Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1862

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
200.112.029/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Zevende tussenarrest in langslepende zaak over de dood van runderen na het eten van voer met Jacobskruiskruid. Causaal verband. Proportionele aansprakelijkheid. Na weging van al het bijgebrachte bewijs oordeelt het hof dat geïntimeerde aansprakelijk is voor 2/3 deel van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.112.029/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 68052)

arrest van 3 maart 2020

in de zaak van

Onderlinge Verzekering Maatschappij Univé Noord-Nederland U.A.,

gevestigd te Zwolle,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Univé,

advocaat: mr. E. Bos-van den Berg, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Staatsbosbeheer,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Staatsbosbeheer,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen, kantoorhoudend te Arnhem.


Het hof neemt het tussenarrest van 16 juli 2019 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof Univé in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op een door Staatsbosbeheer overgelegd rapport van twee partijdeskundigen.

1.2

Vervolgens heeft Univé een akte genomen.

1.3

Ten slotte hebben partijen de aanvullende processtukken aan het eerder overgelegde procesdossier toegevoegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 Verder over de grieven
Wat er nu toe is beslist in de procedure in hoger beroep
2.1 Partijen procederen al vanaf het voorjaar van 2012 in hoger beroep. Het hof heeft inmiddels zes tussenarresten gewezen. Het is daarom zinvol om eerst de balans op te maken.

2.2

In het tussenarrest van 23 juni 2015 heeft het hof de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel en grief I in het principaal appel besproken en verworpen en geoordeeld dat Staatsbosbeheer toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [A] door ruwvoer met Jacobskruiskruid te leveren.
Het hof is vervolgens toegekomen aan de bespreking van de grieven II tot en met IV in het principaal appel. Deze grieven betreffen het causaal verband tussen de door het hof (in navolging van de rechtbank) vastgestelde toerekenbare tekortkoming van Staatsbosbeheer, bestaande uit de levering van ruwvoer dat een hoeveelheid Jacobskruiskruid bevat die gevaarlijk is (en dodelijk kan zijn) aan [A] en de ziekte en sterfte van runderen van [A] .
Het hof heeft geconcludeerd dat de rapporten van de door de rechtbank benoemde deskundigen prof. dr. ir. [B] (hierna: prof. [B] ) en prof. dr. [C] (hierna: prof. [C] ) met de verder door het hof besproken informatie voldoende grondslag bieden voor het rechterlijk vermoeden dat sprake is van causaal verband tussen de levering van het voer door Staatsbosbeheer en de ziekte van de runderen van [A] . Het hof ging er dan ook voorshands, behoudens tegenbewijs, vanuit dat de ziekte (en de dood) van de runderen van [A] het gevolg is van het eten van ruwvoer met Jacobskruiskruid. Het hof overwoog dat Staatsbosbeheer dit tegenbewijs kon leveren door aannemelijk te maken dat de ziekte van (een deel van) de runderen van [A] (deels) een andere oorzaak heeft en stelde Staatsbosbeheer in de gelegenheid zich uit te laten over de vraag of, en zo ja op welke wijze, zij dat bewijs wilde leveren.

2.3

Nadat Staatsbosbeheer had aangegeven tegenbewijs te willen leveren door een nader schriftelijk expertiserapport in het geding te brengen en door getuigen te doen horen - te weten [D] , prof. [B] en prof. [C] - stelde het hof in het tussenarrest van 24 mei 2016 Staatsbosbeheer in de gelegenheid een nader schriftelijk expertiserapport in het geding te brengen. Ten aanzien van de wens [D] , prof. [B] en prof. [C] als getuigen te horen, overwoog het hof dat een verhoor van deze personen, die allen als deskundigen waren opgetreden, als getuigen niet voor de hand ligt en dat het hof na kennisneming van het expertiserapport van Staatsbosbeheer zal beoordelen of er reden is een verhoor van deskundigen te bevelen, en zo ja van welke deskundigen.

2.4

In het tussenarrest van 2 mei 2017 heeft het hof overwogen dat het Staatsbosbeheer in de gelegenheid zal stellen tegenbewijs te leveren door de deskundigen prof. [C] en prof. [B] ( [D] dus niet) te doen horen. Prof. [C] is vervolgens gehoord, van het doen horen van prof. [B] heeft Staatsbosbeheer afgezien.

2.5

Nadat prof. [C] was gehoord, heeft het hof in het tussenarrest van 26 juni 2018 vastgesteld dat Univé aanvoert dat prof. [C] in haar verklaring als deskundige is uitgegaan van onjuiste feitelijke informatie over de gezondheid van de veestapel en dat prof. [C] is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat er schimmel in de kuil zat. Het hof heeft Univé in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat:
- de veestapel van [A] gezond was voordat werd begonnen met het voeren van kuilvoer afkomstig van het perceel van Staatsbosbeheer;
- in de kuil waarin dat kuilvoer zich bevond ten tijde van het voeren geen schimmel zat.
2.6 Nadat getuigen waren gehoord en partijen memories na enquête hadden genomen, heeft het hof in het tussenarrest van 16 juli 2019 een nieuw formeel verweer van Staatsbosbeheer verworpen en Univé vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op een door Staatsbosbeheer in haar memorie na enquête in het geding gebracht rapport van twee partijdeskundigen. Univé heeft deze akte inmiddels dus genomen.

Waar gaat het nu nog om?
2.7 Zoals hiervoor is aangegeven, heeft het hof in het tussenarrest van 23 juni 2015 Staatsbosbeheer in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het rechterlijk vermoeden dat sprake is van causaal verband tussen de levering van het voer door Staatsbosbeheer en de ziekte van de runderen van [A] . De vraag die het hof nu moet beantwoorden, is of Staatsbosbeheer dat tegen bewijs heeft geleverd. Daarvoor is, zoals het hof in dat tussenarrest heeft overwogen, voldoende dat aannemelijk wordt gemaakt dat de ziekte van (een deel van) de runderen van [A] (deels) een andere oorzaak heeft.

2.8

Univé heeft de gelegenheid gehad om te bewijzen dat de runderen van [A] gezond waren voordat werd begonnen met het voeren van kuilvoer afkomstig van het perceel van Staatsbosbeheer en dat in de kuil waarin dat voer zat geen schimmels aanwezig waren. Het is zinvol om eerst na te gaan of en in hoeverre Univé in dat bewijs is geslaagd.
Vervolgens kan worden nagegaan of Staatsbosbeheer het door haar te leveren tegenbewijs heeft geleverd. Voor het antwoord op die vraag is de uitkomst van de bewijslevering door Univé uiteraard relevant.

Waren de runderen van [A] gezond?
2.9 Het hof heeft vier getuigen gehoord over (onder meer) de vraag of de runderen van [A] gezond waren voordat ze eind 2000 werden gevoerd uit de kuil met daarin (ook) het Jacobskruiskruid. Het betreft (inmiddels gepensioneerd) veearts [E] , [A] , zijn echtgenote [F] en [G] , die vanaf 1996 (toen hij 15 jaar was) tot 2002 op het bedrijf van [A] heeft gewerkt.

