Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1452

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
200.259.270
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partner- en kinderalimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.259.270 en 200.259.272

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 469130)

beschikking van 20 februari 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. el Ahmadi te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. Valeton te Nieuwegein,

en

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

verder te noemen: [het kind] ,

niet verschenen.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 februari 2019 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    een journaalbericht van mr. Valeton van 21 oktober 2019 met producties.

2.2

[het kind] is door het hof in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een verweerschrift. Zij heeft van de gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn gehuwd op 26 mei 2000 te Nieuwegein, onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

3.2

In voormelde huwelijkse voorwaarden van 15 mei 2000 hebben partijen de volgende – voor zover hier van belang zijnde – afspraken vastgelegd:

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Verrekening van gespaarde inkomsten

Artikel 10

1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, maar met bijtelling van verschuldigde premies en koopsommen als bedoel in artikel 8 voor zover deze premies en koopsommen het inkomen verminderen, overblijft, bij helfte te verdelen.

2. Verdeling dient plaats te vinden binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

3. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening van het op grond van de verdeling verschuldigde, zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidsstelling – treffen waarbij de belangen van beiden in acht genomen worden.

4. Het recht tot het vorderen van de verdeling verjaart niet en vervalt evenmin door tijdsverloop.

(…)

Afrekening bij het einde van het huwelijk

Artikel 12

1. Bij het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten de wettelijke algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

(…)

4. a. Indien het huwelijk eindigt door echtscheiding dan wel ingeval van scheiding van tafel en bed wordt eveneens afgerekend conform de vorige leden met dien verstande dat in dat geval buiten de afrekening blijven:

- alle aanbrengsten ten huwelijk;

- al hetgeen krachtens schenking of erfrecht wordt verkregen, hetgeen voor een en ander in de plaats treedt, alsmede de revenuen daarvan.

b. De afrekeningen als in letter a bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde in het economisch verkeer op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig werd gemaakt.

(…)’

3.3

Beiden bezitten de Nederlandse nationaliteit. De man bezit tevens de Marokkaanse nationaliteit.

3.4

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] het thans meerderjarige kind [het kind] geboren.

3.5

De vrouw heeft op 15 oktober 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.6

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 november 2018 is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage voor [het kind] van € 285,- per maand en voor de vrouw € 410,- per maand zal verstrekken.

3.7

Het huwelijk van partijen is op 24 juli 2019 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 12 februari 2019.

4 Het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] en in het levensonderhoud van de vrouw.

4.2

Bij bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover hier van belang, bepaald:

- dat de man met ingang van 15 oktober 2018 € 321,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind van partijen,

- dat de man € 613,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand,

- het saldo van de gezamenlijke rekening met nummer [rekeningnummer 1] per de peildatum (15 oktober 2018) tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld c.q. het debetsaldo van deze rekening op de peildatum door beide partijen voor gelijke delen zal worden gedragen,

- partijen binnen 14 dagen na betekening van de beschikking alle handelingen dienen te verrichten om de gezamenlijke rekening met nummer [rekeningnummer 1] op te heffen,

- de man uit hoofde van finale verrekening aan de vrouw een bedrag van € 87.745,79 dient te betalen,

- de man het bedrag dat hij uit hoofde van de finale verrekening aan de vrouw verschuldigd is, binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen, bij uitblijven waarvan hij na ommekomst van die termijn de wettelijke rente verschuldigd is over de hoofdsom tot de dag der algehele voldoening.

4.3

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de bijdrage die ten behoeve van het kind van partijen is vastgesteld (beperkt tot zijn draagkracht en de ingangsdatum van betalingsverplichting), de tweede grief op de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (beperkt tot de behoeftigheid van de vrouw en zijn draagkracht) en derde grief op het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van finale verrekening van de huwelijkse voorwaarden. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4.4

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof bij beschikking – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, subsidiair zijn verzoeken af te wijzen.

5 De overwegingen voor de beslissing

IPR

rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Allereerst stelt het hof vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding. De Nederlandse rechter heeft tevens rechtsmacht ter zake van de met de echtscheiding verband houdende nevenvoorzieningen. Het hof acht zich bevoegd kennis te nemen van de verzoeken. Daarbij overweegt het hof dat al deze verzoeken zijn aan te merken als – dan wel betrekking hebben op – nevenvoorzieningen in de zin van artikel 827 lid 1 Rv.

5.2

Omdat door geen van partijen een grief is geformuleerd tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het toepasselijk recht op de verschillende nevenvoorzieningen, is de appelrechter gebonden aan dit oordeel van de rechter in eerste instantie (HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:394 en HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1525). Dat betekent dat het hof, net als de rechtbank, op de in geschil zijnde verzoeken Nederlands recht zal toepassen.

uitgangspunten bij de bepaling van partner- en kinderalimentatie (grieven 1 en 2)

5.3

Kinderen en stiefkinderen die jonger zijn dan eenentwintig jaren, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig in het levensonderhoud van alle gerechtigden te voorzien. Daarom zal het hof eerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van [het kind] en daarna pas ingaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.

