Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1659

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
21-005810-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:3888, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan uitbuiting. Het slachtoffer was illegaal in Nederland, had geen enkele rechtspositie en was volledig afhankelijk van verdachte en zijn medeverdachte voor zijn loon en zijn huisvesting. Verdachte was op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van het slachtoffer en heeft hiervan misbruik gemaakt door het slachtoffer slecht te betalen en hem werkzaamheden te laten verrichten die riskant waren zonder dat het slachtoffer hierbij gewaarschuwd werd en/of beschermende kleding ontving. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mensensmokkel door het slachtoffer op te nemen en te huisvesten. Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005810-17

Uitspraak d.d.: 26 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 oktober 2017 met parketnummer 08-997005-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld, maar het door verdachte ingestelde hoger beroep is bij akte van 21 januari 2020 ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 55.000,- en toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 20.547,76. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,-. waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, wegens mensensmokkel van [slachtoffer] (feit 2). Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de ten laste gelegde mensenhandel jegens [slachtoffer] (feit 1).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 t/m 6 december 2015 in de gemeente Emmen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer] ,

(telkens) door dwang en/of fraude en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] , die ander heeft gehuisvest en/of heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van het eerste lid van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht genoemde middel(en), te weten door dwang en/of fraude en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] , die ander heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar stelde/zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten, en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] ,

hierin bestaande dat:

- die [slachtoffer] onderdaan van Marokkaanse afkomst was en/of vanuit Marokko (met behulp van mensensmokkelaars) naar Europa was gebracht/gekomen, al dan niet onder valse voorwendselen, en/of

- die [slachtoffer] niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal sprak en/of onbekend was met de Nederlandse samenleving, en/of

- die [slachtoffer] bij aankomst in Europa / Nederland geen onderdak had en/of beschikte over weinig geld en/of weinig kleding tot zijn beschikking had, en/of

- die [slachtoffer] verbleef bij en/of werkzaamheden verrichtte voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of (daardoor) afhankelijk was van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die [slachtoffer] illegaal in Nederland verbleef en/of geen verblijfsvergunning had en/of geen zorgverzekering in Nederland kon afsluiten, en/of

- die [slachtoffer] feitelijk over (te) weinig geld beschikte om in zijn onderhoud te voorzien en/of om terugkeer naar Marokko en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken, en/of

- die [slachtoffer] geen recht had op een sociale uitkering omdat er voor hem door verdachte en/of zijn mededader(s) geen premies werd(en) ingehouden en afgedragen, en/of

- die [slachtoffer] niet als werknemer van/door verdachte en/of zijn mededader(s) was aangemeld bij het UWV en/of niet was opgenomen in de loonadministratie, en/of

- die [slachtoffer] nog een bedrag (van ongeveer 6.000 euro) tegoed had van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- aan die [slachtoffer] als onderdak/slaapplaats slechts een (kleine) ruimte gelegen in/bij de kas(sen) waarin de werkzaamheden werden verricht, ter beschikking werd gesteld, en/of

- die aan [slachtoffer] ter beschikking gestelde ruimte in/bij de kas(sen) in/omstreeks de maand november 2015 niet werd verwarmd, aangezien er toen geen teelt (meer) plaats vond, en/of

- die in die aan [slachtoffer] ter beschikking gestelde ruimte in/bij de kas(sen) sprake was van lekkage bij regenval, en/of

- aan die [slachtoffer] de opdracht werd gegeven gedurende langere tijd (ook 's avonds en/of 's nachts) achter elkaar (nagenoeg) zonder pauze(s) te werken en/of de werkzaamheden en/of gewerkte uren van zijn collega's te controleren en/of te rapporteren aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- aan die [slachtoffer] geen gelegenheid werd geboden om vakantie/verlof te nemen, en/of

- aan die [slachtoffer] geen overuren werden uitbetaald, en/of

- aan die [slachtoffer] werd opgedragen om in die kas(sen) (niet in Nederland toegelaten) gewasbeschermingsmiddelen toe te passen en/of stoomwerkzaamheden te verrichten waartoe hij niet was opgeleid, althans met welke – gespecialiseerde – werkzaamheden en/of de gevaren daarvan (met name de extreme hitte onder het gebruikte zeil bij die stoomwerkzaamheden en/of het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen) hij onbekend was, en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) door zo te handelen – veel – lagere loonkosten heeft/hebben gehad dan bij het tewerkstellen van die [slachtoffer] conform het geldende minimumloon en/of conform overeenkomst/afspraak het geval zou zijn geweest, en/of

- die [slachtoffer] door verdachte en/of zijn mededader(s) geen gelegenheid werd geboden om vakantie/verlof te nemen en zodoende gedwongen werd om door te werken, en/of

- verdachte nog geld verschuldigd is aan die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] verrichte overuren nog niet zijn uitbetaald;

zulks terwijl een of meer van de hiervoor beschreven feit(en) zwaar lichamelijk letsel, te weten zware brandwonden over 2/3, althans een groot deel van het lichaam en/of inhalatieletsel van de luchtwegen, ten gevolge heeft gehad bij die [slachtoffer] ;