2.10

[E] heeft verklaard dat eind 2000 geen sprake was van gezondheidsproblemen bij de runderen van [A] . In het voorjaar van 2000 hadden jonge kalveren van [A] wel last van diarree. Die kalveren zijn behandeld met een medicijn, dat hij uit België had laten komen. Zijn collega [H] is eind 2000, voordat [A] zelf bij de problemen met de runderen van [A] werd betrokken, tweemaal bij [A] geweest vanwege ernstige ziekteverschijnselen bij een of twee runderen; later bleken ook andere runderen die ziekteverschijnselen te vertonen. [E] heeft voorafgaand aan zijn verhoor de facturen aan [A] uit de jaren 1999 en 2000 nagezien. Ook uit die facturen bleken, op de kwestie van de kalveren na, geen bijzonderheden, aldus [A] .
Deze verklaring van [E] sluit aan bij een verklaring die hij op 21 december 2006 als getuige heeft afgelegd in het kader van een voorlopig getuigenverhoor. Ook toen heeft [E] verklaard dat er voor december 2000 geen bijzondere problemen waren op het bedrijf van [A] . Er waren alleen de normaal voorkomende zaken, zoals verlossingen, aldus [E] toen.
In een schriftelijke verklaring van [E] van 23 januari 2009 heeft hij verklaard:
"In het jaar 2000 waren er op de boerderij van [A] behalve de Jacobskruiskruidproblematiek geen speciale problemen. Bij een veestapel doen zich altijd wel wat problemen voor en in maart/april 2000 was sprake van kalverdiarree. Aan de hand van de medicatie die ik in 2000 aan de veestapel van [A] heb verstrekt heb ik gezien dat ik alleen in het voorjaar van 2000 medicijnen heb voorgeschreven voor die kalverdiarree. Het bleek cryptosporidiose te zijn. Dat speelde in december 2000 dus niet meer. De problemen die ik in december 2000 bij het vee van [A] zag waren uitzonderlijk en hadden niets te maken met deze diarree."

2.11

[A] en [F] hebben beiden verklaard dat de runderen niet ziek waren voordat ze in november 2000 op stal gingen. De gezondheidsproblemen ontstonden pas toen de runderen een paar weken op stal waren, verklaren zij. In haar verklaring geeft [F] aan dat de veearts wel geregeld op het bedrijf kwam, maar dat is bij een bedrijf van de grootte van het bedrijf van [A] en [F] heel normaal. [A] heeft er nog op gewezen dat er in het jaar 2000 wel sprake is geweest van "wat diarree bij de nuchtere kalveren."

De verklaring van [F] sluit aan bij een door haar opgestelde schriftelijke verklaring van 24 januari 2008, inhoudende dat het vee in december 2000 ziek is geworden. Zij verklaart ook bij die schriftelijke verklaring te blijven.
[A] heeft op 21 december 2006 in het kader van het voorlopig getuigenverhoor als getuige een verklaring afgelegd. Over de vraag of er voor eind 2000 al sprake was van gezondheidsproblemen bij de runderen, heeft hij toen het volgende verklaard:
"Wanneer mij wordt gevraagd of ik voor november/december 2000 problemen had met mijn vee, dan moet ik daar ja op zeggen. De problemen deden zich voor bij de kalveren. Zij hadden diarree. De problemen deden zich voor met name vanaf maart/april van het jaar 2000. Er was sprake van een bacterie en die is er niet zomaar uit. Het kan ook nog wel zijn dat ik in december van dat jaar ook nog met dat probleem zat."

2.12

De in de laatste getuigenverhoren afgelegde verklaringen van [E] , [A] en [F] zijn in de kern met elkaar in overeenstemming en zijn ook consistent. Ze komen ook overeen met de eerder afgelegde verklaringen. Van belang is dat [E] voorafgaand aan zijn verklaring nog onderzoek heeft gedaan in zijn administratie. Zijn verklaring is dan ook niet enkel gebaseerd op zijn herinnering (aan iets van negentien jaar geleden), maar is door hem getoetst aan objectieve informatie. Al met al is met de nu afgelegde getuigenverklaringen en de eerder afgelegde/afgegeven verklaringen voldoende aannemelijk dat voor eind december 2000, en dus voor het moment dat de runderen op stal het van het perceel van Staatsbosbeheer afkomstige voer (met daarin Jacobskruiskruid) te eten kregen, geen sprake was van gezondheidsproblemen.

2.13

Staatsbosbeheer heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de runderen voor december 2000 geen gezondheidsproblemen hadden. De door Staatsbosbeheer aangevoerde argumenten overtuigen niet.
Staatsbosbeheer wijst er allereerst op dat de veearts geregeld op het bedrijf van [A] kwam. Dat hoeft, anders dan Staatsbosbeheer meent, niet te betekenen dat er voor december 2000 al sprake was van gezondheidsproblemen met de runderen. Vaststaat dat [A] een groot bedrijf heeft en dat [E] de vaste veearts van het bedrijf was. Bij zo'n bedrijf is er altijd wel wat te doen voor een veearts (vgl. de schriftelijke verklaring van [E] ). Onder die omstandigheden is het niet vreemd dat de veearts geregeld op het bedrijf is, zeker wanneer hij ook de verlossingen doet, zoals bij [E] het geval was.
Staatsbosbeheer voert vervolgens aan dat ook voor 15 december 2000 sprake was van teveel abortussen op het bedrijf van [A] . Staatsbosbeheer baseert dat op een verslag van [E] van 10 juli 2001. Uit dat verslag volgt, anders dan Staatsbosbeheer veronderstelt, niet dat voor december 2000 al sprake was van een groot aantal abortussen. Het verslag maakt weliswaar melding van "80 dieren verworpen", maar dat aantal betreft de periode december 2000 tot 10 juli 2001.
De problematiek van de diarree bij de kalveren speelde volgens [E] in het voorjaar van 2000. Bij de kalveren deden zich na december 2000 geen gezondheidsproblemen voor. Andersom was bij de runderen geen sprake van diarree. Dat de gezondheidsproblemen bij de runderen samenhingen met de diarree van de kalveren, is dan ook niet aannemelijk.
Ten slotte volgt uit de verklaringen van de getuigen dat de herhalingsbezoeken van [E] en diens collega in december 2000, anders dan Staatsbosbeer suggereert, te maken hadden met de gezondheidsproblemen die zich wat later bij het grootste deel van de runderen van [A] manifesteerden. Van herhalingsbezoeken vanwege andere gezondheidsproblemen is niets gebleken.

2.14

De conclusie is dat het hof ervan uitgaat dat bij de in en na december 2000 ziek geworden runderen van [A] voor december 2000 geen sprake was van gezondheidsproblemen.

Was de kuil vrij van schimmels?
2.15 Staatsbosbeheer heeft [A] in de zomer van 2000 het ruwvoer aangeleverd in grote balen (Viconpakken) bestaande uit geperst gras. Gesteld noch gebleken is dat deze pakken in plastic waren verpakt. [A] heeft deze pakken opgeslagen in een zogenaamde kuil. Univé heeft in haar memorie na getuigenverhoor een schriftelijke verklaring overgelegd, waarvan zij stelt dat die is opgesteld door [A] en dateert van 8 januari 2019. Het hof heeft geen reden om eraan te twijfelen dat de verklaring inderdaad afkomstig is van [A] . De verklaring is weliswaar niet ondertekend, maar de naam van [A] is wel onder de verklaring vermeld.
In deze verklaring geeft [A] aan op welke manier de Viconpakken door hem zijn 'gekuild' en hoe hij de pakken weer uit de kuil haalt. [A] schrijft daarover:
"Als ik uit een kuil voer haal snij ik het plastic alleen los op de hoeken en aan de onderkant de bovenkant niet dit vouw ik achterover zodat ik negen pakken (een klamp) met de shovel en de lepels onder het plastic vandaan kan halen. Daarna vouw ik het plastic er weer omheen zodat de regen niet in de kuil kan komen. De bult bestaat uit drie pakken naast elkaar en drie hoog dus totaal negen stuks allen stijf met de shovel met hydraulische klem tegen elkaar gedrukt zodat er geen zuurstof tussen zit. Boven op de kuil zit 2 lagen plastic met autobanden zodat er aan de bovenkant ook geen zuurstof zit. Aan de zijkanten zit het plastic 40 cm in de grond , ook ligt er +\- 70 tot 80 cm zand tegen het plastic zodat het plastic door het gewicht van het zand vacuüm om de kuil wordt getrokken, dat betekent dat de onderste laag pakken ook aan de zijkant onder het zand zitten, bij de bovenste 2 lagen zit het plastic zo strak dat als er negen uit de kuil worden gehaald er aan de bovenkant (ivm zware banden) en aan de zijkant ivm met zand het plastic zo aan sluit dat er praktisch geen zuurstof bij kan komen. Bovendien is door het aantal koeien de voersnelheid zo hoog dat we broei ten allen tijde voor blijven. Dus schimmel kan niet toeslaan.

