Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1323

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
200.175.438/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Geluidsoverlast door honden. Arrest na deskundigenbericht, onder meer over de norm voor geluidsoverlast door honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.175.438/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2838826 MC 14-2279)

arrest van 18 februari 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. B. Eskes, kantoorhoudend te Almere,

tegen

Woningstichting Goedestede,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Goedestede,

advocaat: mr. T. Mulder, kantoorhoudend te Almere.


Het hof neemt het tussenarrest van 23 januari 2018 hier over.

1
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof ir. [B] , verbonden aan TNO (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd.

1.2

De deskundige heeft zijn rapport van 2 augustus 2019 bij de griffie van het hof ingediend.

1.3

De raadsheer-commissaris heeft bij beschikking van 1 oktober 2019 het loon van de deskundige vastgesteld.

1.4

Goedestede heeft een conclusie na deskundigenbericht (met producties) genomen.
[appellante] heeft een memorie van antwoord na deskundigenbericht genomen.

1.5

Ten slotte hebben partijen de processtukken (van na het tussenarrest van

23 januari 2018) overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 Verder over de grieven

2.1

In deze zaak staat de vraag centraal of [appellante] met haar honden ernstige geluidsoverlast veroorzaakt, zoals Goedestede stelt, maar [appellante] betwist.

2.2

In het tussenarrest van 1 augustus 2017 heeft het hof overwogen dat stelplicht en bewijslast van het bestaan van de overlast op Goedestede rusten. Het hof heeft in dat arrest ook overwogen dat Goedestede dat bewijs niet heeft geleverd met de overgelegde schriftelijke stukken (onder meer de klachten van mevrouw [C] , de buurvrouw van [appellante] (hierna: [C] ), en de verklaring van vroegere buren) en dat om die reden de waardering van het door Goedestede overgelegde rapport van Geluidconsult cruciaal is. Omdat [appellante] fundamentele kritiek heeft geleverd op dit rapport is een deskundigenonderzoek noodzakelijk om te kunnen beoordelen of het rapport van Geluidconsult voldoet aan de eisen die aan zo'n onderzoek kunnen worden gesteld en of de conclusies die Geluidconsult aan het door haar verrichte onderzoek verbindt een deugdelijke basis hebben.

2.3

Nadat partijen zich hadden uitgelaten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen, heeft het hof in het tussenarrest van 23 januari 2018 de deskundige benoemd.

2.4

De deskundige heeft een uitgebreid rapport (25 bladzijden) opgesteld. [appellante] onderschrijft de inhoud en de conclusies van het rapport. Goedestede heeft kritiek op dat rapport. Die kritiek betreft zowel de wijze van totstandkoming van het rapport als de inhoud van het rapport. Eerst zal de kritiek op de wijze van totstandkoming van het rapport worden besproken.

2.5

De deskundige heeft op 14 maart 2019 een concept-rapport opgesteld, dat hij naar (de advocaten van) partijen heeft gestuurd. Goedestede heeft op dat concept-rapport gereageerd, waarna de deskundige de tekst van zijn rapport heeft aangepast. De conclusies zijn in het definitieve rapport niet veranderd. In bijlage D bij het rapport is de deskundige op de reactie van Goedestede (en op de meegestuurde reactie van Geluidconsult) ingegaan.

2.6

Op 2 augustus 2019 heeft de deskundige met de advocaten van partijen en een vertegenwoordiger van Geluidsconsult het aangepaste rapport besproken. Volgens Goedestede heeft de deskundige toen gezegd dat hij niet beschikte over de bijlagen bij het rapport van Geluidconsult. De bijlagen zijn hem toen ter hand gesteld.
De deskundige heeft de advocaat van Goedestede op 2 augustus 2019, na het gesprek, het volgende e-mailbericht gestuurd:
"Naar aanleiding van ons gesprek van vanochtend en de informatie uit de bijlagen van het rapport van Geluidconsult (die ik vandaag ontving) heb ik in het deskundigenverslag (de TNO-notitie) voetnoot 10 op blz. 8 aangepast en in bijlage C op blz. 19 voetnoot 1 toegevoegd.
Ik heb gezien dat de bijlagen bij het rapport van Geluidconsult al onderdeel uitmaakten van het dossier (productie 40). De verwarring is ontstaan omdat ik het rapport van geluidconsult in betere kwaliteit eerder (voorafgaand aan toezending van het gehele projectdossier) had ontvangen van het gerechtshof, maar daarbij zaten geen bijlagen."