2.
verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 t/m 6 december 2015, althans in of omstreeks de maand maart 2015, in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten de Marokkaanse onderdaan [slachtoffer] , uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of die [slachtoffer] daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door hem onderdak en/of werk te bieden bij/op een kwekerij te [plaats] , zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf van die [slachtoffer] wederrechtelijk was; zulks terwijl dit feit werd begaan in de uitoefening van verdachtes ambt of (agrarisch) beroep in de teelt van groenten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs 1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De advocaat-generaal acht de verklaringen van [slachtoffer] in hun kern betrouwbaar, nu deze verklaringen op belangrijke punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit het dossier blijkt voorts dat [slachtoffer] illegaal in Nederland verbleef en dat er sprake was van een situatie waarin [slachtoffer] arbeid verrichtte voor verdachte en [medeverdachte 1] . Er was sprake van misbruik van een kwetsbare positie en van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht nu verdachte weet had van de omstandigheden waaruit deze kwetsbare positie en dit feitelijk overwicht voortvloeiden en zijn opzet in die zin daarop was gericht. [slachtoffer] verkeerde in een situatie waarin hij geen andere werkelijke of aanvaarbare keuze had dan dit misbruik te ondergaan. [slachtoffer] werkte meer uren, met minder verlof en met meer beperkingen dan zoals opgesomd in het Chinese horeca-arrest en zeker dan de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven. Of hij überhaupt loon zou krijgen, was bovendien onzeker. De intentie van [medeverdachte 1] was om [slachtoffer] uit te buiten. Ondanks dat [medeverdachte 1] diegene is geweest die de feitelijke handelingen jegens [slachtoffer] heeft verricht kunnen die (strafbare) gedragingen van [medeverdachte 1] aan verdachte worden toegerekend, nu de werkzaamheden van [slachtoffer] pasten in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en verdachte heeft nergens ingegrepen of handelingen voorkomen en daarmee de strafbare gedragingen aanvaard. Ook heeft verdachte aanmerkelijk economisch voordeel genoten. Op grond van het voorgaande volgt dat verdachte de grens van het niet als uitbuiting aan te merken slecht werkgeverschap beduidend heeft overschreden en hier sprake is van mensenhandel. Er is voorts een causaal verband tussen de gedwongen werkzaamheden die [slachtoffer] verrichtte en het opgelopen zwaar lichamelijk letsel. De advocaat-generaal concludeert dat feit 1, eerste lid, sub 1, 4 en 6 en lid 4 in de medeplegen-variant wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ook feit 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu verdachte [slachtoffer] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en daarbij uit winstbejag heeft gehandeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte – conform het vonnis van de rechtbank – dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] onderdak heeft geboden in ruil voor het schoonmaken van de kantine en het toezicht houden op mogelijke diefstallen uit de schuren en kassen. Vervolgens is van het een het ander gekomen en is [slachtoffer] vrijwillig steeds meer werkzaamheden gaan verrichten. [slachtoffer] kreeg daar – ondanks dat er geen afspraken over waren gemaakt – wel voor betaald. [slachtoffer] had voldoende financiële middelen en een behoorlijke mate van vrijheid. Het handelen van verdachte is weliswaar aan te merken als slecht werkgeverschap, er was echter geen sprake van opzet op de uitbuiting van [slachtoffer] en dus ook geen sprake van mensenhandel. De verdediging heeft voorts aangegeven dat verdachte zich voor wat betreft de ten laste gelegde mensensmokkel (feit 2) kan vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de hieronder genoemde bewijsmiddelen.

Het hof stelt op grond van de feiten en omstandigheden het volgende vast.

Op zondag 6 december 2015, omstreeks 22.59 uur, is een onbekende man met ernstige

brandwonden binnengebracht in het Scheper ziekenhuis te Emmen. Later die nacht is de man overgebracht naar het brandwondencentrum van het Martini Ziekenhuis te Groningen. De man was voor 60% verbrand aan zijn lichaam.2 Door de politie werd een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de man. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het een illegaal in Nederland verblijvende persoon was met de naam [slachtoffer] . [slachtoffer] bleek te verblijven en werkzaam te zijn bij het paprika/tomatenteeltbedrijf [verdachte] te [vestigingsplaats] .3 [medeverdachte 1] is dan feitelijk de bedrijfsleider van [verdachte]4

Uit de verklaringen van [slachtoffer] volgt dat hij vanuit Marokko naar Nederland is gegaan om te gaan werken. Hij wilde met zijn verdiensten zijn familie in Marokko onderhouden.5 Toen [slachtoffer] in Nederland aan kwam is hij naar Den Haag gegaan en heeft hij een paar dagen bij zijn familie geslapen. Er was niet langer plek voor hem en daarom heeft hij daarna een tijdje op straat geleefd.6 Op verzoek van [slachtoffer] heeft zijn oude buurman, [getuige 1] , aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij een kamer voor [slachtoffer] had.7 [medeverdachte 1] zei daarop volgens [getuige 1] dat hij wel een kamer had in [plaats] en dat [slachtoffer] daar dan de boel een beetje in de gaten kon houden.8 [slachtoffer] kreeg toen van verdachte een slaapplek in de kassen bij [verdachte]9 Hij hoefde daarvoor geen huur te betalen.10

Door [slachtoffer] verrichte werkzaamheden

[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat hij van [medeverdachte 1] mocht werken in de kassen in [plaats] . [slachtoffer] verrichtte allerlei voorkomende werkzaamheden in de kassen, zoals onder andere het (af)wegen en sorteren van gewassen en het laden en lossen van vrachtwagens. Chauffeurs kwamen ’s avonds laat en dan moest hij helpen met laden. Hij werkte vijf of zes dagen per week in de kassen.11

Door verbalisanten zijn aan aangever [slachtoffer] de volgende WhatsApp berichten voorgehouden:

(datum 12 mei 2015, 21.28 uur van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘Wanneer komt de shefeur voor om paprika’s en tomaten te halen?’