5.4

Het hof stelt vast dat artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een door de rechter vastgestelde bijdrage voor een minderjarige bij het bereiken van de meerderjarigheid wordt omgezet in een bijdrage voor studie en levensonderhoud van de meerderjarige beneden de leeftijd van 21 jaren. Dit brengt mee dat de bij bestreden beschikking per 15 oktober 2018 vastgestelde verplichting van de man tot betaling van een bijdrage voor [het kind] , per [geboortedag] 2019, de datum van meerderjarig worden van [het kind] , van rechtswege werd geconverteerd in een verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de meerderjarige [het kind] .

5.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [het kind] in 2018, zoals de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld en zoals ook in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld € 352,- per maand bedraagt. Voor de draagkracht van de vrouw in het kader van de verdeling van de kosten van [het kind] geldt hetzelfde. De vrouw heeft in eerste aanleg bij de berekening van de verdeling van de kosten van [het kind] gesteld dat voor haar de minimale bijdrage voor één kind geldt (productie 3 bij verzoekschrift in eerste aanleg) en bij voormelde beschikking voorlopige voorzieningen in eerste aanleg (rov. 3.11) is daar ook van uitgegaan.

5.6

Ook de (hoogte van de) behoefte van de vrouw is niet in geschil. In eerst aanleg heeft de vrouw gesteld dat haar behoefte € 1.336,- netto per maand bedraagt en daarvan een berekening in het geding gebracht (productie 7 bij verzoekschrift). Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 november 2018 is de rechtbank ook van een behoefte van € 1.336,- netto per maand uitgegaan, omdat dat tussen partijen niet in geschil was.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zijn standpunt dat de vrouw in staat moet worden geacht om (voor een deel) in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat om die reden de verplichting tot alimentatie gelimiteerd moet worden, niet langer gehandhaafd.

draagkracht man

5.7

In hoger beroep heeft de man zijn inkomen aan de orde gesteld. Hij stelt dat de rechtbank van een onjuist inkomen is uitgegaan en dat zijn inkomen in 2019 ten opzichte van 2018 nog verder is gedaald. Nu dat standpunt door de man, tegenover de betwisting van de vrouw, niet met stukken is onderbouwd kan zijn beroep op dit punt niet slagen. Uitgangspunt voor de draagkracht van de man is dan ook onverkort het door de vrouw in eerste aanleg aangevoerde inkomen € 43.996,- op jaarbasis.

5.8

Bij de berekening van de partneralimentatie is de rechtbank bij de bestreden beschikking, in navolging van de door de vrouw geproduceerde berekening van de draagkracht van de man, uitgegaan van een woonlast van € 500,- per maand. Voorafgaande daaraan is in het kader van de voorlopige voorzieningenbeschikking van 30 november 2018, door de rechtbank reeds rekening gehouden met een woonlast van € 700,- per maand. Door de rechtbank is daartoe overwogen ‘Gebleken is dat de man op zoek is naar een huurwoning. De man heeft ter zitting stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in aanmerking komt voor sociale huurwoningen. Gelet hierop en nu de door de man gestelde woonlast niet onredelijk hoog wordt geacht, acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met een woonlast van € 700,00 per maand.’. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad (arrest van 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225) moet het hof kennis nemen van de woonlast van de man en het is ook in het belang van beide partijen dat het hof met de woonlast van de man rekening houdt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man zijn huurcontract aan de vrouw en het hof getoond en daarmee genoegzaam aangetoond dat hij een woning huurt met een huurlast van € 720,42 per maand. Het hof acht dit, gezien zijn inkomen, geen onredelijke woonlast. In zoverre kan de bestreden beschikking dan ook niet in stand blijven en slaagt de grief van de man.

5.9

Uit de aangehechte draagkrachtberekening volgt dat de man (ook na de omzetting als bedoeld in 5.4) in staat is voor [het kind] de per 15 oktober 2018 vastgestelde bijdrage van € 321,- per maand te betalen, zodat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden bekrachtigd. De man betaalt dit bedrag ook daadwerkelijk, sinds haar meerderjarigheid rechtstreeks aan [het kind] . Rekening houdend met voormelde bijdrage van € 321,- per maand voor [het kind] en voorts, gelet op de fiscale consequenties van betaling van partneralimentatie, heeft de man draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 417,- per maand. Deze bijdrage acht het hof in overeenstemming van de wettelijke maatstaven en zal het toewijzen.

5.10

De man heeft het bedrag dat bepaald is in de beschikking voorlopige voorzieningen van 30 november 2018 (€ 410,-, geïndexeerd in 2019 naar € 418,20 en naar 2020 € 428,66) tot op heden doorbetaald aan de vrouw. De bijdrage die het hof nu vaststelt per 24 juli 2019 is € 417,-, geïndexeerd naar 2020 is dat € 427,43. De bedragen zijn nagenoeg gelijk. Om die reden zal het hof bepalen dat de vrouw geen terugbetalingsverplichting heeft voor het teveel betaalde.

afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 3)

5.11

Tussen partijen is de verrekeningsvordering in geschil.

