Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1620

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
200.242.789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekenbaar tekortschieten bij nakoming samenwerkingsovereenkomst. Opzegging gerechtvaardigd. Schadebegroting. Vergelijking met toestand zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. Hof houdt rekening met genoten voordeel (verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:1483).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.242.789

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 406065)

arrest van 25 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SubsidieZeker B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: SZ,

advocaat: mr. H.C.M. Kortman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BCS HRM en Salarisadministratie B.V.,

gevestigd te Sint-Michielsgestel,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: BCS,

advocaat: mr. D.J.J. Folgering.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 september 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit de meervoudige comparitie van partijen die is gehouden op 15 januari 2020. Daarvan is door de griffier aantekening bijgehouden. Voorafgaand aan die comparitie zijn namens SZ bij bericht van 23 december 2019 twee producties in het geding gebracht. Die producties maken deel uit van de processtukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden tussenvonnis van 28 december 2016.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

SZ houdt zich bezig met het ondersteunen van bedrijven bij het verkrijgen van subsidies en terugbetaling van teveel betaalde sociale premies. BCS biedt diensten aan op het vlak van HRM en salarisadministratie. SZ en BCS hebben op 16 januari 2015 een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan SZ voor het klantenbestand van BCS zou proberen premiekorting te behalen. Daarvoor dient voor een (ex-)werknemer een doelgroepverklaring te worden overgelegd. De (ex-)werknemer kan, door het afgeven van een ‘machtiging doelgroepverklaring’ het UWV machtigen om de doelgroepverklaring te sturen aan de werkgever of een organisatie zoals SZ.

In juli 2015 hebben M. Fakhir (bestuurder en aandeelhouder van SZ) en [B] (manager salarisadministratie van BCS) e-mails gewisseld over de mogelijkheid dat SZ in plaats van de (ex-)werknemers de machtigingsformulieren zou ondertekenen, omdat [A] informatie van een klant kreeg dat er concurrenten zijn die dit zouden doen. [A] schreef daarin “Mijn visie is dat ik geen handtekening onder formulier als standaard beleid. Wat vind jij daarvan? Ben ik nu te naïef of deel jij deze visie?”. Nadat [B] bij e-mail van 24 juli 2015 aan SZ had geantwoord: “Lat ik het na mijn vakantie bespreken met [C] BCS]. Op dit ogenblik is het volgens mij alleen de Stiho groep die hier moeilijk over doet”, heeft SZ gevraagd wanneer hij ( [B] ) terug zou zijn van vakantie, waarop [B] (nog steeds op 24 juli 2015) heeft geantwoord “10 augustus”. Daarna hebben partijen niet meer over dit onderwerp gesproken.

In het najaar van 2015 heeft BCS aan SZ te kennen gegeven dat in haar visie sprake was van een wanverhouding tussen de inspanningen van BCS enerzijds en SZ anderzijds, en dat dit een andere dan de overeengekomen gelijke verdeling van de opbrengsten rechtvaardigde. Daarover is onenigheid ontstaan, waarna SZ bij e-mail van 24 september 2015 de samenwerkingsovereenkomst per 1 januari 2016 heeft opgezegd.

Op 22 oktober 2015 heeft SZ aan BCS bericht dat er een probleem is ontstaan met het UWV, dat erachter was gekomen dat SZ machtigingen doelgroepverklaringen had ondertekend waar de (ex-)werknemer die machtiging hoort te ondertekenen. Rond die datum kreeg BCS ook van één van haar klanten, A. Hak Groep, een klacht over een ‘vervalste doelverklaring’.

Op 30 oktober 2015 heeft BCS aan SZ geschreven dat zij met haar praktijk om verklaringen te voorzien van valse handtekeningen heeft gewanpresteerd en onrechtmatig heeft gehandeld en dat de overeenkomst per direct wordt ontbonden.

Vervolgens heeft BCS in november 2015 haar klanten geschreven dat zij de overeenkomst met SZ in verband met ongeoorloofd handelen van SZ heeft moeten beëindigen, dat zij de verdere uitvoering van de verstrekte opdrachten zelf ter hand neemt en dat het van belang is dat de klanten hun rechtsverhouding met SZ (steeds werd een driepartijenovereenkomst gesloten) beëindigen.

3.2

SZ vorderde in conventie (kort gezegd) een verklaring voor recht van toerekenbaar tekort schieten door BCS, schadevergoeding voor de lopende contracten en in verband met het onrechtmatig overnemen van opdrachten van SZ, en een voorschot, alsmede een veroordeling tot nakoming van het concurrentiebeding.

