Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1873

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
200.267.270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kwalificatie gebruiksovereenkomst. Huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.267.270

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, 7908456)

arrest in kort geding van 3 maart 2020

in de zaak van

de vennootschap onder firma GMC Beheergroep,

gevestigd te Nijmegen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: GMC,

advocaat: mr. R.J. Verweij,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: onttrokken.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 december 2019 hier over. Ingevolge dit tussenarrest heeft op 28 januari 2020 een comparitie van partijen plaatsgevonden. De advocaat van GMC heeft tijdens die comparitie het woord gevoerd en daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. [geïntimeerde] heeft zelf het woord gevoerd. Tevens is akte verleend van de aanvullende producties 5 tot en met 8 die bij bericht van 10 januari 2020 (productie 5) resp. van 14 januari 2020 (producties 6 tot en met 8) door mr. Verweij namens GMC zijn ingebracht.

1.2

Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van de comparitie door GMC overgelegde dossier.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

GMC en [geïntimeerde] hebben op 21 december 2018 een overeenkomst met de titel ‘gebruiksovereenkomst’ gesloten voor de bewoning van een deel van het pand aan de [a-straat 1] te [A] (hierna: het pand of de woning) (productie 1 bij inleidende dagvaarding). Op 24 december 2018 heeft [geïntimeerde] een deel van het pand betrokken. Het pand is eigendom van de Gemeente Nijmegen (hierna: de Gemeente). GMC is gespecialiseerd in het beheren van vastgoed, in het bijzonder het beheren van tijdelijke leegstand voor korte of lange termijn. GMC heeft voormeld pand van de Gemeente in beheer gekregen. Daartoe hebben zij een beheerovereenkomst/bruikleenovereenkomst gesloten.

2.3

In de gebruiksovereenkomst met [geïntimeerde] is onder meer het volgende opgenomen:

Overwegende:

1. Dat GMC onroerende zaken in bewaring neemt om deze te beschermen voor risico’s van leegstand;

2. Dat GMC onroerende zaken tijdelijk in gebruik geeft aan derden op basis van een gebruiksovereenkomst, ten behoeve van bewoning;

(…)

4. Dat de oppasser geen vergoeding voldoet voor het gebruik van de onroerende zaak, zodat deze gebruiksovereenkomst, hierna de overeenkomst, uitdrukkelijk geen huurovereenkomst is.

5. Dat na beëindiging van de overeenkomst door GMC geen andere al dan niet tijdelijke woonruimte aan oppasser zal worden aangeboden.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Aanvang en duur overeenkomst

1.1

Oppasser verplicht zich jegens GMC om de onroerende zaak op de bovenvermelde datum (24 december 2018, hof) om niet, met uitzondering van het vermelde onder punt 2.2 van de overeenkomst, daadwerkelijk te betrekken en erop te passen tot het moment dat deze overeenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

1.2

Deze overeenkomst geldt in beginsel voor onbepaalde tijd, met een maximale duur van drie jaar.

(…)

Artikel 2 Borgsom en financiële verplichtingen

(…)

2.3

Oppasser is maandelijks, bij vooruitbetaling (…) een vergoeding aan GMC verschuldigd. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wordt deze vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 235,00 per maand. Dit betreft een fixed price. Deze fixed price is oppasser verschuldigd terzake de kosten van het gebruik van huismeestertaken zoals

inspecties, herstellen en/of laten herstellen van gebreken, administratieve taken, het verschaffen van sleutels, aanleggen van warm water voorziening en installeren van douchecabine (waar mogelijk) e.d. (…)

Artikel 3 Einde overeenkomst

3.1

De overeenkomst kan door zowel GMC als oppasser, zonder opgave van reden, te allen

tijde en met inachtneming van een opzegtermijn van twee weken schriftelijk worden

opgezegd.