2.7

Op de dag van het gesprek heeft de deskundige de in zijn e-mailbericht vermelde aanpassingen klaarblijkelijk aangebracht - ze staan vermeld in het gedeponeerde rapport - en het rapport bij het hof ingediend.
Toen de advocaat van Goedestede hem op 5 augustus 2019 verzocht zijn rapport nog niet bij het hof in te dienen en aangaf dat hij op korte termijn zou reageren op de mededeling van de deskundige dat hij niet de beschikking had over de bijlagen bij het rapport van Geluidconsult, antwoordde de deskundige hem in een e-mailbericht van 5 augustus 2019 als volgt:
"Uw bericht komt te laat, want ik heb het verslag al bij het hof ingediend.
Zoals ik u afgelopen vrijdag via e-mail heb verteld, waren de bijlagen bij het rapport wel onderdeel van het dossier. Ik heb de bijlagen eerder ook gezien bij het bestuderen van het dossier, maar dat was al weer enige tijd geleden, en tijdens ons gesprek niet van bewust dat het logboek als bijlage hoorde bij het rapport van Geluidconsult."

2.8

Vastgesteld kan worden, dat:

- de deskundige zelf aangeeft (in zijn e-mailberichten van 2 en 5 augustus 2019) dat hij de bijlagen bij het rapport van Geluidconsult wel had en kende;

- de verklaring die de deskundige geeft voor de verwarring die daarover tijdens het gesprek van 2 augustus is ontstaan - de deskundige had eerder een rapport zonder bijlagen ontvangen - aannemelijk is;
- de deskundige in punt 4.2 van zijn rapport een van de bijlagen, het door [C] bijgehouden logboek, vermeldt.
Onder deze omstandigheden is voldoende aannemelijk dat de deskundige in zijn rapport ook rekening heeft gehouden met deze bijlagen. De kritiek van Goedestede op de totstandkoming van het rapport is dan ook niet steekhoudend.

2.9

De deskundige heeft partijen aan het begin van zijn onderzoek uitgenodigd. Hij heeft hen in de gelegenheid gesteld te reageren op zijn concept-rapport en heeft hun opmerkingen verwerkt in een tweede concept-rapport, waarna hij hen - op 2 augustus 2019 dus - nogmaals heeft uitgenodigd voor een bespreking. Naar aanleiding daarvan heeft hij enkele aanpassingen aangebracht in zijn tweede concept-rapport en dat aangepaste rapport als definitief rapport bij het hof ingediend.
Met deze handelwijze heeft de deskundige partijen ruimschoots in de gelegenheid gesteld om hun inbreng te hebben in de totstandkoming van zijn rapport.

2.10

Partijen stellen de deskundigheid en onpartijdigheid van de deskundige niet ter discussie, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

2.11

Al met al zijn er op het punt van de totstandkoming van het rapport en van de persoon van de deskundige geen redenen aanwezig die afbreuk doen aan de waarde van het rapport.

2.12

De deskundige heeft, na een inleiding, de situatie ter plaatse in kaart gebracht (paragraaf 2). Vervolgens is hij (paragraaf 3) ingegaan op de voorschriften voor het vaststellen en beoordelen van geluid(hinder). Daarna heeft hij de onderzoeks- en beoordelingsmethode van geluidconsult besproken (paragraaf 4). Zijn conclusie (paragraaf 5) is de volgende:
"Terugkomend op de vraag die het gerechtshof heeft gesteld, is de conclusie dat

het oordeel “ontoelaatbaar veel geluidoverlast” van Geluidconsult niet wordt gedragen door de metingen, bevindingen en toepasselijke normen.

De metingen die Geluidconsult heeft uitgevoerd zijn wel bruikbaar om de geluidbelasting van de blaffende honden te beoordelen volgens de methode die van toepassing zou zijn wanneer naast de woning van mevrouw [C] een bedrijf zou zijn gevestigd dat is gericht op de opvang van honden. Uit de gemeten geluidniveaus in de woning van mevrouw [C] , de uit de metingen vastgestelde tijdsperioden waarin de honden blaffen en de overige beschikbare informatie blijkt niet dat de geluidnormen worden overschreden die voor een bedrijf in een vergelijkbare situatie van toepassing zouden zijn.

Daaruit volgt echter (uiteraard) niet dat mevrouw [C] geen hinder heeft (of zou mogen hebben) van de blaffende honden van de buurvrouw en de conclusie betekent niet dat de honden onbeperkt mogen blaffen. Bijlage C geeft aanknopingspunten om grenzen te stellen aan de tijdsduur van het hondengeblaf."

2.13

De door het hof gestelde vragen heeft de deskundige als volgt beantwoord:
"a. Zijn er standaarden, richtlijnen of andere voorschriften van toepassing op het meten en beoordelen van geluidoverlast door het geblaf van honden?