BCS vorderde in reconventie (kort gezegd) een verklaring voor recht van onrechtmatig handelen door SZ en een schadevergoeding.

De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld:

a. a) SZ heeft door diverse keren machtigingsformulieren van valse handtekeningen te voorzien, frauduleus gehandeld bij de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst;

b) daarom was het BCS toegestaan om de samenwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen;

c) het moet SZ duidelijk zijn geweest dat BCS met haar brief van 30 oktober 2015 heeft bedoeld de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, hoewel BCS in de brief vermeldde dat de overeenkomst werd ontbonden;

d) de opdrachten die tot 30 oktober 2015 zijn binnengehaald (de lopende opdrachten) moesten in beginsel door SZ worden uitgevoerd, maar het was BCS (gelet op het frauduleuze handelen van SZ) toegestaan om haar klanten te informeren over de reden van beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst en haar klanten aan te bieden om zelf de SZ diensten te verlenen en in dat verband te adviseren de relatie met SZ te verbreken; voor zover het in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding al van toepassing is, is het beroep van SZ daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar;

e) BCS kan gelet op het onrechtmatig handelen (dan wel toerekenbaar tekortschieten) van SZ aanspraak maken op vergoeding van de schade die zij daardoor lijdt/zal lijden, welke schade wordt begroot op € 82.159,12 (€ 3.841,25 voor inzet callcentermedewerkers +

€ 71.400,- voor de inzet van [D] , projectvertegenwoordiger van BCS +

€ 6.917,87 in verband met een door Quick Service Kievit Hellevoetsluis B.V. ingetrokken opdracht);

f) de lopende opdrachten moeten op basis van de samenwerkingsovereenkomst worden afgerekend, ook als SZ geen werkzaamheden ten aanzien van deze opdrachten heeft verricht; dit is anders wanneer de opdracht op of na 30 oktober 2015 is opgezegd en de klant na die datum pas een nieuwe opdracht aan BCS heeft gegeven voor het uitvoeren van een Subsidie Recovery; in dat laatste geval is BCS aan SZ geen vergoeding verschuldigd;

g) de stelling van SZ dat BCS 98 (al vóór 30 oktober 2015 gegeven en dus lopende) opdrachten ten onrechte buiten de afrekening heeft gehouden, gaat ten aanzien van 75 opdrachten niet op, omdat ten aanzien daarvan als onvoldoende gemotiveerd vaststaat dat de opzeggingen na 30 oktober 2015 hebben plaatsgevonden en dat BCS de overeenkomsten van opdracht tot het uitvoeren van Subsidie Recovery ook pas na die datum heeft gesloten;

h) met de overige 23 opdrachten heeft BCS € 44.266,86 aan omzet gerealiseerd die bij het bedrag aan omzet moet worden geteld waarover (partijen zijn het op dat punt eens) in ieder geval nog moet worden afgerekend (te weten € 534.225,73);

i. i) daarbij moet, in verband met te weinig afgedragen omzet over een aantal opdrachten, ook nog een bedrag van € 6.173,96 worden opgeteld;

j) de omzet waarover nog moet worden afgerekend bedraagt dus in totaal € 584.666,55, welk bedrag (ook daar zijn partijen het over eens) moet worden verminderd met € 29.400,- en vervolgens gedeeld door twee; dat komt uit op een aan SZ te betalen vergoeding van

€ 277.633,28; omdat daarvan al een bedrag van € 204.619,50 betaald is, moet BCS nog

€ 73.013,78 aan SZ betalen;

k) door de verrekening met de tegenvordering van BCS van € 82.159,12 heeft SZ niets meer van BCS te vorderen en heeft BCS van SZ recht op een bedrag van € 9.145,34 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2015;

l) de vorderingen op grond van het concurrentiebeding stuiten af op het oordeel onder d).

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 31 januari 2018 in conventie de vorderingen van SZ afgewezen en SZ veroordeeld in de proceskosten en in reconventie SZ veroordeeld tot betaling aan BCS van € 9.145,34, vermeerderd met rente en kosten.