(…)

3.3

Oppasser dient de onroerende zaak bij beëindiging van de overeenkomst geheel te ontruimen (…). Indien oppasser niet uiterlijk op de laatste dag van de overeenkomst de onroerende zaak oplevert aan GMC (…), dan verbeurt oppasser terstond aan GMC een boete ter hoogte van € 100,- per dag, voor iedere dag dat oppasser zich in strijd met zijn opleveringsverplichting gedraagt (…).

Artikel 5 Aansluiting en voorzieningen

(…)

5.2

Voor betaling van de kosten van milieuheffing en watergebruik, het betrekken van gas, water en elektra van openbare nutsbedrijven en van andere voorzieningen, alsmede aansluiting en vastrecht terzake van bovengenoemde voorzieningen, wordt door GMC zorg gedragen.

2.4

Bij e-mailbericht van 30 april 2019 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) heeft GMC onder meer het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

Zoals je te horen hebt gekregen, wordt het pand aan de [a-straat 1] te [A] verkocht. In dit geval gaat er voor jou een einde komen aan het oppassen op de locatie [a-straat 1] te [A] . Hierbij moeten we helaas onze overeenkomst met jou opzeggen met als voorlopige maar uiterlijke einddatum 30 juni 2019.”

2.5

Bij e-mailbericht van 2 mei 2019 (productie 5 eerste aanleg van de zijde van [geïntimeerde] ) heeft de Gemeente onder meer het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

“(..) De [a-straat 1] staat op de nominatie verkocht te worden, er is echter nog geen definitief besluit. (..)”

2.6

Bij e-mailbericht van 31 mei 2019 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) heeft de Gemeente onder meer het volgende aan GMC geschreven:

“(..) Conform overeenkomst zeggen wij de bruikleenovereenkomst op per 2 juli as.

Met inachtneming van de opzeggingstermijn van 4 weken.

We maken nadere afspraken over de oplevering t.z.t.”

2.7

Bij e-mailbericht van 27 juni 2019 (productie 6 eerste aanleg van de zijde van [geïntimeerde] ) heeft de Gemeente onder meer het volgende aan [geïntimeerde] bericht:

“(..) Als gemeente hebben wij een overeenkomst met GMC beheer voor het beheren van (een deel van) onze panden in de stad d.m.v. invulling met anti kraak.

(…)

We hebben de overeenkomst voor gebruik met GMC beëindigd per 2 juli as.

Voor dit moment hebben wij gekozen voor tijdelijke verhuur tot aan definitieve verkoop van het pand mogelijk later dit jaar (..)

2.8

De Gemeente heeft GMC op 15 augustus 2019 (productie 10 eerste aanleg van de zijde van GMC) als volgt bericht:

“(..) De gemeente, Vastgoed, maakt gebruik van GMC als antikraak organisatie voor panden die tijdelijk in beheer zijn tot aan moment van verkoop, verhuur of ontwikkeling van de locatie. Tot heden is de gemeente tevreden over de dienstverlening van GMC. Een van de panden die GMC namens de gemeente beheert is [a-straat 1] . De gemeente heeft met GMC een (bruikleen)overeenkomst, waarbij wordt vastgelegd dat het pand wordt terug

geleverd als er ontwikkelingen zijn (b.v. verkoop). GMC sluit overeenkomsten met gebruikers. Uit de mail van dhr. [geïntimeerde] begrijp ik dat hij niet tevreden is over de dienstverlening van GMC. Het is uiteraard altijd mogelijk om met dhr. [geïntimeerde] daarover een gesprek te hebben. Het is echter niet mogelijk om rechtstreeks van de gemeente te

huren (we hebben uiteindelijk niet voor niets het pand op deze wijze in beheer gegeven)(..)”