Deze methode en werkwijze hanteren we nu in 2018 nog. Vicon pakken met maten van 120 breed, 70 hoog en 160 cm lang met 4 staal draden erom heen zitten zeer stijf in elkaar geperst."

2.16

Staatsbosbeheer heeft niet gemotiveerd bestreden dat de geleverde Viconpakken op deze manier in de kuil zijn verwerkt. Zo heeft zij niet gesteld dat deze wijze van verwerken ongebruikelijk of onpraktisch is. Bij de getuigenverhoren en in de schriftelijke verklaringen is geen specifieke aandacht besteed aan de precieze manier van het kuilen. De toelichting is ook niet in strijd met wat uit de getuigenverklaringen - die zoals aangegeven niet zijn toegespitst op dit onderwerp - kan worden afgeleid over de wijze van verwerking van de Viconpakken in de kuil. [A] heeft zijn verklaring op dit punt niet als getuige afgelegd maar na en in aanvulling op zijn getuigenverhoor geschreven. Met deze verklaring is voldoende onderbouwd dat de Viconpakken op de door [A] aangegeven wijze zijn verwerkt.
Dat betekent ook dat het hof ervan uitgaat dat de pakken niet afzonderlijk in plastic zijn verpakt, maar (alleen) onder het plastic van de kuil lagen.

2.17

In februari 2001 is uit de kuil een monster genomen. Dat is gedaan door een beëdigd monsternemer, [I] . Er kan, zoals Staatsbosbeheer terecht aanvoert, vanuit worden gegaan dat deze monsternemer zich aan de geldende voorschriften heeft gehouden. Staatsbosbeheer verwijst in dat verband naar een EG Verordening, maar deze Verordening dateert van 27 januari 2009 en was ten tijde van de monsterneming dus nog niet van toepassing. [I] zelf heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor op
21 december 2006 het volgende verklaard over de monsterneming:
"Ik trof daar een kuil aan, waarin Viconpakken stonden. Dat zijn pakken die met hoge druk zijn ingeperst en waar omheen staaldraad is gespannen. Normaal is dat er steekmonsters worden genomen. Aangezien het hier om Viconpakken ging, was het heel moeilijk om representatief te steken. Ik heb het wel geprobeerd, maar het resultaat was nauwelijks een theekopje vol. Je kunt in die ingeperste pakken heel moeilijk met de boor komen. Dat heeft gemaakt dat ik uiteindelijk zogenaamde plukmonsters heb genomen. Met een shovel heb ik toen 6 a 7 pakken uit de nog aanwezig geschatte voorraad van zo'n 36 pakken genomen. Die pakken zijn losgeknipt en ik heb daar een representatief monster genomen. Dat heb ik in een plasticzak gedaan en dat is opgestuurd naar de gezondheidsdienst. (…)
Ten tijde dat ik de monsters nam, werd die desbetreffende kuil niet meer gebruikt en ik kon ook zien dat die ook de laatste tijd niet meer gebruikt was. De kuil lag open en was niet afgedekt met plastic."
Deze verklaring van [I] sluit voor wat betreft de wijze van 'kuilen' aan bij de schriftelijke verklaring van [A] . Met het 'losknippen' van de pakken doelt [I] klaarblijkelijk op het doorknippen van de staaldraden, die de pakken bijeenhouden, omdat de pakken niet afzonderlijk in plastic zijn verpakt. Door de draden los te knippen, verliezen de pakken aan stevigheid en kunnen ze uit elkaar worden getrokken, waarna een plukmonster kan worden genomen.
verklaart verder dat er in februari 2001 geen plastic meer boven op de pakken lag. De kuil lag volgens hem open. Dat hoeft gezien het toen nog aanwezige aantal pakken
- ongeveer 36 volgens de verklaring van [I] - niet in strijd te zijn met de schriftelijke verklaring van [A] , dat hij na het aansnijden van de kuil het plastic altijd weer over het resterende deel vouwt. 36 pakken komen overeen met vier 'klampen' (rijen van 9 pakken per rij); de kuil was dan ook grotendeels opgevoerd en het grootste deel van het plastic was dus losgesneden. Het ligt voor de hand dat het resterende deel niet meer strak over het laatste restje kuil kan hebben gezeten.

2.18

De verklaring van [I] dat de kuil in februari 2001 niet was afgedekt met plastic vindt steun in enkele andere verklaringen:
[A] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat de pakken toen [I] het monster nam 6 à 7 weken onafgedekt hebben gestaan. Hij heeft dat in zijn getuigenverklaring bij het hof herhaald:
"In februari 2001 is in opdracht van de gezondheidsdienst voor dieren een monster genomen. De kuil had toen open gelegen vanaf 15 december [hof: 2000] tot op het moment van de monstername en was in die periode blootgesteld aan weer en wind. De regen kon dus bij de pakken en als dat gebeurt krijg je schimmel. (…)
Ik weet nog dat de pakken nat waren. Er zat ook een verkleuring aan de rand van de pakken.
(…)
Op 15 december lag er plastic op de kuil. Na 15 december is dat plastic eraf gegaan, waarschijnlijk is het eraf gewaaid. Bij de monstername lag er geen plastic meer op de kuil. Wanneer het plastic er in de periode tussen 15 december en 15 februari af is gewaaid, weet ik niet. Als je nog maar weinig voer in een kuil hebt, kan het plastic er gemakkelijker afwaaien dan wanneer er nog veel voer in de kuil ligt."
[F] heeft als getuige bij het hof verklaard:
"Ik ben nadat mijn man en [E] bij de kuil waren geweest niet meteen zelf gaan kijken. Later heb ik wel gezien dat het Jacobskruiskruid in de kuil ging bloeien. De kuil lag open. De kuil is ook niet toegedekt toen wij stopten met het voeren uit de kuil."
[E] heeft bij het hof onder meer verklaard:
"Enige tijd nadat ik bij de bewuste kuil was geweest ben ik er nog een keer geweest. Dat was in 2001, in de periode van het jaar dat Jacobskruiskruid bloeit. Op de kuil stond toen daadwerkelijk Jacobskruiskruid in bloei. Het was een gele zee. De kuil lag toen open, was niet afgedekt. Ik leid daaruit af dat de kuil vanaf het moment dat ik hem voor het eerst heb gezien tot het moment dat ik het Jacobskruiskruid in bloei zag staan niet afgedekt is geweest."

2.19

Het is gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen aannemelijk dat toen het monster werd genomen de kuil een aantal (maximaal acht) weken onbedekt was geweest en dus in die periode blootgesteld is geweest aan de weersomstandigheden.

2.20

Het staat vast dat het in februari 2001 genomen monster uit de resterende kuil veel schimmels bevatte. Partijen zijn het er niet over eens of die schimmels ook al in november / december 2000 in de kuil aanwezig waren, toen [A] de runderen uit deze kuil voerde. Volgens Univé is dat niet het geval, volgens Staatsbosbeheer wel.
Voorop gesteld kan worden dat er, gelet op wat hiervoor is overwogen over de blootstelling van de (resterende) kuil aan de weersomstandigheden, niet van kan worden uitgegaan dat de toestand van de kuil in februari 2001 op het punt van de aanwezigheid van schimmels gelijk was aan die van december 2000. De kuil was in de tussenliggende periode immers blootgesteld aan de weersomstandigheden. Staatsbosbeheer heeft niet gemotiveerd bestreden dat wanneer de kuil in deze periode heeft opengelegen, daardoor schimmelvorming kan zijn opgetreden (of verergerd). Maar de enkele mogelijkheid dat de schimmelvorming na december 2000 is ontstaan, betekent nog niet dat de schimmelvorming ook daadwerkelijk in deze periode is ontstaan en dat dus in december 2000 van schimmelvorming nog geen sprake was. Daar is meer voor nodig.