(datum 12 mei 2015, 21.37 uur van [medeverdachte 1] aan aangever)

‘beetje laat’

(Datum 12 mei 23.22 uur van aangever naar [medeverdachte 1] )

‘Hij is nog steeds niet gekomen’

(Datum 12 mei 2015, 23.23 uur van [medeverdachte 1] naar aangever)

‘Ongelukje gehad word 12 uur’

[slachtoffer] kan zich die berichten herinneren. Hij heeft toen tot 1 uur ’s nachts gewacht. Het gebeurde regelmatig dat hij ’s nachts vrachtwagens moest laden. De uren dat hij wachtte werd hij niet betaald.12

(Datum 14 mei 2015, 21.49 uur van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘Wanneer komt de [naam 1] vandaag?’

(Datum 14 mei 2015 van [medeverdachte 1] naar aangever)

‘kwart over 10’

[slachtoffer] kan zich deze berichten herinneren. [naam 1] was de vrachtwagenchauffeur. Hij moest elke dag wel een vrachtwagen laden. Hij was dan stand-by. In een stand-by periode kon hij niet naar de winkel. Hij sloeg dan wel eens een warme maaltijd over. Als er een vrachtwagen zou komen en hij was er niet, werden ze boos op hem.13

(Datum 22 september 2015, 23.35 uur van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘Hij vertelde me dat ik om 22.00 uur en niet wachten op hem te komen, zei hij tegen mij in 23 uur niet gekomen, zal ik gaan slapen’

(Datum 23 september 2015, 00.26 uur van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘Net klaar, beginnen we morgen om 6.30 uur’

Raisesse heeft ook deze berichten herkend. Het laatste berichtje betekent dat hij net klaar was met het laden van de vrachtwagen. Hij moest ’s morgens om 6.30 uur weer werken. Hij had vaker dergelijke korte nachtrusten.14

Ook maakte [slachtoffer] de wc’s en de kantines schoon en controleerde hij dat er niets werd gestolen in de kassen.15

Mensen heeft verklaard dat [slachtoffer] alle dagen werkte. Ook op zondag. Als Mensen dan na het voetbal langs kwam, was [slachtoffer] de kantine aan het boenen. Hij werkte zeven dagen in de week. Als er ’s avonds een vrachtwagen kwam dan laadde hij deze ook.16

Werknemers hadden een hekel aan [slachtoffer] , omdat [slachtoffer] de kloktijden doorgaf aan [medeverdachte 1] . Hij voelde zich daar niet goed bij, maar hij moest dit uitvoeren van [medeverdachte 1] . Hij had geen keus. Hij was illegaal. Hij voelde zich op gegeven moment erger dan een marionet. [medeverdachte 1] kon met hem doen wat [medeverdachte 1] wilde.17

[slachtoffer] laadde met de heftruck volle pallets op de vrachtwagen. Hij heeft zich het werk met de heftruck zelf aangeleerd. Hij heeft nooit instructies gehad.18

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij voor het stomen geen opleiding of instructies heeft gekregen. De broer van [medeverdachte 1] liet zien hoe hij moest stomen, hij vertelde echter niet wat [slachtoffer] moest doen. Ook wist [slachtoffer] niets van de gevaren tijdens het stomen. Hij wist ook niet van de extreme hitte onder het zeil.19 [slachtoffer] had [medeverdachte 1] gevraagd of hij in de periode voorafgaand aan het stomen vrij mocht hebben. Dat mocht niet. [medeverdachte 1] zei dat hij na het stomen, eind december vrij kon nemen.20

Aan aangever [slachtoffer] zijn de volgende berichten getoond:

(Datum 29 november 2015 van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘ [naam 2] wanneer ik mag vakantie klaar stomen toch?’

