Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1823

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.228/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Het hof kan de zaak op verzoek van de betrokkene zelf behandelen in plaats van deze terug te wijzen, maar alleen als (alsnog) zekerheid is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.244.228/01

CJIB-nummer

: 214660319

Uitspraak d.d.

: 2 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling.

2. De betrokkene voert in hoger beroep met betrekking tot de zekerheidstelling onder meer aan dat hij de tweede zekerheidsbrief van 11 mei 2018 nooit heeft ontvangen. De betrokkene geeft aan inmiddels zekerheid te hebben gesteld en verzoekt zijn beroep om die reden inhoudelijk te behandelen.

3. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de in deze zaak relevante periode, de tweede zekerheidsbrief niet is verzonden. Dit brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat niet tijdig zekerheid is gesteld.

4. Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Nu de betrokkene de behandeling van het beroep door het hof zelf verlangt en inmiddels zekerheid is gesteld, zal het hof de zaak niet terugwijzen maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie behandelen.

5. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 109,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 13 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 februari 2018 om 21.10 uur op de N217 kruising Vrouwe Huisjesweg te Mijnsherenland met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

6. De betrokkene voert aan dat hij het absurd vindt dat hij binnen één minuut twee dezelfde boetes heeft gekregen voor eenzelfde overtreding. In zijn beslissing is de officier van justitie niet ingegaan op de stelling dat hij, door deze wijze van handhaven, een oneindig bedrag aan sancties kan krijgen. Volgens de betrokkene is die beslissing daarmee niet afdoende gemotiveerd en dient deze, net als de inleidende beschikking, te worden vernietigd.

7. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking wordt vermeld.

8. De officier van justitie heeft in zijn beslissing overwogen dat uit de beschikbare informatie blijkt dat het gaat om verschillende locaties en/of verschillende tijdstippen en dus om afzonderlijke gedragingen. Er zijn, aldus de officier van justitie, geen omstandigheden gebleken die de aansprakelijkheid voor de gedragingen opheffen, dan wel aanleiding geven tot een andere visie op de wettelijk daaraan verbonden sancties.

9. Het hof is van oordeel dat de door de officier van justitie gebezigde motivering niet als ondeugdelijk kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen. Dat de officier van justitie niet expliciet op de door de betrokkene geponeerde stelling - dat hij theoretisch gezien 60 sancties per uur zou kunnen krijgen - is ingegaan, maakt niet dat de beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd. Het verweer treft geen doel.

10. Met de officier van justitie is het hof van oordeel dat sprake is van twee los van elkaar staande gedragingen en dat geen sprake is van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit. Het hof heeft in zijn uitspraak van 4 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:3835, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) overwogen dat een verkeersdeelnemer voortdurend te maken krijgt met nieuwe verkeerssituaties, waarin hij alert dient te zijn en waarin hij derhalve bij voortduring beslissingen neemt en moet nemen. Het ongewijzigd vervolgen van zijn weg door een verkeersdeelnemer kan in dit verband ook als een beslissing worden aangemerkt. Aldus zal niet snel sprake zijn van meerdere gedragingen die voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Dat is in het onderhavige geval niet anders. Dat er slechts een minuut tussen de gedragingen zit, maakt de gedraging niet minder sanctiewaardig. De betrokkene heeft tussen de twee snelheidsmetingen ruim voldoende gelegenheid gehad om zijn snelheid aan te passen aan de geldende maximumsnelheid.

11. Gelet hierop treffen de bezwaren geen doel en zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.