Er is een voorgeschreven methode en er zijn voorschriften (wettelijke regelingen) om de hoeveelheid geluid van een bedrijf (industrielawaai) vast te stellen en te beoordelen. Zo’n bedrijf kan een hondenkennel of dierenasiel zijn, en dan wordt hondengeblaf op dezelfde manier vastgesteld en beoordeeld als andere geluidbronnen die vallen onder industrielawaai. De geluidgrenzen die voor bedrijven van toepassing zijn, gelden juridisch gezien niet voor het geluid van buren. Zie paragraaf 3.1 van voorliggende notitie.

Geluidhinder of -overlast is een persoonlijke ervaring. Een geluidonderzoeker kan vaststellen hoeveel geluid er is en dat toetsen aan richtlijnen of normen.

Een geluidnorm is vastgesteld op basis van een (geaccepteerde) kans (na afweging van verschillende belangen) dat een willekeurig persoon hinder ondervindt. De daarbij horende hoeveelheid geluid (in decibellen) wordt afgeleid uit de dosis-effectrelatie. Zo’n dosis-effectrelatie is specifiek voor hondengeblaf niet bekend, wel voor geluid van bedrijven (met uiteenlopende typen geluiden van een grote verscheidenheid aan geluidbronnen) en voor

verkeerslawaai (met onderscheid voor weg-, rail- en luchtverkeer).

b. Indien het antwoord op vraag a bevestigend luidt: welke standaarden, richtlijnen of voorschriften betreft het en wat is de inhoud hiervan?

In het geval van een hondenkennel of dierenasiel wordt het geluid van het geblaf van honden vastgesteld volgens de ”Handleiding meten en rekenen industrielawaai” en gelden de voorschriften van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Zie hoofdstuk 3 van de voorliggende notitie.

c. Indien dat niet het geval is: zijn er standaarden, richtlijnen of andere voorschriften van toepassing op het meten en beoordelen van burenlawaai, die van betekenis zijn voor het meten en beoordelen van geluidsoverlast door het geblaf van honden?

Zie het antwoord bij vraag a en b.

d. Indien het antwoord op vraag c bevestigend luidt: welke standaarden, richtlijnen of voorschriften betreft het en wat is de inhoud hiervan?

Zie het antwoord bij vraag a.
e. Aan welke eisen dient een onderzoek naar geluidsoverlast door honden naar uw oordeel te voldoen?

Er kan worden aangesloten bij de eisen die gelden voor een geluidonderzoek voor een bedrijf, conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, maar niet alle eisen zijn in alle situaties relevant. In het geval van burenlawaai kan een eenvoudiger onderzoek ook al uitwijzen of de hoeveelheid geluid ver onder de grens ligt die voor een bedrijf van toepassing zou zijn, in de buurt van die grens of duidelijk erboven.

Een onderzoek hoeft dus niet per se strikt aan de eisen van bovengenoemde handleiding te voldoen om in een juridisch geschil te kunnen bepalen wat een redelijke grens is aan de duur van hondengeblaf. Wel moet de methode van de bovengenoemde handleiding op hoofdlijnen worden gevolgd, tenzij er een goede motivering is om dat niet te doen. Van belang is dat het vastgestelde blafgeluid (voor wat betreft geluidniveau en tijdsduur) representatief is voor de normale situatie. Daarnaast spreekt vanzelf dat het onderzoek onpartijdig moet worden uitgevoerd en dat de uitkomst onafhankelijk is van de partij die opdracht geeft. Om elke schijn van afhankelijkheid te vermijden, heeft het de voorkeur om het onderzoek met instemming, of in ieder geval medeweten, van beide partijen uit te voeren, tenzij dat voor een representatief onderzoek op geen enkele manier mogelijk is.

f. Zijn er algemeen aanvaarde (en zo niet, in de praktijk gangbare) normen van toepassing voor het bepalen van geluidsoverlast voor blaffende honden en, zo ja, hoe luiden die?

Zie ook het antwoord bij vraag a. Voor grenzen aan de hoeveelheid geluid (de

geluidbelasting in decibellen) kan worden aangesloten bij de grenswaarden van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. In situatie met een bedrijf dat aan een woning grenst, gelden grenswaarden voor de langtijdgemiddelde geluidniveaus binnen in de woning van respectievelijk 35, 30 en 25 dB(A) voor de dag -, avond- en nachtperiode. Voor de maximale niveaus die op een bepaald moment kunnen optreden (aangeduid met het symbool LAmax) gelden grenswaarden van respectievelijk 55, 50 en 45 dB(A).
g. Indien uw antwoord op vraag f ontkennend luidt: zijn er algemeen aanvaarde

(en zo niet: in de praktijk gangbare) normen van toepassing op geluidsoverlast door buren, die van belang zijn voor de beoordeling van geluidsoverlast door blaffende honden? Indien dat het geval is, hoe luiden die normen en dient op deze normen een correctie te worden aangebracht om ze geschikt te maken voor het beoordelen van geluidsoverlast door blaffende honden?