(Datum 29 november van [medeverdachte 1] aan aangever)

‘Ja als kas 1 en 2 klaar zijn ongeveer 25 dec dan 2 of 3 weken is geen probleem’

[slachtoffer] heeft over deze berichten verklaard dat hij met toestemming van [medeverdachte 1] op 1 december met vakantie zou gaan. Toen het zover was, bleek dat hij niet met vakantie mocht en dat hij moest doorwerken tot het stomen klaar was. [medeverdachte 1] had hem ook in de greep, omdat hij nog geld van [medeverdachte 1] te goed had.21

In opdracht van [medeverdachte 1] deed [slachtoffer] pesticiden op de gewassen. [medeverdachte 1] vertelde hem dat hij dit moest doen nadat de werknemers waren vertrokken. De werknemers mochten dit namelijk niet zien. [slachtoffer] mengde de pesticiden met water en besprenkelde de wortels van de gewassen met de pesticiden. Hij deed dit op zondag als er geen andere werknemers waren. [slachtoffer] mocht aan niemand laten zien dat hij met pesticiden werkte. [medeverdachte 1] heeft hem niet gewezen op de gevaren. [slachtoffer] wist dat hij foute dingen deed, maar hij deed alles wat [medeverdachte 1] hem opdroeg. [slachtoffer] mengde en gebruikte de pesticiden zonder beschermende kleding voor het lichaam. Hij gebruikte geen handschoenen of mondkapje.22

Plenum is de naam van het pesticide. [slachtoffer] moest het pesticide bewaren op zijn kamer, omdat niemand van het bestaan mocht afweten. [medeverdachte 1] en [getuige 1] hadden gezegd dat het verboden spul was.23

Volgens het veiligheidsinformatieblad Plenum 50 WG is Plenum een insecticide. Het betreft een schadelijke stof waarbij carcinogene effecten niet zijn uitgesloten. Opgemerkt wordt dat geschikte handschoenen en beschermende kleding gedragen dienen te worden.24

Mensen heeft als teeltbegeleider gewerkt bij [verdachte] . In 2014 constateerde hij dat in één keer alle luizen dood waren. Hij heeft [medeverdachte 1] daar op aangesproken. [medeverdachte 1] zei dat het een middel uit België was. Maar het ging om biologische teelt en er mag dus geen chemie worden gebruikt.

Bij gebruik van het middel Plenum moet je bescherming dragen zoals een mondmasker, laarzen, handschoenen en een spuitoverall.25

Op 5 december 2015 was men aan het stomen. Normaal werd dit gedaan door een gespecialiseerd bedrijf, maar nu werd het gedaan door werknemers. Mensen heeft de werknemers [naam 3] en [naam 4] nog gewaarschuwd niet zelf te gaan stomen, omdat het gevaarlijk werk is. Het gevaar is de hitte.26

Verdiensten

[slachtoffer] hield zijn gewerkte uren bij in een groen schriftje.27 De uren voor het schoonmaken van de wc’s en de kantines waren geen werkuren, aldus [slachtoffer] .28 Toen [slachtoffer] bij verdachte begon met werken heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] niet verteld dat hij ook geld kon verdienen, hier zijn geen afspraken over gemaakt. [slachtoffer] wist dan ook niet of hij geld zou verdienen voor zijn werkzaamheden in de kassen. [medeverdachte 1] gaf [slachtoffer] in het begin af en toe een klein beetje geld. Later moest [slachtoffer] [medeverdachte 1] zelf om geld vragen.29 In totaal heeft [slachtoffer] een bedrag van € 6.050,- aan loon ontvangen over de periode 30 maart tot en met 6 december 2015.30 [slachtoffer] heeft in die periode 1956 uren gewerkt.31 Op vragen van verbalisanten of [slachtoffer] het niet vreemd vond dat hij niet wist hoeveel hij zou gaan verdienen antwoordde [slachtoffer] dat hij het niet vreemd vond. Hij was allang blij dat hij geld kon verdienen. Hij was afhankelijk van [medeverdachte 1] .32

Volgens het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 november 2016 zou gelet op het aantal door [slachtoffer] gewerkte uren het brutoloon volgens de CAO € 17.891,30 zijn en zou het vakantiegeld € 1.490,35 bedragen.33 De werknemer die op zondag werkt, ontvangt volgens de CAO een toeslag van 100% op het uurloon. Ook zou [slachtoffer] volgens de cao in aanmerking zijn gekomen voor een bereikbaarheidsvergoeding van € 98,91 per week en € 3.560,76 voor 36 weken.

Het wederrechtelijk voordeel zou totaal € 18.468,63 zijn bestaande uit € 11.739,44 aan te weinig betaald loon en € 6.729,19 aan niet betaalde loonheffingen.34

Woonomstandigheden [slachtoffer]

Toen [slachtoffer] voor het eerst op zijn kamer in [plaats] kwam, was er wel een bed, maar geen beddengoed. [slachtoffer] had het koud als hij ging slapen en hield daarom zijn kleding aan. Na ongeveer een maand heeft hij van zijn verdiende geld beddengoed gekocht.35

had op zijn kamer weliswaar warm water, maar er was geen douchekop. Daarom waste hij zich uit een emmer. In de winter ging de verwarming uit, omdat er geen gewassen in de kassen waren. De verwarming ging in november uit. [slachtoffer] had dan ook geen warmte in zijn kamer. [slachtoffer] heeft het koud gehad en vroeg verdachte om verwarming. [medeverdachte 1] deed daar niets aan. [slachtoffer] heeft vervolgens een kachel uit de kantine gehaald.36

Aan aangever [slachtoffer] zijn de volgende berichten getoond:

(Datum 5 november 2015, 23.05 uur van aangever naar [medeverdachte 1] )

‘mij slaap kammer niet warm’

(Datum 5 november 2015, 23.39 uur van [medeverdachte 1] naar aangever)

‘Verwarming is uit in de kas moeten we wat aan gaan doen’

(Datum: 10 november 2015, 21.40 uur van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘Als jij komt breng me een verwarming ik heb het hier koud (…)’.