3.3

SZ komt in hoger beroep met elf grieven op tegen een aantal van voormelde oordelen van de rechtbank. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

3.4

Het hof stelt voorop dat SZ geen (voldoende duidelijke) grieven heeft gericht tegen de hiervoor in 3.2 onder f tot en met j aangehaalde oordelen. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat SZ bij grief 11 weliswaar heeft opgemerkt dat de rechtbank ten onrechte de contracten die bestonden op 30 oktober 2015 uit de afrekening heeft gehaald en dat de overwegingen van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig zijn, maar hiermee heeft zij nog niet voldoende duidelijk (en voor BCS kenbaar) bestreden de overweging in het eindvonnis onder 1.12 (waarin het hiervoor onder f aangehaalde oordeel is herhaald) en de uitwerking daarvan onder 1.15 tot en met 1.34 van het eindvonnis. In de memorie van grieven valt niet te lezen dat SZ grieven heeft willen richten tegen oordelen in het eindvonnis. Ook BCS heeft de grieven niet als zodanig opgevat. Op vragen van het hof ter comparitie in hoger beroep heeft SZ ook bevestigd dat zij niet bedoeld heeft separate grieven te richten tegen de beslissingen die zien op de afrekening van de lopende contracten. Dat betekent dat in hoger beroep vaststaat dat BCS uit hoofde van de afrekening van de samenwerkingsovereenkomst nog € 73.013,78 aan SZ had te betalen.

3.5

Het hof zal eerst ingaan op de vragen of SZ toerekenbaar tekort geschoten is, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, of dat handelen een redelijke grond voor BCS opleverde om de samenwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en of het SZ duidelijk moet zijn geweest dat BCS met haar brief van 30 oktober 2015 (waarbij de overeenkomst per direct werd ontbonden) bedoelde de overeenkomst op te zeggen.

Het hof beantwoordt die vragen net als de rechtbank bevestigend. Het hof verwijst naar en neemt over de motivering van de rechtbank onder 4.5 tot en met 4.8 in het tussenvonnis van 28 december 2016. Ter aanvulling daarop merkt het hof nog het volgende op. Ook in hoger beroep heeft SZ onvoldoende gemotiveerd gesteld dat BCS afwist van en instemde met het feit dat SZ meerdere machtigingsformulieren van een valse handtekening heeft voorzien. Daarnaar gevraagd heeft [A] ter comparitie in hoger beroep verklaard dat hij de instemming van BCS alleen afleidt uit het feit dat zij in of na de e-mailwisseling van eind juli 2015 zijn voorstel om zelf handtekeningen onder de formulieren te plaatsen niet uitdrukkelijk heeft afgewezen. Dit is, gelet op het feit dat [B] aan [A] had laten weten er nog met [C] over te willen spreken, echter onvoldoende. Het had op de weg van SZ gelegen om voorafgaand aan het wijzigen van haar handelwijze nogmaals aan BCS te vragen of zij daarmee akkoord ging. Dat zij dat niet heeft gedaan valt nog minder te begrijpen nu ter comparitie duidelijk is geworden dat SZ na de mailwisseling in juli 2015 niet meteen is overgegaan op het eigenhandig plaatsen van handtekeningen, maar dat pas later is gaan doen, ergens in september 2015. SZ had dus alle tijd om na de vakantie van [B] het onderwerp nogmaals met BCS te bespreken. Door haar handelen heeft SZ het vertrouwen van BCS geschonden. Niet relevant is dat SZ niet de bedoeling had BCS te benadelen. Het valselijk ondertekenen van formulieren, waarover zowel door het UWV als door een klant van BCS is geklaagd, zette – zoals de rechtbank heeft overwogen – de goede naam en de reputatie van BCS op het spel. Niet kan dan ook worden gezegd dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van BCS (nog daargelaten dat ook sprake is van toerekenbaar tekortschieten). Het frauduleuze handelen van SZ rechtvaardigde een onmiddellijke opzegging, die kan worden begrepen in de brief van 30 oktober 2015. Dat BCS zich zowel bij het afsluiten van het contract als bij de brief van 30 oktober 2015 liet bijstaan door een advocaat maakt dat niet anders. Voor de veronderstelling van SZ dat BCS de handtekeningenkwestie slechts (oneigenlijk) heeft gebruikt om zich de activiteiten van SZ eerder toe te eigenen dan de einddatum van het contract ziet het hof geen feitelijke grond.

