Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1777

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
200.259.079/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeder stelt geen appel in tegen beslissing rechtbank dat er family-life is tussen oma en kleindochter. Hof beslist inhoudelijk over recht op omgang ondanks, dat moeder in haar verweer het family-life wel ontkent (1:377a BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.079/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/224750 / FA RK 18-2687)

beschikking van 27 februari 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de oma,

advocaat: mr. H. Plantenga te Amsterdam,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 mei 2019;

- het verweerschrift;

- een brief van mr. Plantenga van 20 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Plantenga van 2 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mulder van 27 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Plantenga van 4 februari 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is mevrouw [B] verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een relatie gehad met [C] (verder te noemen: de vader). Uit deze relatie is [in] 2013 [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren.

3.2

[de minderjarige] is door haar vader erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

3.3

De oma is de moeder van de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil het recht op omgang van [de minderjarige] met haar oma.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de oma tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen.

4.2

De oma is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De oma verzoekt het hof - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking te vernietigen en de door haar verzochte omgangsregeling (te weten één keer per vier weken, een halve dag omgang met [de minderjarige] van 12.00 uur tot 18.00 uur) toe te wijzen, uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt -naar het hof begrijpt- om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor het geval het hof het vaststellen van een omgangsregeling zou overwegen, verzoekt de moeder om de oma niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken vanwege het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking dan wel een raadsonderzoek te gelasten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Volgens artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Ingevolge lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

5.2

In artikel 1:377a lid 3 BW is bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de oma voldoende heeft gesteld om een nauwe persoonlijke betrekking aan te nemen tussen de oma en [de minderjarige] . Op grond daarvan heeft de rechtbank de oma ontvangen in haar verzoek. Gelet op de door de moeder ingenomen procespositie, zoals hiervoor onder 4.3 verwoord, zal het hof vooreerst uitgaan van de juistheid van dat oordeel en overgaan tot beoordeling van het verzoek van de oma tot vaststelling van een omgangsregeling met [de minderjarige] .

5.4

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de oma om een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen moet worden afgewezen. Het hof acht deze omgang in strijd met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

5.5

[de minderjarige] groeit op in een complexe familiesituatie. Bij de vader -met wie [de minderjarige] geen contact heeft- is (mogelijk) sprake van (zware) criminele banden. Ter zitting van het hof is door de oma bevestigd dat hij onlangs door de politie is opgepakt op verdenking van het plegen van plofkraken. Omdat de vader op het adres van de oma staat/stond ingeschreven, is bij de oma huiszoeking gedaan. Daarbij zouden explosieven in beslag zijn genomen. Weliswaar geeft de oma aan dat zij niet weet wat er bij deze zoeking in beslag is genomen omdat zij geen beslaglijst heeft ontvangen, duidelijk is wel dat dit voor de moeder een bevestiging is van haar zorgen over het milieu waarin de vader al langere tijd verkeert, terwijl voor haar onduidelijk blijft in hoeverre de oma afstand van dit milieu kan en/of wil nemen nu het haar zoon betreft.

Daarbij komt dat de moeder het contact met haar eigen familie ook heeft verbroken in verband met criminele banden in haar eigen familie, die (deels) verweven lijken te zijn met die van de vader. De moeder heeft zich van dit milieu gedistantieerd. Om veiligheidsredenen woont zij op een geheim adres. Ook haar familie weet niet waar zij woont, met uitzondering van haar moeder. Het onlangs voorzichtig opgestarte contact tussen [de minderjarige] en moeders vader, heeft de moeder (voorlopig) weer gestopt omdat dit volgens haar te gevaarlijk werd en zij opnieuw last kreeg van angstaanvallen.

5.6

Deze complexe situatie die voor de moeder erg ingewikkeld is, tezamen met haar wantrouwen richting de oma, onder meer vanwege de verwevenheid met de vader, maken dat de moeder al erg haar best moet doen om haar stabiliteit te behouden. Zij heeft al een terugval gehad in angstaanvallen en is -nadat zij eerder al EMDR-therapie heeft gevolgd- nog steeds onder behandeling van een psycholoog. Omgang tussen de oma en [de minderjarige] zal de moeder veel extra stress en spanning geven en dat zal zijn weerslag hebben op [de minderjarige] . Daarmee is het vaststellen van een omgangsregeling tussen de oma en [de minderjarige] in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . De grief van de oma faalt.

5.7

Nu het hof geen omgangsregeling zal vaststellen, komt het (via de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep) niet toe aan de vraag of de oma door de rechtbank terecht in haar verzoek is ontvangen.

6 De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 februari 2019 (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen).

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 27 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.