[slachtoffer] heeft de berichten herkend. [medeverdachte 1] reageerde niet op zijn berichtje over de verwarming en dat hij het koud had.37

(datum 15 augustus 2015 van aangever aan [medeverdachte 1] )

‘niet normal slaap kamer meer watar’ (plus een filmpje van een lekkend dak waaruit blijkt dat er veel water binnenkomt).

(datum 16 augustus 2015 van aangever naar [medeverdachte 1] )

‘veel water niet goed’ (plus 2 foto’s van een vloer vol water)

(datum 18 augustus 2015 van [medeverdachte 1] aan aangever)

‘kom iemand kijken om het dak te maken je beter plastic op zolder liggen voor het doorlekken zo lang. (…)’

[slachtoffer] heeft over deze berichten verklaard dat het ging om de lekkage op zijn kamer in [plaats] . Er kwam veel water in zijn kamer tijdens regenbuien. Het dak was al lek voordat hij er kwam. Bij iedere regenbui stroomde het water in zijn kamer. Ook zijn bed werd nat.38

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] gebruik mocht maken van de kamer in [plaats] . Dit was vanaf april 2015. De communicatie met [slachtoffer] ging met handen en voeten.39 Gaandeweg leerde [slachtoffer] wel wat Nederlandse woorden. Het was verdachte bekend dat [slachtoffer] geen papieren had. Verdachte wist dat [slachtoffer] illegaal in Nederland verbleef. [slachtoffer] kon in de kamer verblijven in ruil voor het schoonmaken van de kantines en de wc’s en het toezicht houden op mogelijke diefstallen uit de schuren en kassen.40

De vraag of sprake is geweest van uitbuiting (sub 4 en 6)

Het hof stelt voorop dat de vraag dient te worden beantwoord of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Die beantwoording is sterk verweven met de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Het hof overweegt dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode – naast de werkzaamheden die hij verrichtte in ruil voor huisvesting verschillende werkzaamheden heeft verricht voor [verdachte] , zoals onder andere het (af)wegen en sorteren van gewassen en het laden en lossen van vrachtwagens. Er was echter geen arbeidsovereenkomst en er waren geen afspraken gemaakt over de werkzaamheden, het aantal uren, de tijden waarop gewerkt zou worden en het uurloon. [slachtoffer] heeft, zoals blijkt uit het door hem bijgehouden schrift, vele uren gewerkt en kreeg alleen geld van [medeverdachte 1] als hij daarom vroeg. Hij was aldus afhankelijk van het bedrag dat [medeverdachte 1] hem wilde geven. [slachtoffer] heeft uiteindelijk voor zijn werkzaamheden maar een beperkt loon voor ontvangen. Voor de werkzaamheden die [slachtoffer] noteerde heeft hij ruim € 3,- per uur uitbetaald gekregen. Dit is ver beneden het CAO en het wettelijk minimum loon.

Naast de betaalde werkzaamheden verrichtte [slachtoffer] nog andere werkzaamheden (zoals het schoonhuiden van toiletten en de kantines) waarvoor hij geen geld ontving en was hij altijd voor verdachte beschikbaar. Op die manier kon hij ook ’s avonds en in de weekends worden ingezet ten behoeve van het bedrijf. Verdachte en/of [medeverdachte 1] hebben hierdoor – zeker gezien de aard en duur van die werkzaamheden en het feit dat [slachtoffer] permanent voor het verrichten van werkzaamheden beschikbaar was – (zeer) aanmerkelijk economisch voordeel genoten.

Ook de kamer waar [slachtoffer] verbleef liet te wensen over. Toen [slachtoffer] voor het eerst op zijn kamer kwam was er geen beddengoed, maar alleen soort laken en een kussen. [slachtoffer] heeft uiteindelijk zelf beddengoed gekocht. In of bij zijn kamer kon [slachtoffer] zich niet douchen. Hij waste zich vanuit een emmer. Gedurende enige tijd heeft [slachtoffer] last gehad van een lekkage. Voorts blijkt dat de verwarming in de kas van november tot februari uitging. Als er in de kas geen verwarming aan was dan had [slachtoffer] ook geen warmte in zijn kamer. [slachtoffer] heeft het regelmatig koud gehad en vroeg verdachte om verwarming. [medeverdachte 1] heeft hier echter niets aan gedaan en hij reageerde niet op de berichtjes van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft het probleem zelf opgelost door elders uit het pand een elektrische kachel te pakken.

Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt voorts dat hij diverse werkzaamheden heeft verricht zonder dat hij door [medeverdachte 1] of een andere werknemer van [verdachte] op de gevaren is gewezen en waarbij hij geen instructies of beschermende kleding kreeg. Zo mengde en gebruikte [slachtoffer] pesticiden zonder beschermende kleding voor zijn lichaam, handen, ogen en mond. Hij wist toen niet dat dat gevaarlijk was en is door verdachte niet op de gevaren gewezen. Ook voor het stomen heeft [slachtoffer] geen instructies gekregen. De broer van [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] wel laten zien hoe hij moest stomen, maar hij vertelde niet wat [slachtoffer] moest doen. Ook wist [slachtoffer] niets van de gevaren tijdens het stomen of over de extreme warmte onder het zeil.