2.21

Univé heeft erop gewezen dat [A] zeer zorgvuldig omging met zijn (kuil)voer. [A] deed er alles aan om schimmelvorming te voorkomen, volgens Univé. Univé heeft dat met de getuigenverklaringen van [A] , [F] , [E] en [G] ook wel bewezen. De verklaringen komen er alle op neer dat [A] zeer secuur omging met zijn voer en veel inspanningen pleegde om zijn voer op een zorgvuldige wijze te bewaren. Staatsbosbeheer heeft de inhoud van deze verklaringen niet (gemotiveerd) weersproken. Het hof merkt in dit verband op dat niet ter discussie staat dat [A] een hoogwaardig fokbedrijf had. Het ligt voor de hand dat zijn bedrijfsvoering (ook) meebracht dat hij voer van goede kwaliteit gebruikte. Zoals [E] als getuige heeft verklaard:
"[A] had altijd goed voer. Toentertijd had hij ook hoogwaardig fokmateriaal en daar heb je goed voer voor nodig. (…) Het is belangrijk dat veehouders secuur omgaan met het voer."
[A] en [F] hebben verklaard dat zij nooit schimmels hebben gezien of geroken in het door hen gebruikte voer. [A] daarover:
"Op uw vraag of er schimmel in de kuil zat waarin het van Staatsbosbeheer afkomstige voer was opgeslagen antwoord ik dat er in mijn kuilen geen schimmel zit. Niet in mijn maïskuilen en ook niet in mijn voordroogkuilen. Ik ben daar heel duidelijk in, ik heb absoluut geen schimmel in mijn kuilen. Ik ga heel zorgvuldig om met mijn voer. Het gaat niet alleen om veel geld - bij maïs van 40 hectare gaat het al snel om een verkoopwaarde van 150.000 euro - maar vooral om die veestapel. Die wil je geen risico laten lopen. Ik had, zoals gezegd, een topveestapel, de beste van Nederland en in Europa was ik een van de betere. Ik was en ben me ervan bewust dat het niet goed is voor je vee als er schimmel in het voer zit. Dat zat er dus ook niet in."
Ook uit de verklaringen van [E] volgt niet dat hij in december 2000 schimmel in de kuil heeft gezien, hoewel hij de kuil toen wel heeft geïnspecteerd. [E] heeft op

27 november 2018 over zijn kennis van schimmels verklaard:
"Ik ben geen schimmeldeskundige. Er zullen best onzichtbare schimmels zijn, maar als ik een kuil beoordeel op schimmels, doe ik dat op het oog. Ik kijk dan bijvoorbeeld of er witte schimmelsporen aanwezig zijn en let vooral op kleur, geur en consistentie van de inhoud van de kuil."

2.22

Op een haar gestelde vraag of het mogelijk is dat de schimmels in de kuil zijn ontstaan nadat er niet meer uit de kuil werd gevoerd (dus na medio december 2000) heeft de deskundige prof. [C] geantwoord dat dit in principe mogelijk is. Dit antwoord van prof. [C] is door partijen niet ter discussie gesteld. Het wordt ook bevestigd in het rapport van dr. [J] , een van de partijdeskundigen van Univé, van 15 januari 2018. [J] wijst erop dat schimmels snel kunnen groeien in geopende voederpakken. Zijn conclusie op basis van de verklaringen van de getuigen over de verwerking en opslag van voer bij [A] is:
"Based on the evidence presented to me I do not consider the presence of yeast and mold in quantities relevant for health and productivity in the silage as a proven fact."

2.23

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat:

- in het medio februari 2001 uit de kuil genomen monster veel schimmels zijn aangetroffen;
- de kuil medio februari 2001 enige weken open had gelegen;
- veearts [E] medio december 2000 geen schimmels heeft geconstateerd;
- het op zichzelf mogelijk is dat de schimmels tussen december 2000 en februari 2001 zijn ontstaan;
- [A] zeer zorgvuldig met zijn voer omging. Hij en zijn vrouw hebben nooit schimmel in het voer voor de runderen vastgesteld.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is het naar het oordeel van het hof enerzijds aannemelijk dat in december 2000 nog geen sprake was van schimmels in de bewuste kuil, maar kan anderzijds ook niet worden uitgesloten dat de later vastgestelde schimmels toch ook al in december 2000 aanwezig waren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er ook niet met de zintuigen waarneembare schimmels zijn, nog daargelaten dat de eigen partijdeskundige van Univé zelf heeft aangegeven dat in kuilvoer altijd wel wat schimmel aanwezig is.

2.24

Het staat vast dat [A] zijn runderen ook maïs is gaan (bij)voeren, toen zij niet (veel) wilden eten van het voer met daarin Jacobskruiskruid. Dat in het maïs schimmels hebben gezeten, die de ziekte en sterfte hebben veroorzaakt, zoals Staatsbosbeheer suggereert, is uiterst onwaarschijnlijk. Het maïs werd ook gevoerd aan het jongvee en de bijbehorende volwassen koeien, maar die runderen zijn niet ziek geworden. Bovendien heeft [E] in december 2000 ook de maïskuil geïnspecteerd en geen schimmelvorming geconstateerd. In het kader van het voorlopig getuigenverhoor heeft [E] daarover het volgende verklaard:
"Ik keek rond en ik vond de koeien van [A] er niet goed uitzien (…) Er was een groep koeien met kalveren die niet vanuit die kuil gevoerd werden. Die werden met maïs en brok en hooi wat voor op de deel staat gevoerd. Deze groep stond voor in de stal. Deze groep zag er wel goed uit. (…) Ik was eerst al naar de maïskuil gelopen en dat zag er goed uit. Dat was niet schimmelig."
Van belang is dat niet alleen het jongvee, maar ook de bijbehorende volwassen runderen met maïs werden gevoerd. Ook die volwassen runderen waren niet ziek. Aan de andere volwassen runderen is [A] pas maís gaan voeren nadat die runderen ziekteverschijnselen gingen vertonen. De maïs kan die ziekteverschijnselen dan ook niet hebben veroorzaakt.

2.25

De conclusie is dat niet kan worden uitgesloten dat ook in december 2000 al sprake was van schimmelvorming in de kuil met het door Staatsbosbeheer geleverde voer, maar dat aannemelijker is dat de in februari 2001 vastgestelde schimmelvorming na december 2000 is ontstaan en/of is toegenomen tot de in februari 2001 aangetroffen mate.
Heeft Staatsbosbeheer het door haar te leveren tegenbewijs geleverd?
2.26 Zoals gezegd heeft Staatsbosbeer de gelegenheid gekregen om tegenbewijs te leveren tegen het door het hof (op grond van een rechterlijk vermoeden) voorshands bewezen geachte causale verband tussen de levering van het voer met Jacobskruiskruid door Staatsbosbeheer aan [A] en de ziekte en dood van de runderen van [A] (na het eten van dat voer). Bij het antwoord op de vraag of Staatsbosbeheer dat tegenbewijs geleverd heeft, zal het hof uitgaan van wat het hiervoor heeft overwogen over de gezondheidstoestand van de runderen voor ze het voer kregen en over de mogelijke aanwezigheid van schimmels in het voer.
Voor het leveren van tegenbewijs is noodzakelijk, maar ook voldoende, dat zoveel twijfel wordt gezaaid dat de op het vermoeden gebaseerde vaststelling - dat sprake is van causaal verband - onhoudbaar wordt, bijvoorbeeld doordat aannemelijk wordt gemaakt dat de ziekte van (een deel van) de runderen een andere oorzaak heeft dan het eten van voer met Jacobskruiskruid.