2.9

Bij e-mailbericht van 17 september 2019 (productie 1 bij appeldagvaarding) heeft de Gemeente onder meer het volgende aan GMC bericht:

“(..) De gemeente Nijmegen maakt gebruik van de diensten van GMC als antikraak organisatie voor panden die tijdelijk in beheer zijn tot aan het moment van verkoop, verhuur of ontwikkeling van de locatie. De gemeente Nijmegen sluit ten behoeve van het tijdelijk beheer van panden een bruikleenovereenkomst met GMC Beheergroep. In die overeenkomst wordt vastgelegd dat de overeenkomst wordt beëindigd als er wordt overgegaan tot verkoop, verhuur of ontwikkeling van de locatie (…). Deze overeenkomst tussen de gemeente Nijmegen en GMC Beheergroep is door de Gemeente opgezegd en per 2 juli 2019 beëindigd. Uit mijn e-mail van 15 augustus 2019 van 17.01 kan niet worden afgeleid dat de overeenkomst tussen de gemeente Nijmegen en GMC Beheergroep niet per 2 juli 2019 is beëindigd. GMC Beheergroep heeft niet voldaan aan de opzegging en daardoor is GMC Beheergroep in gebreke gebleven. Hierdoor is GMC Beheergroep aansprakelijk voor alle nadelige (financiële) gevolgen die de gemeente hiervan ondervindt.”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

GMC heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om onmiddellijk na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan de [a-straat 1] in [A] te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 6 september 2019 de vordering van GMC afgewezen. Volgens de kantonrechter is onduidelijk of en zo ja in hoeverre de Gemeente de overeenkomst met GMC heeft opgezegd/beëindigd, zodat er niet van uitgegaan kan worden dat de overeenkomst is opgezegd, dan wel beëindigd. Daarmee ontbreekt de grondslag waarop de vordering van GMC is gebaseerd. Bovendien heeft [geïntimeerde] betwist dat tussen hem en GMC sprake is van een gebruiksovereenkomst - [geïntimeerde] gaat uit van een huurovereenkomst - waartegen GMC onvoldoende heeft ingebracht.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Onder aanvoering van vier grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, is GMC tegen het oordeel van de kantonrechter in hoger beroep gekomen.

4.2

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit ook in hoger beroep voort uit de stellingen van GMC. Met de hierboven genoemde e-mailberichten heeft GMC voldoende aannemelijk gemaakt dat de Gemeente op 31 mei 2019 de (beheer/bruikleen)overeenkomst met GMC tegen 2 juli 2019 heeft opgezegd en dat zij GMC op 17 september 2019 in gebreke heeft gesteld nu GMC niet aan ‘deze opzegging heeft voldaan’. Uit laatstgenoemd e-mailbericht blijkt tevens dat de Gemeente GMC aansprakelijk houdt voor alle nadelige (financiële) gevolgen die zij hiervan ondervindt. GMC heeft ook ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het pand op zo kort mogelijke termijn aan de Gemeente ter beschikking moet stellen. [geïntimeerde] heeft dit onvoldoende weersproken.

4.3

De vordering van GMC is in dit kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter, als die over het geschil zal moeten oordelen, de vordering van GMC zal toewijzen.

4.4

De kern van het geschil gaat over de vraag of de tussen partijen gesloten ‘gebruiksovereenkomst’ moet worden aangemerkt als een bruikleenovereenkomst/gebruiksovereenkomst (standpunt GMC) of een huurovereenkomst van woonruimte naar aard van korte duur, dan wel als een gewone huurovereenkomst van woonruimte (standpunt [geïntimeerde] ).

4.5

Volgens GMC staat uitdrukkelijk in de overeenkomst dat het pand (‘de onroerende zaak’) om niet ter beschikking wordt gesteld en dat geen kosten zijn verschuldigd voor de gebruikslasten. Er is wel een oppasvergoeding/bruikleenvergoeding afgesproken, maar die vergoeding behelst geen tegenprestatie voor het gebruik van het pand. De oppasvergoeding van € 235,- per maand heeft een symbolisch karakter en is een tegemoetkoming in de onkosten die samenhangen met het feit dat de woning wordt bewoond en niet leegstaat. De reële kosten die gepaard gaan met de bewoning van het pand bedragen € 635,05 waartegen een oppasvergoeding van € 235,- staat, zodat deze vergoeding een zuivere (niet dekkende) kostenvergoeding is, aldus GMC onder verwijzing naar een door haar ingebrachte berekening (productie 3 bij appeldagvaarding).

