvonnis wordt vernietigd, maar uitsluitend ten aanzien van de door De Werven (thans: DW Facility Group B.V.) verschuldigde hoofdsom, de daarover verschuldigde rente en de buitengerechtelijke incassokosten. In zoverre wordt opnieuw recht gedaan. Voor het overige wordt het eindvonnis bekrachtigd. Dat geldt ook voor SRT nu recht gedaan is op de oorspronkelijk tegen SRT ingestelde eis.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Jedi veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep. Aan de zijde van SRT bedragen die kosten nihil. Aan de zijde van DWF c.s. worden deze vastgesteld op:

- griffierecht € 1.978,-

- salaris advocaat € 4.173,- (2 punten x tarief III)

5.3

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof DWF c.s. veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Die kosten zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 695,50,- (½ punt x tarief III)

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de door Jedi gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 16 november 2016;

bekrachtigt ook het eindvonnis van de kantonrechter van 15 november 2017, behoudens voor zover daarin is bepaald:

"veroordeelt De Werven om aan Jedi Lease tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.707,02

te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 3.696,68 en met de

wettelijke (handels)rente over € 2.010,34 vanaf 3 augustus 2015 tot de voldoening;

veroordeelt De Werven om aan Jedi Lease tegen bewijs van kwijting te betalen € 856,03 aan

buitengerechtelijke incassokosten;"

en in zoverre opnieuw rechtdoende,

veroordeelt DW Facility Group B.V. om aan Jedi Lease tegen bewijs van kwijting te betalen € 6.286,11 te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 4.275,77 en met de wettelijke (handels)rente over € 2.010,34 vanaf 3 augustus 2015 tot de voldoening;

veroordeelt DW Facility Group B.V. om aan Jedi Lease tegen bewijs van kwijting te betalen € 942,89 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Jedi in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van SRT gevallen en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt Jedi in de kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van DWF c.s. gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DWF c.s. vastgesteld op € 1.978,- voor verschotten en op € 4.173,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt DWF c.s. in de kosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van Jedi gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Jedi vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 695,50,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen tien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, G. van Rijssen en E. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.