2.27

Op 3 oktober 2017 is prof. [C] gehoord. Haar verklaring komt er, in de kern, op neer dat zij vanwege het bestaan van diverse onzekerheden geen wetenschappelijk verantwoord oordeel kan geven over het bestaan van een causaal verband tussen de aanwezigheid van Jacobskruiskruid in het door Staatsbosbeheer geleverde voer en de ziekte en dood van de runderen van [A] . Deze onzekerheden betreffen:
- de hoeveelheid Jacobskruiskruid in het voer;
- de hoeveelheid Jacobskruiskruid die de dieren hebben gegeten;
- de mogelijkheid dat ook andere schadelijke stoffen in het voer hebben gezeten.
Daarnaast is prof. [C] er vanwege de bezoeken van [E] aan het bedrijf van [A] van uitgegaan dat de veestapel van [A] al niet gezond was voor werd begonnen met het voeren met het bewuste voer. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat deze veronderstelling van prof. [C] niet overeenkomt met de door het hof vastgestelde feiten.

2.28

Tijdens haar verhoor is prof. [C] uitgebreid bevraagd over een mogelijk verband tussen de ziekte van de runderen en schimmelvorming in het voer. Daarbij is gebleken dat prof. [C] ervan uit is gegaan dat het voer in de kuil schimmels bevatte. Zij heeft dat gebaseerd op de beschrijving van het monster. Prof. [C] op dit punt:
"Dat er in het voer in de kuil schimmels aanwezig waren, heb ik afgeleid uit de beschrijving van het monster."
Zoals hiervoor is overwogen, is niet uitgesloten dat er in december 2000 ook al schimmels in de kuil aanwezig waren, maar is aannemelijker dat de (mate van) schimmelvorming ten tijde van de monsterneming na december 2000 is ontstaan. Bovendien lijkt prof. [C] ervan uit te gaan dat de maïs waarmee de runderen zijn gevoerd ook schimmels kan hebben bevat, terwijl dat, zoals hiervoor is overwogen, onwaarschijnlijk is. In dit verband wijst het hof erop dat de door prof. [C] gegeven verklaring voor het feit dat het jongvee niet ziek is geworden
- jongvee eet nu eenmaal minder voer - niet opgaat voor de volwassen runderen uit de groep (van jongvee en bijbehorende volwassen runderen), die niet met voer van Staatsbosbeheer, maar met maïs en ander voer is gevoerd.

2.29

Uit de verklaring van prof. [C] volgt verder dat niet alle ziekteverschijnselen van de runderen verklaard kunnen worden uit één schimmel. De vruchtbaarheidsproblemen kunnen worden gerelateerd aan de mycotoxine Zearalenone (ZEN), maar dat geldt weer niet voor de vastgestelde leverproblemen, voerweigering en vermagering. Die verschijnselen kunnen weer wel in verband worden gebracht met andere schimmeltoxinen. Volgens prof. [C] kunnen de verschillende symptomen veroorzaakt zijn door een "cocktail van de verschillende mycotoxinen uit de maïs en het kuilvoer."
Het is, gelet op wat hiervoor is overwogen over de aanwezigheid (afwezigheid) van schimmels in het van Staatsbosbeheer afkomstige voer en uit de maïs, niet aannemelijk dat het voer van de runderen die ziek zijn geworden niet maar één schimmelsoort, maar meerdere schimmelsoorten (verantwoordelijk voor verschillende toxische stoffen) bevatte in zo grote hoeveelheden dat de runderen er ziek door konden worden. Dat is ook daarom niet aannemelijk omdat kan worden uitgesloten dat één potentiële bron van de mogelijke cocktail van mycotoxinen - de maiskuil - als bron kan worden uitgesloten. De verschillende mycotoxinen zouden dan ook alleen in de kuil met het van Staatsbosbeheer afkomstige voer gezeten moeten hebben.
Onder deze omstandigheden vormt de aanwezigheid van schimmels in het voer geen bevredigende verklaring voor de vastgestelde ziekteverschijnselen, en al helemaal niet voor alle ziekteverschijnselen.

2.30

Daar komt bij dat de partijdeskundigen dr. [K] (toxicoloog) en dr. [L] (dierenarts), beiden verbonden aan de Gezondheidsdienst voor Dieren, partijdeskundigen van Univé, in hun rapport van 25 januari 2019 hebben gewezen op onderzoeken waaruit blijkt dat gras schimmels kan bevatten die schadelijk zijn voor koeien - het betreft dan meestal schimmels die de mycotoxinen ZEN of DON (deoxynivalenol) -, maar dat deze schimmels in West Europa zelden worden aangetroffen in hoeveelheden die schadelijk zijn voor koeien. Van dergelijke ‘opslagschimmels’ zijn tot december 2017 geen problemen bekend.
Partijdeskundige dr. [J] van Univé bevestigt dat in zijn rapport van 15 januari 2018:
"Zearalenone (ZEN) is one of the few causes specifically affecting fertility, but not causing clinical disease in cattle, as observed in this case.
(…)
Although it is undisputed that some of these mycotoxins [hof: de door prof. [C] genoemde mycotoxinen] have been associated with (in most cases unspecific) clinical disease, I am not aware any case reported in the literature documenting the association of one of these compounds with morbidity and mortality rates simular to the number documented for this herd."
De visie van deze partijdeskundigen op dit punt is door Staatsbosbeheer niet gemotiveerd weersproken. De door hen ingeschakelde partijdeskundigen dr. [M] en dierenarts [N] gaan in hun rapport van 21 maart 2019 niet in op dit onderwerp.

2.31

Anderzijds wijst de andere door de rechtbank benoemde deskundige, prof. [B] , in zijn rapport er wel op dat op basis van de waargenomen ziekteverschijnselen een mycotoxinevergiftiging tot de mogelijke oorzaken van de waargenomen vruchtbaarheidsstoornissen behoort. Daar staat tegenover dat geelzucht, gevoeligheid voor zonlicht en leverbeschadiging, waar bij de runderen sprake van was, niet in verband staan met een mycotoxinevergiftiging (vgl. rov. 2.55 arrest 23 juni 2015).

2.32

Al met al is sprake van een diffuus beeld rond het verband tussen mycotoxine en de ziekte (en sterfte) van de runderen van [A] :
- voor een mycotoxinevergiftiging is nodig dat de runderen voer met schimmels (dat wil zeggen meer dan de geringe hoeveelheid die altijd in voer zit) hebben gekregen;
- het moet dan ook nog gaan om verschillende soorten schimmels (prof. [C] );
- het kan niet worden uitgesloten, maar is niet aannemelijk dat voer van de kuil met gras van Staatsbosbeheer in december 2000 al beschimmeld was;
- een deel van de ziekteverschijnselen (met name de vruchtbaarheidsproblemen) passen bij een mycotoxinevergiftiging (prof. [B] );
- de deskundigen verschillen van mening over de vraag of een mycotoxinevergiftiging, los van de vruchtbaarheidsproblemen, kan leiden tot zo massale ziekte (en sterfte) bij runderen als bij [A] het geval is geweest.
Alles afwegend is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk, maar ook niet uitgesloten, dat de problemen bij de runderen van [A] (al dan niet gedeeltelijk) zijn veroorzaakt door een mycotoxinevergiftiging als gevolg van de aanwezigheid van (een bovenmatige hoeveelheid) schimmels in het voer.