Het hof is van oordeel dat gelet op alle omstandigheden gedurende de periode waarin [slachtoffer] voor [verdachte] heeft gewerkt, gesproken kan worden van uitbuiting. [slachtoffer] heeft immers – gelet op de in Nederland geldende normen – veel te weinig geld ontvangen voor zijn werkzaamheden en zijn voortdurende beschikbaarheid voor [medeverdachte 1] en het bedrijf. Daarnaast heeft [slachtoffer] werkzaamheden moeten verrichten die riskant waren zonder dat hij daarvoor voldoende was geïnstrueerd en/of was voorzien van beschermende kleding. Tenslotte liet de huisvesting van [slachtoffer] te wensen over met onder meer als gevolg dat hij gedurende enige tijd kou heeft geleden.

[medeverdachte 1] heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer] en van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [slachtoffer] . [slachtoffer] was illegaal in Nederland, had geen rechtspositie en was voor onderdak en loon afhankelijk van [medeverdachte 1] . [slachtoffer] verkeerde aldus niet in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren en bevond zich in een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. [slachtoffer] heeft zich daardoor beschikbaar gesteld voor het verrichten van (riskante) arbeid en/of diensten, ondanks het feit dat hij daarvoor veel te weinig werd betaald.

[medeverdachte 1] wist van alle omstandigheden die het hof tot de conclusie brengen dat sprake is geweest van uitbuiting. [medeverdachte 1] had dus ook opzet op de uitbuiting.

[medeverdachte 1] en/of [verdachte] heeft tevens opzettelijk voordeel getrokken uit deze uitbuiting van [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande acht het hof ook bewezen dat [medeverdachte 1] en/of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel van [slachtoffer] (feit 2).

Het hof acht niet bewezen dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] heeft gehuisvest en/of heeft opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), nu onvoldoende is gebleken dat [medeverdachte 1] reeds ten tijde van de huisvesting en/of het opnemen van plan was om [slachtoffer] uit te buiten. Voorts overweegt het hof dat – hoewel het niet wijzen op de gevaren en het niet geven van instructies wel een onderdeel zijn van de uitbuiting – onvoldoende duidelijk is geworden hoe het ongeluk in december 2015 is ontstaan en wat er zich precies heeft voorgedaan. Onvoldoende is gebleken dat het ongeluk is ontstaan als gevolg van het feit dat [slachtoffer] niet is gewezen op de gevaren van het stomen, waardoor het in de ten laste gelegde causale verband tussen de uitbuiting en het ongeval/letsel niet bewijsbaar is en verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken (artikel 273f, vierde lid, Sr).

Toerekening van de gedragingen aan de rechtspersoon

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte als dader van deze strafbare feiten kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Toepassing van de hiervoor genoemde geformuleerde uitgangspunten leidt het hof tot het volgende oordeel.

[medeverdachte 1] was in dienst van [bedrijf]41 Hij was de bedrijfsleider van [verdachte] en regelde de dagelijkse gang van zaken binnen [verdachte]42 [medeverdachte 2] , in de in de tenlastegelegde genoemde periode eigenaar van verdachte, heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zijn ‘ding’ deed als bedrijfsleider. [medeverdachte 1] deed nu weer wat hij ook al deed toen hij nog de eigenaar was. Er was niet veel veranderd, aldus [medeverdachte 2] .43 [medeverdachte 1] heeft – in zijn hoedanigheid als bedrijfsleider – toegestemd en toegestaan dat [slachtoffer] gebruik mocht maken van de kamer in de kassen bij [verdachte] te [plaats] in ruil voor het schoonmaken van de kantines en de wc’s en het toezicht houden op mogelijke diefstallen uit de schuren en kassen. Voorts heeft [medeverdachte 1] toegestaan dat [slachtoffer] alle voorkomende werkzaamheden in de kassen verrichtte, zoals onder andere het (af)wegen en sorteren van gewassen en het laden en lossen van vrachtwagens.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt de activiteit van [verdachte] bestaat het telen van groenten, wortel- en knolgewassen, boomvruchten en overig klein fruit.44 De werkzaamheden die [slachtoffer] – met toestemming van [medeverdachte 1] – heeft verricht passen naar oordeel van het hof in de normale bedrijfsvoering van verdachte. [slachtoffer] heeft voor deze werkzaamheden maar een beperkt loon voor ontvangen. Verdachte heeft hierdoor – zeker gezien de aard en duur van die werkzaamheden – (zeer) aanmerkelijk economisch voordeel genoten. Het ligt dan ook in de rede dat de gedragingen van [medeverdachte 1] dienstbaar zijn geweest voor verdachte. Verdachte heeft nergens ingegrepen of handelingen verricht om de verboden gedragingen van [medeverdachte 1] te voorkomen en daarmee deze gedragingen aanvaard.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verboden gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend. Het hof verklaart aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als rechtspersoon tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 t/m 6 december 2015 in de gemeente Emmen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer] ,