5.12

Gelet op het bepaalde in artikel 4 onder b. van de huwelijkse voorwaarden geschiedt de afrekening van de huwelijkse voorwaarden (alsof tussen de echtgenoten de wettelijke algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan) naar de toestand en de waarde in het economisch verkeer op de dag waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig is gemaakt, aldus per 15 oktober 2018.

5.13

In eerste aanleg heeft de vrouw een lijst overgelegd van te verdelen en verrekenen vermogensbestanddelen (productie 8 bij verzoekschrift).

De te verdelen bestanddelen betreffen:

a. een ABN-rekening ten name van partijen met nummer [rekeningnummer 1] ;

b. een inboedel;

en de te verrekenen bestanddelen betreffen:

c. een ABN-Direct Sparen ten name van de man rekening met nummer [rekeningnummer 2] ;

d. een ABN-privérekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 3] ;

e. een ABN spaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 4] ;

f. een ABN vermogensspaarrekening ten name van de man met nummer [rekeningnummer 5] ;

g. een ING betaalrekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6] ;

h. een ING Top-rekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6] ;

i. contant opgenomen gelden;

j. een polis verzekering ten name van de man met polisnummer [polisnummer 1]

k. een beleggingsverzekering bij ASR Levensverzekering NV ten name van de man met

polisnummer [polisnummer 2] ;

l. een woning/appartement aan de [adres] , Marokko;

m. een bankrekening in Marokko Banque Populaire te Tanger met nummer [rekeningnummer 7]

;

n. een bankrekening in Marokko Attijariwafa Bank Tanger met rekeningnummer [rekeningnummer 8]

;

o. een bankrekening Chaabi Bank (Nederlandse dochter van Banque Populaire in

Marokko);

p. een auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ;

q. een Visa Card ten name van de man met nummer [rekeningnummer 9] .

5.14

Door de man is in hoger beroep niet betwist dat het om voormelde te verdelen en verrekenen vermogensbestanddelen gaat.

5.15

De man stelt in zijn derde grief dat de waarde van het aan de vrouw wegens verrekening te betalen bedrag lager is dan het bedrag van € 87.745,79. Hij betwist dat het vermogen € 177.495,57 bedraagt. Het appartement in Tanger vertegenwoordigt volgens hem een waarde van circa € 25.000,- en is door hem gefinancierd met een lening van ongeveer € 10.000,-. Ook vertegenwoordigen de bankrekeningen die op zijn naam staan niet de door de vrouw gestelde saldi. Bovendien hebben de geleverde bewijsstukken betrekking op andere data dan de datum van verrekening en verdeling. Ook heeft de vrouw minimaal één bedrag dubbel geteld. Zo is de geldopname in Nederland die de man daarna op een bankrekening in Marokko heeft gestort twee keer geteld. De vrouw heeft de waarde van de auto ten onrechte op € 12.000,- bepaald. De waarde is lager dan dit bedrag. De man zal tijdig een taxatie van de auto in het geding brengen. De vrouw is ook ter zake van de inboedel overbedeeld. De inboedel is onverdeeld gebleven. De man schat de waarde op € 15.000,-. Dit bedrag dient opgeteld te worden bij de te verdelen gemeenschap. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.16

De man heeft bij zijn beroepschrift ter onderbouwing van zijn bij grief 3 gedane standpunten geen stukken overgelegd en ook niet, ondanks aankondiging, op een later moment. Voor zover de man de door de vrouw gestelde waarde van het appartement in Tanger betwist, heeft hij verzuimd een onderbouwing van de door hem gestelde waarde van € 25.000,- in het geding te brengen. Dat op het appartement een financiering van € 10.000,- rust heeft hij, tegenover de betwisting van de vrouw, ook niet aangetoond. Hetzelfde geldt voor de waarde van de auto en de inboedel. Voor zover zijn stelling juist is dat de vrouw ter zake van de saldi is uitgegaan van een andere datum dan de peildatum, had het op de weg van de man gelegen om de saldi op de peildatum met bewijsstukken inzichtelijk te maken, hetgeen ook geldt voor de waarde van de verschillende polissen (levens)verzekeringen. Dat heeft de man nagelaten. Het hof gaat dan ook aan alle voormelde standpunten van de man voorbij nu een, tegenover de betwisting door de vrouw, feitelijke onderbouwing ontbreekt. Grief 3 faalt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven 1 en 2 deels en faalt grief 3. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde partneralimentatie vernietigen en beslissen als volgt. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

7.1

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2019, voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 613,- per maand als uitkering tot levensonderhoud zal betalen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

7.2

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 juli 2019 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 417,- per maand (in 2020 € 427,43) zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3

bepaalt dat hetgeen tot op heden teveel is betaald, niet door de vrouw hoeft te worden terugbetaald;

7.4

bekrachtigt de bestreden beschikking (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) voor het overige;

7.5

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, M.L. van der Bel en H. van Loo, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 20 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.