2.31

Prof. [C] noemt in haar verhoor geen andere alternatieve oorzaak. In haar deskundigenbericht heeft zij dat wel gedaan. In haar antwoord op vraag 3 heeft zij geschreven dat andere oorzaken - parasitaire aandoeningen zoals leverbot en infectieziekten (BVD) - niet kunnen worden uitgesloten als mogelijke oorzaak. De genoemde partijdeskundigen van Staatsbosbeheer noemen in hun rapport van 21 maart 2019 BVD als alternatieve oorzaak van de ziekteverschijnselen. Zij noemen ook nog enkele alternatieve oorzaken.

2.32

Vastgesteld kan worden dat prof. [C] wel enkele alternatieve oorzaken noemt, maar die alternatieven in haar rapport nauwelijks onderbouwt. Bij gelegenheid van haar verhoor heeft zij deze alternatieve oorzaken niet genoemd, hoewel zij wel de gelegenheid heeft gekregen - en genomen - om aan te geven waarom een wetenschappelijke verantwoord oordeel over het causale verband tussen de ziekte en sterfte van de runderen van [A] en het van Staatsbosbeheer afkomstige voer niet kan worden gegeven.
De andere door de rechtbank benoemde deskundige, prof. [B] , heeft in zijn rapport aangegeven dat en waarom hij in theorie mogelijke oorzaken als een loodvergiftiging van de runderen niet aannemelijk acht en IBR, BVD en blauwtong in dit geval geen waarschijnlijke oorzaken van de vruchtbaarheidsproblemen bij de runderen van [A] vindt.
In een (in het Nederlands vertaald) rapport van 20 november 2012 heeft de partijdeskundige van Univé dr. [J] het volgende geschreven over de genoemde alternatieve oorzaken:
“- Uitbraken van leverbotziekte of het blauwtongvirus gedurende het koude seizoen zijn zeer onwaarschijnlijk vanwege de specifieke eigenschappen van deze aandoeningen.
- Loodvergiftiging, IBR of BVD zou niet sommige van deze klinische verschijnselen veroorzaken die in dit geval beschreven worden (bijv. geelzucht, leverbeschadiging). Serologische kuddestatusgegevens over BVD en IBR (mogelijk ook leverbotziekte) – zouden, indien aanwezig, een sterker bewijs leveren.”
Dat uitbraken van leverbotziekte en/of blauwtongvirus zeer onwaarschijnlijk zijn in het koude seizoen heeft Staatsbosbeheer niet gemotiveerd weersproken. Het is alleen om deze reden al zeer onwaarschijnlijk dat sprake is geweest van een van deze ziekten bij de runderen van [A] .
Dat geldt ook voor loodvergiftiging, IBR of BVD, gelet op wat dr. [J] opmerkt over de discrepantie tussen de ziekteverschijnselen bij de runderen van [A] en de verschijnselen bij de genoemde ziekten. Dr. [J] voegt daaraan toe dat deze ziekten nog stelliger als oorzaak zouden kunnen uitgesloten wanneer serologische kuddestatusgegevens beschikbaar zouden zijn. Anders dan Staatsbosbeheer meent, vormt deze toevoeging geen relativering van het punt dat dr. [J] eerst maakt - de ziekteverschijnselen komen niet overeen -, maar de constatering dat een extra argument ontbreekt.
In een (vertaalde) brief van 17 januari 2014 aan de advocaat van Univé licht dr. [J] toe waarom de genoemde alternatieve diagnoses hoogst onwaarschijnlijk zijn. Volgens [J] komen ze niet overeen met de kenmerkende klinische verschijnselen waar in deze zaak melding van is gemaakt. [J] werkt dat vervolgens uit voor loodvergiftiging, IBR, BVD, blauwtong, cryptosporidium en leverbotziekte.
Overigens blijkt uit een bericht van de Gezondheidsdienst voor Dieren van

30 december 2013, waarover dr. [J] uiteraard niet kon beschikken (zijn rapport was immers van 20 november 2012), dat de Gezondheidsdienst voor Dieren op 6 april 2004 heeft vastgesteld dat de kudde van [A] vrij was van IBR en leptospirose.
De partijdeskundigen van Staatsbosbeheer dr. [M] en dierenarts [N] gaan in hun rapport niet in op wat dr. [J] (uitvoerig) heeft geschreven over de discrepantie tussen de kenmerkende klinische verschijnselen van de door dr. [J] besproken ziekten en de bij de runderen van [A] vastgestelde verschijnselen. Zij concentreren zich vooral op de abortusproblematiek bij de runderen en geven aan dat die problematiek kan zijn veroorzaakt door BVD, neospora en leverbotinfectie. Zij gaan er daarbij vanuit dat die problematiek zich al voor half december 2000 voordeed. Die veronderstelling is echter onjuist (vgl. rov. 2.13).

2.33

Uit het voorgaande volgt dat prof. [C] enkele ziekten als mogelijke oorzaak noemt, maar dat niet uitwerkt, dat prof. [B] het onwaarschijnlijk vindt dat de runderen van [A] IBR, BVD, blauwtong of een loodvergiftiging hadden, dat de partijdeskundigen van Staatsbosbeheer diverse ziekten als alternatieve veroorzakers van de problemen bij de runderen van [A] hebben genoemd, maar de partijdeskundige dr. [J] gedetailleerd aangeeft waarom onwaarschijnlijk is dat de runderen van [A] aan een van deze ziekten leden.
Alles afwegend acht het hof het onwaarschijnlijk dat de ziekte en de sterfte van de runderen van [A] zijn veroorzaakt door een van de hiervoor besproken ziekten.

2.34

De tussenconclusie is dat de hiervoor besproken ziekten afvallen als mogelijke oorzaak van de ziekte en de sterfte van de runderen van [A] . Een mycotoxinevergiftiging als (al dan niet gedeeltelijke) oorzaak is niet uitgesloten, maar ook niet aannemelijk.
Het is dan ook zinvol om tegen deze achtergrond te bezien of en in hoeverre aannemelijk is dat de ziekte en de sterfte van runderen van [A] veroorzaakt is door een JKK-vergiftiging, het enig overgebleven alternatief (naast de mogelijke, maar niet waarschijnlijke mycotoxinevergiftiging).
2.35 Prof. [C] heeft tijdens haar verhoor herhaald - zij had dat in haar rapport al geschreven -, dat de aanwezigheid van Jacobskruiskruid in ruwvoer een gevaar vormt voor de gezondheid van runderen. Er is volgens haar geen eenduidig antwoord te geven op de vraag hoeveel Jacobskruiskruid maximaal aanwezig zal mogen zijn in het voer. Dat is afhankelijk van het gehalte aan PA-toxinen. Dat gehalte is in dit geval niet vastgesteld. Daarmee samenhangend geldt dat niet is vastgesteld hoeveel Jacobskruiskruid er zat in het door Staatsbosbeheer geleverde voer en hoeveel van dat voer de runderen hebben gegeten. Bovendien blijkt uit recent onderzoek dat schimmels de aanwezigheid van toxische stoffen in Jacobskruiskruid afbreken, aldus nog steeds prof. [C] . Die laatste opmerking is alleen relevant indien in het voer schimmels aanwezig waren toen het aan de runderen werd voorgezet. Maar dat dat het geval was, staat zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen nu juist niet vast, zodat de vraag of prof. [C] het onderzoek waaraan zij refereert juist heeft geïnterpreteerd - volgens partijdeskundigen dr. [K] en dr. [L] niet - niet door het hof beantwoord hoeft te worden.