(telkens) door dwang en/of fraude en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] , die ander heeft gehuisvest en/of heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van het eerste lid van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht genoemde middel(en), te weten door dwang en/of fraude en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] , die ander heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar stelde/zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten, en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] ,

hierin bestaande dat:

- die [slachtoffer] onderdaan van Marokkaanse afkomst was en/of vanuit Marokko (met behulp van mensensmokkelaars) naar Europa was gebracht/gekomen, al dan niet onder valse voorwendselen, en/of

- die [slachtoffer] niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal sprak en/of onbekend was met de Nederlandse samenleving, en/of

- die [slachtoffer] bij aankomst in Europa / Nederland geen onderdak had en/of beschikte over weinig geld en/of weinig kleding tot zijn beschikking had, en/of

- die [slachtoffer] verbleef bij en/of werkzaamheden verrichtte voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of (daardoor) afhankelijk was van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die [slachtoffer] illegaal in Nederland verbleef en/of geen verblijfsvergunning had en/of geen zorgverzekering in Nederland kon afsluiten, en/of

- die [slachtoffer] feitelijk over (te) weinig geld beschikte om in zijn onderhoud te voorzien en/of om terugkeer naar Marokko en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken, en/of

- die [slachtoffer] geen recht had op een sociale uitkering omdat er voor hem door verdachte en/of zijn mededader(s) geen premies werd(en) ingehouden en afgedragen, en/of

- die [slachtoffer] niet als werknemer van/door verdachte en/of zijn mededader(s) was aangemeld bij het UWV en/of niet was opgenomen in de loonadministratie, en/of

- die [slachtoffer] nog een bedrag (van ongeveer 6.000 euro) tegoed had van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- aan die [slachtoffer] als onderdak/slaapplaats slechts een (kleine) ruimte gelegen in/bij de kas(sen) waarin de werkzaamheden werden verricht, ter beschikking werd gesteld, en/of

- die aan [slachtoffer] ter beschikking gestelde ruimte in/bij de kas(sen) in/omstreeks de maand november 2015 niet werd verwarmd, aangezien er toen geen teelt (meer) plaats vond, en/of

- die in die aan [slachtoffer] ter beschikking gestelde ruimte in/bij de kas(sen) sprake was van lekkage bij regenval, en/of

- aan die [slachtoffer] de opdracht werd gegeven gedurende langere tijd (ook 's avonds en/of 's nachts) achter elkaar (nagenoeg) zonder pauze(s) te werken en/of de werkzaamheden en/of gewerkte uren van zijn collega's te controleren en/of te rapporteren aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- aan die [slachtoffer] geen gelegenheid werd geboden om vakantie/verlof te nemen, en/of

- aan die [slachtoffer] geen overuren werden uitbetaald, en/of

- aan die [slachtoffer] werd opgedragen om in die kas(sen) (niet in Nederland toegelaten) gewasbeschermingsmiddelen toe te passen en/of stoomwerkzaamheden te verrichten waartoe hij niet was opgeleid, althans met welke – gespecialiseerde – werkzaamheden en/of de gevaren daarvan (met name de extreme hitte onder het gebruikte zeil bij die stoomwerkzaamheden en/of het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen) hij onbekend was, en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) door zo te handelen – veel – lagere loonkosten heeft/hebben gehad dan bij het tewerkstellen van die [slachtoffer] conform het geldende minimumloon en/of conform overeenkomst/afspraak het geval zou zijn geweest, en/of

- die [slachtoffer] door verdachte en/of zijn mededader(s) geen gelegenheid werd geboden om vakantie/verlof te nemen en zodoende gedwongen werd om door te werken, en/of

- verdachte nog geld verschuldigd is aan die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] verrichte overuren nog niet zijn uitbetaald;

zulks terwijl een of meer van de hiervoor beschreven feit(en) zwaar lichamelijk letsel, te weten zware brandwonden over 2/3, althans een groot deel van het lichaam en/of inhalatieletsel van de luchtwegen, ten gevolge heeft gehad bij die [slachtoffer];


2.
verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 t/m 6 december 2015, althans in of omstreeks de maand maart 2015, in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten de Marokkaanse onderdaan [slachtoffer] , uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of die [slachtoffer] daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door hem onderdak en/of werk te bieden bij/op een kwekerij te [plaats] , zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf van die [slachtoffer] wederrechtelijk was; zulks terwijl dit feit werd begaan in de uitoefening van verdachtes ambt of (agrarisch) beroep in de teelt van groenten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

het medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

het medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van enig beroep.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan uitbuiting van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft gedurende een aantal maanden werkzaamheden verricht voor verdachte en [medeverdachte 1] , terwijl hij daar maar een beperkt loon voor heeft ontvangen. [slachtoffer] was illegaal in Nederland, had geen enkele rechtspositie en was volledig afhankelijk van verdachte en [medeverdachte 1] voor zijn loon en zijn huisvesting. Verdachte was op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van [slachtoffer] , en is in volle omvang verantwoordelijk voor de bewezen verklaarde strafbare gedragingen. Verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt door die [slachtoffer] slecht te betalen en hem werkzaamheden te laten verrichten die riskant waren zonder dat [slachtoffer] hierbij gewaarschuwd werd en/of beschermende kleding ontving. Door aldus te handelen heeft verdachte de belangen van [slachtoffer] onderschikt gemaakt aan zijn eigen belangen en/of van [medeverdachte 1] .