Indien al sprake zou zijn van een huurovereenkomst van woonruimte, dan moet deze volgens GMC worden gekwalificeerd als naar haar aard van korte duur zodat ook om die reden [geïntimeerde] geen huurbescherming geniet.

4.6

[geïntimeerde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat sprake is van een reguliere huurovereenkomst van woonruimte. De oppasvergoeding van € 235,- per maand betreft een reële tegenprestatie voor zijn woongenot. Dit blijkt ook uit de gebruiksovereenkomst waarin staat dat een ‘oppasser’ een vergoeding per maand betaalt om een onroerende zaak ‘te betrekken’. Een groot deel van de kosten die GMC in haar berekening heeft opgenomen zijn bovendien geen servicekosten, maar reguliere kantoorkosten die elke verhuurder heeft en die worden gedekt door de huurinkomsten. Verder betwist [geïntimeerde] dat de beheerovereenkomst tussen GMC en de Gemeente door de Gemeente is opgezegd en mocht de opzegging van 31 mei 2019 al rechtsgeldig zijn, dan nog loopt de overeenkomst door nu GMC nog steeds beheerwerkzaamheden verricht.

4.7

Het hof kan in het midden laten of de oppasvergoeding van € 235,- moet worden beschouwd als een vergoeding die in rechtstreeks verband staat met het beschikbaar stellen van het pand (en dus een tegenprestatie oplevert in de zin van artikel 7:201 lid 1 BW) of slechts een vergoeding vormt voor daadwerkelijke onkosten die samenhangen met het feit dat het pand wordt bewoond in plaats van leegstaat. Het hof is namelijk van oordeel dat indien en voor zover de tussen partijen gesloten overeenkomst niet gekwalificeerd kan worden als een gebruiksovereenkomst, er in dat geval wel sprake is van een huurovereenkomst die naar zijn aard van korte duur is (in de zin van artikel 7:232 lid 2 BW), waardoor [geïntimeerde] ook in dat geval geen beroep toekomt op huurbescherming en GMC de overeenkomst met hem mocht opzeggen.

Het hof legt hieronder uit waarom.

4.8

Bij beantwoording van de vraag of een huurovereenkomst naar zijn aard slechts van korte duur is, moet worden gelet op de aard van het gebruik, de aard van de woning alsmede op wat partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan (Hoge Raad

8 januari 1999, NJ 1999, 495). Artikel 7:232 lid 2 BW geldt blijkens de parlementaire geschiedenis als uitzonderingsbepaling dat zeer restrictief dient te worden opgevat. Het gaat om gevallen waarin voor iedereen duidelijk is dat er geen sprake kan en mag zijn van een beroep op huurbescherming (Handelingen II 1978/1979, 14175, pagina 5026).