2.36

Uit het rapport en het verhoor van prof. [C] blijkt niet dat zij uitsluit dat de ziekte van de runderen van [A] is veroorzaakt door het eten van voer met Jacobskruiskruid, maar dat zij vanwege de hiervoor al vermelde feitelijke onzekerheden geen wetenschappelijk verantwoord oordeel kan geven over het causaal verband tussen de aanwezigheid van Jacobskruiskruid in het voer en de ziekte en dood van de runderen. Zoals het hof in het tussenarrest van 23 juni 2015 heeft overwogen (rov. 2.50), is voor het leveren van civielrechtelijk bewijs van dat causaal verband een sluitende wetenschappelijke onderbouwing niet vereist. Het gaat niet om absolute zekerheid, maar om een redelijke mate van zekerheid. Dat prof. [C] , overigens net als de partijdeskundigen dr. [M] en dierenarts [N] van Staatsbosbeheer, van mening zijn dat een wetenschappelijk sluitende onderbouwing van het causaal verband niet te geven is, staat dan ook op zichzelf niet in de weg aan de conclusie dat dat bewijs wel geleverd is.

2.37

Ook prof. [B] sluit in zijn rapport niet uit dat de ziekte en de sterfte van de runderen van [A] is veroorzaakt door het eten van voer met Jacobskruiskruid. Volgens hem kan (gelet op de ziekte, het ziekteverloop en de klinische verschijnselen) een beperkt aantal runderen (maximaal 10) ziek geworden en gestorven zijn aan een Jacobskruiskruidvergiftiging. Het beperkte aantal hangt samen met de opvatting van prof. [B] over de minimale hoeveelheid Jacobskruiskruid die noodzakelijk is om letaal te zijn. De opvatting van prof. [O] op dit punt worden weersproken door prof. [C] en de partijdeskundigen van Univé, die aangeven dat zo’n minimale hoeveelheid Jacobskruiskruid niet is aan te geven.
Gelet hierop biedt ook het rapport van prof. [O] steun voor de gedachte dat de ziekte en de sterfte van de runderen van [A] veroorzaakt kan zijn door het eten van voer met Jacobskruiskruid.

2.38

Uit de diverse rapporten van (partij)deskundigen volgt dat het eten van Jacobskruiskruid leidt tot beschadiging van de lever van de runderen en tot uiting moet komen in de leverwaarden van die runderen. Prof. [C] heeft daarover het volgende verklaard:
De dieren hebben het voer gegeten over een periode van ongeveer vier weken. We weten uit de literatuur dat bij een JKK [hof: Jacobskruiskruid] vergiftiging levercellen afsterven en vervangen worden door bindweefsel. Dit proces duurt meerdere weken tot maanden. In dit geval zijn de gemeten leverwaarden niet erg hoog. Er zijn twee metingen verricht, de eerste door de veearts, met behulp van een dip stick methode. Dat is een methode die is ontwikkeld voor de praktijk, ter oriëntatie. Met deze test werden in dit geval bij enkele dieren hoge waardes voor een lever specifiek enzym gemeten, maar tevens voor een absoluut niet-specifiek enzym (LHD). Hieruit moeten we afleiden dat, zoals gebruikelijk bij dit soort tests, de gemeten waarden een indicatie vormden. De waarden waren dan ook niet erg betrouwbaar. Vervolgens heeft de dierenarts een groot aantal monsters verstuurd naar de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). In het laboratorium wordt heel accuraat gemeten. De door de GD gemeten waarden laten wel lichte verhogingen van lever specifieke enzymen zien, maar duiden niet op acute intoxicatie. Wel zouden ze kunnen wijzen op een chronische blootstelling aan lage hoeveelheden JKK. Een vergelijkbare verhoging van leverenzymen wordt ook waargenomen bij dieren die door infectieziekten sterk vermageren of bijvoorbeeld blootgesteld zijn aan schimmels en mycotoxine. Vandaar dat ik niet tot het oordeel kom dat die verhoging uitsluitend is veroorzaakt door JKK.

2.39

Het feit dat bij de door de Gezondheidsdienst voor Dieren uitgevoerde metingen slechts licht verhoogde leverwaarden zijn aangetoond, wordt door partijdeskundigen [K] en [L] uitvoerig verklaard in hun rapport van 25 januari 2019. De kern van hun verklaring is de volgende:
Bij verminderde leverwerking moet altijd onderscheid worden gemaakt tussen leverfunctie en leverschade. In de bijlage bij dit rapport is een schematische tekening opgenomen van het proces in de tijd gezien. De lever heeft bij vleeskoeien een overcapaciteit van 50% of meer (voor melkkoeien is dat minder). Van de giftige stoffen in Jacobskruiskruid wordt wel gezegd dat iedere molecuul een levercel kapot maakt. Als de levercel kapot is, zie je geen enzymverhoging meer maar wel een verlaging van de aanmaak van bepaalde eiwitten, zoals albumine. Albumine is daarom een indicator van leverfunctie: een daling van enkele grammen per liter in het bloed is al een indicatie van een verminderde leverfunctie.
Dat is ook de verklaring waarom de dierenarts eerst erg hoge waarden van leverenzymen vindt (LDH) terwijl in het bloed dat na twee maanden is afgenomen en bij GD is onderzocht, slechts een matige verhoging is gevonden. In de bijlage staat ook toegelicht waarom voor het bepalen van de leverschade en leverfunctie altijd een combinatie van het eiwit albumine en de enzymen gGT, AST en GLDH wordt onderzocht.
(…)
De bloedmonsters die GD heeft onderzocht, werden pas een aantal weken later genomen enonderzocht. Op dat moment aten de koeien al enige weken niet meer van het hooi waarin JKK werd aangetroffen. Het acute stadium was dus al gepasseerd. Daardoor is het mogelijk dat de leverenzymen in het bloed weer wat lager waren maar wel nog steeds verhoogd.”
Deze visie wordt ondersteund door de brief van partijdeskundige dr. [J] van

15 januari 2019, die onder meer schrijft:
From the reports I understand that blood samples analyzed at the GD were obtained at a later stage of the disease, not in the acute phase. The level of enzyme activities reported by the GD is thus certainly within the range of what would be expected with JKK intoxication considering the time frames between onset of clinical signs in the herd and blood sampling. From a clinical diagnostic point of view the statement that low liver enzyme activity is not consistent with acute JKK intoxication is not sustainable. It is consistent in cases where the blood samples for analyses were not collected shortly (days) after acute intoxication but rather weeks as it seems to have occurred here.
Tegenover deze rapporten voeren de partijdeskundigen dr. [M] en dierenarts [N] van Staatsbosbeheer aan dat de door de Gezondheidsdienst voor Dieren gemeten leverwaarden niet wijzen op een leverbeschadiging. Volgens hen is slechts sprake van een zeer lichte daling van albumine en van een zeer matige stijging (bij enkele dieren) van de GGT-waarde. Univé wijst er echter op dat de partijdeskundigen van Staatsbosbeheer niet aangeven welke maatstaf zij hanteren voor hun vaststelling dat sprake is van een zeer lichte daling van albumine. Volgens Univé is een albumine gehalte van minder dan 20 g/l erg slecht - dat was het geval bij 30 dieren - en van minder dan 25 g/l matig.
2.40 Al met al vindt het hof het aannemelijk dat de bekende gegevens over de leverwaarden eerder overeenkomen met wat verwacht mag worden bij runderen die een vergiftiging met Jacobskruiskruid hebben opgelopen dan dat sprake is van een inconsistentie tussen die gegevens en een vergiftiging. Het hof tekent daarbij aan dat de eerste, weliswaar provisorische, metingen door [E] hoge leverwaardes lieten zien, passend bij een acute intoxicatie. Dat die meting provisorisch was, betekent naar het oordeel van het hof niet dat daaraan geen waarde kan worden toegekend, zeker niet omdat de methode, zoals ook volgt uit de verklaring van prof. [C] , in de praktijk gangbaar is en gegevens oplevert waarmee in de praktijk gewerkt kan worden.
Een en ander neemt niet weg dat, gelet op de verschillende opvattingen van de deskundigen, op het punt van de leverwaarden niet alle twijfels over het causaal verband tussen het eten van Jacobskruiskruid en de ziekte van de runderen van [A] zijn weggenomen.