3.6

Het hof volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat de opdrachten die tot 30 oktober 2015 zijn binnengehaald (de lopende opdrachten) in beginsel door SZ moesten worden uitgevoerd, maar dat het BCS (gelet op het frauduleuze handelen van SZ) was toegestaan om haar klanten aan te bieden om zelf de SZ diensten te verlenen en in dat verband te adviseren de relatie met SZ te verbreken. Het hof verwijst naar en sluit zich aan bij de overwegingen in 4.11 tot en met 4.14 van het tussenvonnis van 28 december 2016. Volledigheidshalve merkt het hof ter aanvulling hierop nog op dat het in artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst, anders dan SZ, niet leest dat het concurrentiebeding voortduurt na afloop van de overeenkomst. In artikel 6.2 (waarin een relatiebeding is opgenomen) staat met zoveel woorden dat het beding gedurende de looptijd van de overeenkomst geldt én gedurende een periode van drie jaar na afloop van de overeenkomst. Een soortgelijke bepaling ontbreekt in artikel 6.1, waarin alleen staat dat partijen zich er gedurende de overeenkomst van zullen onthouden om concurrerende diensten te leveren. De stelling van SZ dat BCS de dossiers na 30 oktober 2015 wel door een ander subsidie-recoverer had mogen laten afhandelen, maar niet zelf, vindt dus geen steun in het non-concurrentiebeding. Overigens heeft BCS ter comparitie in hoger beroep onbetwist gesteld dat zij alleen deze dossiers heeft afgehandeld en zich nu niet meer zelf bezig houdt met soortgelijke werkzaamheden. Gelet op het voorgaande acht ook het hof de vorderingen van SZ om voor recht te verklaren dat BCS wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens SZ en BCS te veroordelen tot schadevergoeding niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vorderingen van SZ tot nakoming van het concurrentiebeding.

3.7

Daarmee komt het hof toe aan de schadevordering van BCS. In grief 8 komt SZ op tegen de begroting van de schade op € 83.766,37 (bedoeld zal zijn € 82.159,12). Daar waar de rechtbank de omzet van de door BCS overgenomen contracten geheel aan BCS ten goede laat komen, krijgt SZ ook nog eens de daarmee gemoeide kosten van BCS voor haar rekening. Dit is volgens SZ een onterechte ‘dubbelslag’. Wat betreft de kosten van BCS heeft SZ vervolgens betwist dat de bedragen van € 3.841,25 en € 71.400,- voor callcentermedewerkers en [D] terecht zijn opgevoerd. Geen grief is gericht tegen het oordeel over de schade van € 6.917,87 in verband met Quick Service (zie 3.2 onder e).

Het hof leest hierin een voldoende duidelijke grief tegen de schadebegroting.

3.8

Als uitgangspunt voor berekening van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval te abstraheren van de omstandigheden van het concrete geval. Dat wordt niet anders doordat SZ geen beroep heeft gedaan op voordeelstoerekening. Zowel wanneer de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (art. 6:95-6:97 BW), als wanneer de benaderingswijze van de voordeelstoerekening (art. 6:100 BW) wordt gevolgd, gaat het er immers uiteindelijk om dat door de benadeelde in verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis behaalde voordelen in de toe te kennen schadevergoeding moeten worden betrokken voor zover dat redelijk is (zie Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483).

3.9

De schadeveroorzakende gebeurtenis is hier het ondertekenen van de

(ex-)werknemersmachtigingen door SZ. Dát is het onrechtmatig handelen dat BCS SZ verwijt en dat handelen heeft volgens BCS tot schade aan haar kant geleid.

Tussen partijen staat vast dat BCS bij haar stelling dat de af te rekenen omzet € 534.225,73 bedroeg 98 opdrachten die al vóór 30 oktober 2015 aan SZ waren verstrekt buiten beschouwing heeft gelaten en dat die opdrachten een totaalopbrengst van € 227.309,55 vertegenwoordigen (zie de niet bestreden overwegingen in 2.9 tot en met 2.12 van het tussenvonnis van 30 augustus 2017). Voorts staat vast dat de rechtbank ten aanzien van slechts 23 van die 98 opdrachten heeft geoordeeld dat daarover nog moet worden afgerekend omdat ze niet na 30 oktober 2015 zijn opgezegd waarna voor de subsidie recovery een opdracht aan BCS is gegeven, en dat met die 23 opdrachten € 44.266,86 aan omzet is gerealiseerd die de rechtbank bij het nog af te rekenen bedrag aan omzet heeft geteld (zie hiervoor in 3.2 onder g en h). Dat betekent dat BCS met de opdrachten die vóór 30 oktober 2015 aan SZ zijn verstrekt en pas na die datum zijn opgezegd en door BCS zijn overgenomen een opbrengst van € 183.042,69 (€ 227.309,55 - € 44.266,86) heeft gerealiseerd. Indien SZ niet onrechtmatig zou hebben gehandeld, had BCS deze opdrachten niet mogen overnemen en hadden ze op basis van de samenwerkingsovereenkomst moeten worden afgerekend (zelfs als SZ geen werkzaamheden ten aanzien van deze opdrachten zou hebben verricht). Zonder normschending zou dus ook het bedrag van € 183.042,69 in de afrekening tussen partijen moeten worden betrokken. In dat geval zou het omzetbedrag waarover nog moest worden afgerekend dus € 767.709,24 hebben bedragen (€ 584.666,55 + € 183.042,69, zie 3.2 sub j). Dat zou hebben betekend dat BCS een bedrag van € 369.154,62