4.9

De overeenkomst tussen GMC en [geïntimeerde] is in beginsel voor onbepaalde tijd aangegaan, maar met een maximale duur van drie jaar. In de considerans van de overeenkomst is opgenomen dat GMC onroerende zaken in bewaring neemt om die te beschermen tegen risico’s van leegstand en dat zij die zaken tijdelijk in gebruik geeft aan derden op basis van een gebruiksovereenkomst. De contractuele opzegtermijn (twee weken) is kort. GMC heeft naar voren gebracht dat de overeenkomst met [geïntimeerde] is besproken en dat de overeenkomst zoals gebruikelijk per bladzijde door hem is getekend. Volgens GMC heeft zij [geïntimeerde] ook de achtergrond van de overeenkomst uitgelegd, te weten dat de Gemeente het pand nodig kan hebben, dat [geïntimeerde] ‘oppasser’ wordt en dat hij tegen een geringe vergoeding in het pand mag wonen. [geïntimeerde] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof acht in dit verband, mede in het licht van de inhoud van de overeenkomst, de blote stelling van [geïntimeerde] dat hem door GMC bij het aangaan van de overeenkomst werd voorgehouden dat hij lange tijd in de woning zou kunnen blijven wonen, niet aannemelijk geworden. Uit het e-mailbericht van de Gemeente van 31 mei 2019 (verduidelijkt met het e-mailbericht van 15 augustus 2019) is zoals hiervoor al overwogen voldoende aannemelijk geworden dat de Gemeente - anders dan [geïntimeerde] voorstaat - de beheerovereenkomst met GMC ten aanzien van het pand heeft beëindigd en dat het pand per 2 juli 2019 moest worden opgeleverd (rov. 2.6). Dat GMC mogelijk nog beheerwerkzaamheden verricht hangende de door [geïntimeerde] aangevochten beëindiging, doet daar onvoldoende aan af. Deze opzegging is ook op 27 juni 2019 aan [geïntimeerde] bevestigd, waaraan de Gemeente nog het volgende heeft toegevoegd: ‘Voor dit moment hebben wij gekozen voor tijdelijke verhuur tot aan definitieve verkoop van het pand mogelijk later dit jaar’ (rov. 2.7). GMC heeft ter zitting toegelicht dat de Gemeente het pand per 2 juli 2019 wilde verhuren en daarvoor al een huurster had.

Zowel de aard van de overeenkomst als hetgeen partijen bij het aangaan ervan voor ogen stond - het betreft een pand van de Gemeente dat tijdelijk, in afwachting van nadere ontwikkelingen van de zijde van de Gemeente, ter bescherming van de risico’s van leegstand aan [geïntimeerde] in gebruik is gegeven en waarbij een korte opzegtermijn van twee weken zonder opgaaf van redenen is overeengekomen - leiden tot de in dit kort geding voorlopige conclusie dat GMC en [geïntimeerde] een huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot gebruik dat naar zijn aard slechts van korte duur is. Het feit dat partijen eind december 2018 de overeenkomst hebben gesloten en dat vijf maanden later (eind mei 2019) de Gemeente de bruikleenovereenkomst met GMC reeds heeft opgezegd omdat de Gemeente het pand terug wenst te hebben voor verhuur/verkoop, bevestigt het tijdelijke karakter dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gehad.

[geïntimeerde] komt derhalve op grond van hetgeen in dit kort geding aannemelijk is geworden geen beroep toe op huurbescherming in de zin van artikel 7:232 lid 2 BW.

4.10

[geïntimeerde] heeft zich tenslotte nog beroepen op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het huisrecht moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis ("home") de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt van een dergelijke inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit te laten toetsen door de rechter, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Door middel van de onderhavige procedure wordt [geïntimeerde] in staat gesteld de proportionaliteit van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (onafhankelijke) rechter, zodat aan voormelde voorwaarde is voldaan (zie ook HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880)

4.11

Met het oog op die proportionaliteitstoets acht het hof van belang dat het bij [geïntimeerde] van het begin af aan bekend was dat hij tijdelijk gebruik mocht maken van het pand, zolang de Gemeente het pand niet nodig had voor eigen gebruik. Dat de onderhavige overeenkomst kwalificeert als een huurovereenkomst van woonruimte voor korte duur en [geïntimeerde] daarom geen huurbescherming geniet, is bij wet voorzien in een voldoende duidelijke wettelijke bepaling (art. 7:232 BW). Dat hem bij aanvang van zijn bewoning is toegezegd dat hij langere tijd in de woning mocht blijven, heeft [geïntimeerde] niet nader toegelicht hetgeen wel van hem had mogen worden verwacht, zodat het hof hieraan zoals hiervoor ook al aan de orde is gekomen voorbij gaat. GMC heeft ter zitting aangevoerd dat de Gemeente het pand tijdelijk wil verhuren - aanvankelijk wilde de gemeente dit al per 2 juli 2019 hetgeen geen doorgang kon vinden - in afwachting tot definitieve verkoop. [geïntimeerde] heeft dit onvoldoende weersproken. Evenmin heeft [geïntimeerde] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn geen vervangende huisvesting kan vinden, mede gelet op het feit dat hij er al vanaf mei/juni 2019 rekening mee heeft kunnen houden dat hij het pand zou moeten verlaten. Tenslotte acht het hof van belang dat GMC jegens de Gemeente contractueel verplicht is om het pand leeg op te leveren en zij schadeplichtig is. Alle belangen afwegende moet worden geconcludeerd dat de door GMC (en via haar door de Gemeente) beoogde ontruiming gerechtvaardigd is.