Het hof houdt in strafmatigende zin rekening met het feit dat voor zover de uitbuiting ziet op het onderbetalen van [slachtoffer] dit wordt gecompenseerd door de toewijzing van de vordering die [slachtoffer] als benadeelde partij heeft ingediend.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mensensmokkel door [slachtoffer] op te nemen en te huisvesten bij het bedrijf [verdachte] , waarmee hij het illegale circuit in stand heeft gehouden.

Behalve uit oogpunt van vergelding, is ook uit oogpunt van generale en speciale preventie een onvoorwaardelijke geldboete geboden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 december 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof zal de eis van de advocaat-generaal niet volgen omdat het hof minder feiten bewezen verklaart en verdachte bovendien vrijspreekt van de strafverzwarende omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat – mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn – oplegging van een geldboete van € 25.000,- passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 85.809,16. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.739,44 vermeerderd met € 2.842,00 aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Per fax van 21 januari 2020 heeft de mr. E.W. Bosch, advocate van de benadeelde partij, medegedeeld dat een aantal schadeposten worden ingetrokken en dat door de benadeelde partij thans nog een bedrag van € 17.609,16 wordt gevorderd (bestaande uit het achterstallige salaris ad € 11.739,44 alsmede de wettelijke verhoging ad € 5.869,72). De reeds ingediende proceskosten ad € 5.008,31 en de reiskosten ad € 9,60 blijven gehandhaafd.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het schadevergoedingsformulier met bijlagen is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Vast staat dat de benadeelde partij werkzaamheden heeft verricht voor verdachte en [medeverdachte 1] terwijl hij daarvoor slechts een beperkt loon heeft ontvangen. Nu de hoogte van de vordering door de verdediging niet inhoudelijk is betwist zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 17.609,16. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Kosten voor rechtsbijstand en reiskosten

De vordering tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand voor de benadeelde partij is door de rechtbank, op basis van het liquidatietarief voor de rechtbanken en gerechtshoven per 1 november 2004, toegewezen tot een bedrag van € 2.842,00 (twee punten onder tarief V). Voor de vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand zal het hof uitgaan van liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 mei 2018 en gelet op de hoogte van de thans nog voorliggende vordering één punt begroten op € 543,00 (Tarief II: zaken van een geldswaarde van € 10.000,00 tot € 20.000,00). Nu er voor de rechtsbijstand in hoger beroep geen nadere kosten zijn gevorderd zal het hof ook in hoger beroep uitgaan van twee punten. Dit houdt in dat het hof voor de kosten voor rechtsbijstand een bedrag van € 1.086,00 zal toewijzen. Het hof zal voorts de gevorderde reiskosten ad € 9,60 toewijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 57, 197a en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.739,44 (elfduizend zevenhonderdnegenendertig euro en vierenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.095,60 (duizend vijfennegentig euro en zestig cent).

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 december 2015.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. M.H.D.M. van Leent, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 26 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 februari 2020.

Tegenwoordig:

mr. H. Heins, voorzitter,

mr. M.H.D.M. van Leent en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,

mr. J. van Onna, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm van Inspectie SZW, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer […] , afgesloten d.d. 25 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal Zaaksdossier I, p. 19.

3 Proces-verbaal Zaaksdossier I, p. 19 en proces-verbaal intake-verslag, p. 362.

4 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 254.

5 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 366.

6 Proces-verbaal vijfde verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 397 en proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 366.

7 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , p. 475 en proces-verbaal van tweede verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 373.

8 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , p. 475.

9 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 367.

10 Proces-verbaal vierde verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 388.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] , p. 367.

12 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 408.

13 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 408.

14 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 408 en 409.

15 Proces-verbaal vierde verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 388 en proces-verbaal van vijfde verhoor van de aangever/getuige [slachtoffer] , p. 395.

16 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , p. 514.

17 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 374.

18 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 409.

19 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 380.

20 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 384.

21 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 423.

22 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 390.

23 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 394.

24 Een geschrift, document 033, p. 1077-1079.

25 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige 2] , p. 511-513.

26 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , p. 511-513.

27 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] , p. 367.

28 Proces-verbaal vierde verhoor van de getuige [slachtoffer] p. 388.

29 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] , p. 367.

30 Proces-verbaal van derde verhoor van de getuige/aangever [slachtoffer] , p. 378.

31 Proces-verbaal van derde verhoor van de getuige/aangever [slachtoffer] , p. 378 en p. 836 e.v.

32 Proces-verbaal vierde verhoor van de getuige [slachtoffer] , p. 387.

33 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 610-620A.

34 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 610-620A.

35 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 396.

36 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 389.

37 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 415.

38 Proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 422.

39 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 258.

40 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 256 en 257, proces-verbaal vijfde verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] , p. 319 en proces-verbaal zevende verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] , p. 336.

41 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 254.

42 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 254 en 255.

43 Proces-verbaal eerste verhoor van de verdachte [medeverdachte 2] , p. 351.

44 Uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 23 december 2015, p. 1054.