((€767.709,24 - € 29.400,-):2) aan SZ had moeten betalen. In het hypothetische geval dat SZ de bewuste handtekeningen niet zou hebben geplaatst, zou zij dus recht hebben gehad op een bedrag van € 91.521,34 (€ 369.154,62 - € 277.633,28) bovenop het bedrag waar zij nu, ten gevolge van haar handelen, recht op heeft (€ 277.633,28). Ten gevolge hiervan heeft BCS het bedrag van € 91.521,34 zelf kunnen behouden. Dit voordeel staat in zodanig verband met het handelen van SZ (dat ertoe heeft geleid dat BCS de overeenkomst heeft beëindigd en de dienstverlening heeft overgenomen), dat het redelijk is dit als gevolg van de gebeurtenis aan SZ toe te rekenen. Omdat dit bedrag hoger ligt dan de schade die BCS stelt te hebben geleden door het onrechtmatig handelen van SZ (€ 82.159,12, zie 3.2 onder e), luidt de conclusie dat BCS geen schade heeft geleden omdat uit de vergelijking blijkt dat BCS in de hypothetische situatie zonder schadeveroorzakende gebeurtenis financieel gezien slechter af zou zijn geweest.

3.10

Gelet op al het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat wat betreft de conventionele vorderingen slechts de vordering ter zake van de omzetafrekening tot een bedrag van € 73.013,78 in beginsel toewijsbaar is, door BCS aan SZ te betalen. Wat betreft de tegenvordering van BCS blijft slechts een bedrag staan van € 6.917,87 (zie hiervoor onder 3.7; tegen het oordeel over dit schadebedrag heeft SZ geen voldoende duidelijke grieven aangevoerd). De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat, omdat niet is gesteld of gebleken dat partijen de mogelijkheid van verrekening hebben uitgesloten, de vordering van BCS op grond van artikel 6:127 BW verrekend kan worden met de vordering van SZ (zie 4.20 en 4.21 in het tussenvonnis van 28 december 2016). Dat betekent dat in conventie een bedrag van € 66.095,91 (€ 73.013,78 - € 6.917,87) toewijsbaar is en dat de vordering in reconventie geheel zal worden afgewezen.

3.11

Nu BCS geen (voldoende concrete) feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, passeert het hof het door haar gedane bewijsaanbod.

4 De slotsom

4.1

Het hoger beroep slaagt deels. Het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd.

4.2

Omdat beide partijen in conventie voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Het hof zal BCS, als de in reconventie (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van de eerste aanleg in reconventie veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van SZ zullen worden vastgesteld op € 2.235,- voor salaris advocaat (2,5 punten x het tot 1 mei 2018 geldende liquidatietarief IV).

Omdat beide partijen in conventie voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4.3

BCS zal, gezien de vordering daartoe van SZ, worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat zij ingevolge het eindvonnis teveel heeft ontvangen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 januari 2018 en doet opnieuw recht;

in conventie:

veroordeelt BCS om aan SZ te betalen € 66.095,91;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

in reconventie:

wijst de vorderingen van BCS af;

veroordeelt BCS in de proceskosten van SZ tot op heden begroot op € 2.235,-;

in hoger beroep:

veroordeelt BCS om het bedrag dat zij, gezien de veroordeling in dit arrest, teveel heeft ontvangen van SZ op basis van het vernietigde vonnis van 31 januari 2018, terug te betalen aan SZ;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van het hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H.L. Wattel en G.J.M. Verburg en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2020.