4.12

Aangezien [geïntimeerde] er al geruime tijd - vanaf mei/juni 2019 - rekening mee heeft kunnen houden dat hij het pand moet verlaten en GMC jegens de Gemeente gehouden is het pand op te leveren, ziet het hof geen reden om de ontruimingstermijn op drie maanden te stellen, zoals [geïntimeerde] subsidiair heeft verzocht. De wederzijdse belangen afwegende, zal het hof [geïntimeerde] uiterlijk tot 1 april 2020 de tijd geven om de woning te verlaten en in goede staat aan GMC op te leveren.

4.13

In het licht van de gemotiveerde stellingname door GMC heeft [geïntimeerde] nagelaten zijn standpunten van een afdoende, nadere onderbouwing te voorzien, zodat het hof aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] voorbij gaat. Daarbij geldt nog dat in deze procedure, gelet op de aard van het kort geding, in het algemeen geen plaats is voor (uitgebreide) bewijslevering.

4.14

De slotsom luidt dat het hoger beroep slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van GMC zullen worden vastgesteld op € 103,07 voor explootkosten, € 972,00 voor griffierecht en op

€ 480,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief. De kosten voor de procedure in het hoger beroep aan de zijde van GMC worden vastgesteld op € 83,52 voor explootkosten,

€ 741,- voor griffierecht en op € 2.148,- (2 punten x tarief II) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

4.15

Het hof ziet geen aanleiding om de door GMC onder II gevorderde dwangsomveroordeling toe te wijzen. Uit het eerste lid van artikel 556 Rv. volgt dat GMC de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen, en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. GMC heeft voldoende aan dit arrest om de deurwaarder te mogen inschakelen als [geïntimeerde] niet vrijwillig tot nakoming van de uit dit arrest voortvloeiende verplichting tot ontruiming overgaat. Voorwaarde is dat het arrest tot ontruiming door de deurwaarder aan [geïntimeerde] wordt betekend, en dat aan [geïntimeerde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 Rv. bevel wordt gedaan om het pand te ontruimen. In het licht van voorgaande heeft GMC onvoldoende belang gesteld voor de gevorderde dwangsomveroordeling.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

5.1

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen)

van 6 september 2019 voor zover de vorderingen terzake van ontruiming van de woning en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten zijn afwezen en opnieuw rechtdoende;

5.2

wijst de vordering van GMC terzake de ontruiming alsnog toe en;

5.3

veroordeelt [geïntimeerde] om de woning, staande en gelegen te [A] aan de [a-straat 1] , uiterlijk op 31 maart 2020 met alle zich daarop en daarin bevindende personen en roerende zaken, te (doen) verlaten en ontruimen, die woning in goede staat aan GMC op te leveren en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van GMC te stellen en deze woning niet meer te betreden;

5.4

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, zowel van de eerste aanleg aan de zijde van GMC vastgesteld op € 103,07 voor explootkosten, € 972,00 voor griffierecht en op

€ 480,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief als die van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van GMC vastgesteld op € 83,52 voor explootkosten,

€ 741,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

5.5

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

5.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, L.R. van Harinxma thoe Slooten en M. Schoemaker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.