Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1840

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
200.260.611
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.260.611

(zaaknummer rechtbank Gelderland 346803)

beschikking van 3 maart 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Ettaia te Zeist,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbende zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

en

de pleegouders van hierna te noemen [de minderjarige] .

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 mei 2019;

- een brief van de raad van 23 september 2019 waarin de raad bericht ter zitting mondeling
verweer te voeren.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [C] verschenen. Namens de GI is verschenen [D] . Tevens is de partner van de moeder, [E] , verschenen aan wie het hof - met instemming van alle aanwezigen - bijzondere toegang heeft verleend tot het bijwonen van de mondelinge behandeling. De vader en de pleegouders zijn niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder met de vader is geboren [in] 2009 te [F] , [de minderjarige] , hierna: [de minderjarige] .

De moeder is van rechtswege alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Bij beschikking van 22 februari 2012 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De termijn van de ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 23 december 2020.

3.3

Bij beschikking van 23 december 2016 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De termijn van deze uithuisplaatsing is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 23 december 2020.

3.4

[de minderjarige] heeft van augustus 2011 tot februari 2013 in een netwerkpleeggezin gewoond. Vanaf april 2016 is [de minderjarige] opnieuw in een netwerkpleeggezin geplaatst. [de minderjarige] verbleef van 30 september 2016 tot 19 juli 2019 in een perspectiefbiedend pleeggezin. Met ingang van 19 juli 2019 is [de minderjarige] geplaatst in de [G] , onderdeel van [H] te [I] , voor specialistische observatie en diagnostiek.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd.

4.2

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen af te wijzen, dan wel te verwerpen, kosten rechtens.

4.3

De raad voert verweer tijdens de mondelinge behandeling.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

De moeder acht zich, met de juiste hulp, in staat binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen. De psychische situatie van de moeder is stabiel en er is geen risico op terugval. De moeder heeft een baan en een partner. Zij is van mening dat zij na de uithuisplaatsing nooit de kans heeft gekregen om te laten zien dat zij over voldoende opvoedvaardigheden beschikt. De moeder heeft zich de laatste jaren positief ontwikkelt en is leerbaar gebleken. Haar situatie is genormaliseerd. Een beëindiging van het gezag is te ingrijpend, een uithuisplaatsing is voldoende. Behoud van het gezag geeft de moeder meer zekerheid voor de toekomst, omdat dan tevoren met haar overlegd moet worden bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De moeder onderschrijft het belang voor [de minderjarige] bij duidelijkheid over zijn opgroeiperspectief. Nu [de minderjarige] niet kon blijven wonen in het pleeggezin en inmiddels in [H] is geplaatst is er nog geen zekerheid over zijn perspectief en verzet het belang van [de minderjarige] zich tegen een gezagsbeëindiging, die voor de moeder voelt als een verbreking van alle banden met [de minderjarige] .

5.4

Het hof komt - na eigen onderzoek - tot hetzelfde oordeel als de rechtbank, namelijk dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] . Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking over voor zover deze betrekking hebben op de problematiek en de positieve ontwikkeling van de moeder en maakt die tot de zijne en verwijst daar kortheidshalve naar. Ook sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank dat de raad in zijn rapport wel degelijk rekening heeft gehouden met de positieve ontwikkeling van de moeder maar dat de moeder desondanks niet inziet op welke manier het verleden [de minderjarige] heeft belast en hoe erg hij zorgen over haar heeft, dat de moeder zich onvoldoende kan inleven in [de minderjarige] en onvoldoende inzicht heeft in de specifieke opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] .
In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof nog het volgende.

5.5

Het hof is met de raad van oordeel dat de aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 lid 1, onder a, BW, waarbinnen gewerkt kan worden aan terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder inmiddels is verstreken. Nadat [de minderjarige] van 2011 tot 2013 gedurende een periode van anderhalf jaar bij een netwerkpleeggezin heeft gewoond, woont [de minderjarige] nu al bijna vier jaar niet meer bij de moeder thuis. Uit de begeleiding van de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] komt naar voren dat [de minderjarige] zich nog steeds zorgen maakt om de moeder en dat de moeder [de minderjarige] belast met volwassen problematiek. [de minderjarige] heeft meer dan tweeënhalf jaar in het perspectiefbiedende pleeggezin van de pleegouders gewoond, maar hij heeft van de moeder niet de emotionele toestemming gekregen om daar te blijven wonen. Daardoor bleven de contacten tussen [de minderjarige] en de moeder bij hem spanningen oproepen. Deze spanningen hebben ertoe geleid dat de positieve ontwikkeling die [de minderjarige] in het pleeggezin heeft doorgemaakt is gestagneerd. Uiteindelijk heeft de GI, in overleg en met toestemming van de moeder, gekozen voor een klinische opname van [de minderjarige] voor observatie en diagnostiek. Onderzocht moet worden welke hulpverlening [de minderjarige] nodig heeft om verdere stagnatie (bedreiging) van zijn ontwikkeling te voorkomen.

[de minderjarige] is een kwetsbare jongen. Hij is gediagnosticeerd met een beneden gemiddeld IQ, hij is controle behoeftig, en hij heeft veel uitleg, sturing en aandacht nodig. In verband met deze problematiek heeft [de minderjarige] meer nodig dan de moeder hem kan bieden. De moeder is, gelet op haar gebrek aan zelfreflectie en responsiviteit, onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de opvoedingsbehoeftes van [de minderjarige] . Gelet hierop is het hof met de rechtbank van oordeel dat het opvoedperspectief van [de minderjarige] in elke geval niet meer bij de moeder ligt. [de minderjarige] , die inmiddels 11 jaar oud is, heeft na een lange periode van onzekerheid omtrent zijn opvoedperspectief behoefte aan zoveel mogelijk duidelijkheid omtrent dat perspectief. Vanuit de huidige plaatsing in [H] kan met behulp van diagnostiek van zijn problematiek worden gewerkt aan het voorkomen van verder stagnatie in de ontwikkeling van [de minderjarige] en gezocht worden naar een nieuw opvoedperspectief voor hem.
Het hof zal daarom de bestreden beschikking waarin het gezag van de moeder over [de minderjarige] is beëindigd bekrachtigen.

5.6

De positieve ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt leidt er naar het oordeel van het hof niet toe dat de moeder nu wel aan [de minderjarige] de benodigde zorg, structuur en veiligheid kan bieden. Wel kan deze ontwikkeling haar relatie met [de minderjarige] ten goede komen, zodat de moeder, ook na beëindiging van het gezag, een rol in zijn leven blijft vervullen, zij het als moeder op afstand.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 februari 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 3 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.