2.41

Het staat niet ter discussie dat geen sprake is van een directe relatie tussen verminderde vruchtbaarheid (waaronder abortussen) en de vergiftiging met Jacobskruiskruid. Naar het oordeel van het hof hebben de partijdeskundigen van Univé wel voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een indirecte relatie tussen beide. Dr. [J] brengt dat in zijn eerder aangehaalde brief van 15 januari 2019 als volgt onder woorden:
Liver damage of whatever cause (infectious, inflammatory, metabolic….) clinically affecting an animal is associated with disturbed metabolic health and can for example reduce the chance of animal of becoming pregnant and does increase the risk of abortion of a pregnant animal. Zearaleone (ZEN) is one of the few causes specifically affecting fertility, but not causing clinical disease in cattle, as observed in this case.”
Dat ligt ook in lijn met wat prof. [C] heeft verklaard, dat een vergiftiging met Jacobskruiskruid weliswaar geen gevolgen heeft voor de hormoonhuishouding, maar dat langdurige leverproblemen wel kunnen leiden tot een verminderde vruchtbaarheid.
Volgens prof. [C] is vanwege de kortdurende periode van blootstelling in dit geval echter geen sprake van leverproblemen. Uit wat hiervoor is overwogen over de leverwaarden, volgt dat de partijdeskundigen van Univé haar daarin niet volgen.
Ook voor wat betreft de gegevens over de vruchtbaarheidsproblematiek geldt, alles afwegend, dat die gegevens op zich niet in de weg staan aan het aannemen van causaal verband tussen het eten van Jacobskruiskruid en de ziekte en sterfte van de runderen, maar dat wel vragen overblijven. Die vragen houden ook verband met het feit dat er weliswaar niet van kan worden uitgegaan dat ook voor december 2000 al sprake was van deze problematiek, maar dat ook niet duidelijk is hoe de problematiek zich in de daaropvolgende maanden heeft ontwikkeld.

2.42

De conclusie is dat hoewel een causaal verband niet wetenschappelijk kan worden aangetoond, vergiftiging met Jacobskruiskruid de meest aannemelijk oorzaak is van de ziekte en de sterfte van de runderen:
- de runderen hebben substantiële hoeveelheden Jacobskruiskruid gegeten;
- Jacobskruiskruid kan op zichzelf ziekte en sterfte van runderen op deze schaal veroorzaken;
- diverse ziekteverschijnselen bij de dieren zijn gelieerd aan Jacobskruiskruid;
- voor de mogelijke contra-indicaties (de leverwaarden en de vruchtbaarheidsproblematiek) is een plausibele verklaring;
- andere mogelijke oorzaken vallen af, of zijn (ofschoon niet uitgesloten toch) niet aannemelijk.
Toch blijven er onduidelijkheden en onzekerheden:

- het staat niet vast hoeveel Jacobskruiskruid de runderen hebben gegeten;
- het is niet uitgesloten dat het voer dat de runderen gegeten hebben (veel) meer dan de gebruikelijke (niet schadelijke) hoeveelheid schimmels bevatte en (ook) een mycotoxinevergiftiging hebben opgelopen;
- een gedegen onderzoek naar de levers van de runderen heeft niet plaatsgevonden. De bekende leverwaarden zijn op meerdere manieren te interpreteren;
- onduidelijk is hoe de vruchtbaarheidsproblematiek zich na december 2000 heeft ontwikkeld;
- de ziekteverschijnselen zijn niet systematisch beschreven.

2.43

Alles afwegend kan naar het oordeel van het hof niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de ziekte en de dood van de runderen van [A] het gevolg is van een Jacobskruiskruisvergiftiging. In zoverre is Staatsbosbeheer geslaagd in het leveren van tegen bewijs.
Er is echter reden om in dit geval, zoals door Univé ook subsidiair is bepleit, het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid toe te passen:
- allereerst staat de aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer vast;
- vervolgens blijkt uit wat hiervoor is overwogen, dat er niet een zeer kleine kans bestaat dat er conditio sine qua non-verband tussen het eten van Jacobskruiskruid in het door Staatsbosbeheer geleverde voer en de ziekte en dood van de runderen van [A] ;
- ten slotte rechtvaardigen de aard en de strekking van de door Staatsbosbeheer geschonden norm - een zorgvuldigheidsnorm betreffende de veiligheid van voedsel voor dieren, bedoeld ter bescherming van de gezondheid van dieren – toepassing van het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid.
Het hof schat de kans dat de gezondheidsschade van de runderen van [A] is veroorzaakt door een Jacobskruisvergiftiging aanzienlijk hoger dan de kans dat de gezondheidsschade een andere oorzaak heeft. Om die reden houdt het hof Staatsbosbeheer aansprakelijk voor twee derde deel van de schade.

2.44

De grieven IV en V in het principaal appel slagen dan ook gedeeltelijk.

Hoe verder in de procedure?
2.45 Partijen hebben aan het begin van de procedure in eerste aanleg gedebatteerd over de omvang van de vordering van Univé. In het vervolg van de procedure hebben partijen (en rechtbank en hof) zich geconcentreerd op andere onderwerpen (verjaring, aansprakelijkheid en causaliteit). Omdat nu is vastgesteld dat Staatsbosbeheer aansprakelijk is voor twee derde deel van de schade, komt de omvang van de schade weer in beeld.

2.46

Het hof heeft behoefte aan een herberekening van de vordering van Univé gebaseerd op een aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer van twee derde deel van de schade. Univé dient bij akte een dergelijke herberekening in het geding te brengen, met de onderliggende stukken, te weten:
- betalingsbewijzen van de door haar gedane betalingen aan [A] ;
- de berekening (opbouw) van die betalingen;
- een renteberekening (sluitend op één bedrag), dus niet, zoals nu, ongeveer twintig ingangsdata van de wettelijke rente.
Het hof is zich ervan bewust dat Univé in eerste aanleg diverse rapporten en verklaringen betreffende de omvang van de schade in het geding heeft gebracht, maar deze rapporten bieden geen alles omvattende verantwoording van de door Univé betaalde bedragen. Het ligt dan ook voor de hand dat Univé een nieuw rapport vervaardigt, waarin eventueel kan worden verwezen (onder duidelijke vermelding van de vindplaats) naar de eerder overgelegde stukken.
2.47 Staatsbosbeheer kan bij antwoordakte op de berekening van Univé, en de onderbouwing ervan, reageren.

2.48

Over de omvang van de schade overweegt het hof op voorhand nog het volgende. Staatsbosbeheer heeft er terecht op gewezen dat op de waarde van de dode runderen de slachtopbrengst in mindering gebracht moet worden. Tussen partijen staat dat, naar het hof begrijpt, ook niet ter discussie.
Staatsbosbeheer voert verder aan dat sprake is geweest van besparingen doordat de runderen eerder zijn geslacht dan gepland en om die reden minder voeder hebben gehad. Dat betoog gaat niet op, omdat Staatsbosbeheer miskent dat [A] de dode dieren heeft moeten vervangen en de vervangende dieren ook gevoerd moesten worden.
Ook het beroep van Staatsbosbeheer op schending van de schadebeperkingsverplichting door [A] - [A] zou de zieke dieren te laat hebben laten slachten, waardoor de slachtopbrengst lager zou zijn geworden - gaat niet op, omdat het onvoldoende is onderbouwd. Staatsbosbeheer heeft niet duidelijk gemaakt dat en waarom [A] in redelijkheid enkel en alleen vanwege een mogelijk (iets) hogere slachtopbrengst zijn in decennia opgebouwde veestapel in een rigoreuze actie zou hebben moeten laten slachten, zonder af te wachten of een deel van de veestapel toch nog zou herstellen.

3
3. De beslissing

Het gerechtshof, voordat het verder beslist:

verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2020 voor akte aan de zijde van Univé;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.H. Kuiper en D.H. de Witte en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.