Voor het geluid van honden is het gebruikelijk (en conform jurisprudentie) om een correctie toe te passen voor impulsachtig geluid, wat betekent dat bij het gemeten of berekende langtijdgemiddelde geluidniveau een toeslag van 5 dB wordt opgeteld voordat dit niveau wordt getoetst aan de grenswaarde. Zie verder hoofdstuk 3 van voorliggende notitie.

h. Indien u bij uw antwoord op vraag f of g uitgaat van gangbare normen, wilt u dan toelichten waarom de normen door u worden beschouwd als gangbare normen?

Dit is toegelicht in paragraaf 3.1 van voorliggende notitie. In bepaalde situaties kan het geluid van buren in een woonsituatie voor wat betreft de hinder die het oplevert lijken op het geluid van een naastgelegen bedrijf. Bij hondengeblaf ligt de vergelijking met een hondenkennel of dierenasiel voor de hand.

i. Wilt u in het licht van uw antwoorden op de vragen a t/m e het door Geluidconsult verrichte onderzoek d.d. 4 juni 2014 (prod. 40 bij CvR) beoordelen? Wilt u bij deze beoordeling ook de door [appellante] in grief 6 en productie 4 bij de MvG geformuleerde kritiek betrekken en de reactie van Geluidconsult op deze kritiek (prod. G bij MvA)?

Het rapport van Geluidconsult is beoordeeld in hoofdstuk 4 van de voorliggende notitie en de conclusie is opgenomen in hoofdstuk 5: het oordeel “ontoelaatbaar veel geluidoverlast” van Geluidconsult wordt niet gedragen door de metingen, bevindingen en toepasselijke normen. In aanvulling daarop kan worden opgemerkt dat de lezer van het rapport de indruk zou kunnen krijgen dat er geen onpartijdig en onafhankelijk onderzoek is uitgevoerd, om de volgende redenen:

• De representatieve situatie is niet in overleg met beide partijen vastgesteld.

• Er wordt een vergelijking gemaakt met een situatie met van een naast gelegen horeca-inrichting, waarbij er een overschrijding van 17 dB(A) van de grenswaarde zou optreden, maar de meer voor de hand liggende vergelijking met hondengeblaf van een naastgelegen dierenasiel, waarbij er geen overschrijding zou optreden, wordt niet gemaakt.

Dit is echter geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid, deskundigheid en onpartijdigheid bij de uitvoering en analyse van de metingen die Geluidconsult heeft uitgevoerd.

Grief 6 van [appellante] betreft het feit dat geluiden zijn meegenomen waarvan geen geluidopnamen of logboekregistraties aanwezig zijn en dat er geen "nagalmeffect” is meegenomen. Geluidconsult geeft hiervoor een goede verklaring. Op de meetresultaten
en de beoordeling van de geluidsituatie heeft dit overigens weinig invloed. (Zie bijlage B.)

j. Hoe beoordeelt u, in het licht van uw antwoord op vraag i en uw antwoord op vragen f en g de conclusie van Geluidconsult dat sprake is van “burenlawaai klasse 3: toelaatbare geluidhinder lawaai”? Wordt deze conclusie gedragen door de bevindingen/metingen van Geluidconsult en door de toepasselijke normen?

Nee. Zie het antwoord op vraag i en de conclusie in hoofdstuk 5 van voorliggende notitie.

k. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die mogelijk van belang zijn voor een beoordeling in deze zaak?

Voor alle duidelijkheid is het nuttig om op te merken dat noch TNO, noch Geluidconsult een uitspraak kan doen over de geluidhinder die mevrouw [C] ervaart. Dat kan zij alleen zelf doen. De beoordeling van de geluidsituatie zegt iets over de statistische kans dat een willekeurig persoon in de gegeven situatie geluidhinder ondervindt. Met “ontoelaatbaar veel geluidoverlast” is duidelijk dat Geluidconsult oordeelt dat die kans ontoelaatbaar groot is. Op grond van de overwegingen in voorliggende notitie is de kans niet groter dan in een vergelijkbare situatie met een bedrijf acceptabel wordt gevonden."

2.14

De advocaat van Goedestede heeft in een brief van 10 mei 2019 gereageerd op het concept-rapport van de deskundige. Hij heeft bij deze brief verwezen naar de bijgevoegde reactie van Geluidconsult op het concept-rapport. De deskundige is in bijlage D bij zijn rapport ingegaan op de kritiek van de advocaat van Goedestede en van Geluidconsult. Hij heeft deze kritiek onderverdeeld in vijf onderdelen en is op elk van deze onderdelen uitvoerig ingegaan. Goedestede verwijst in haar als “conclusie na deskundigenbericht” aangeduide memorie naar haar kritiek op het concept-deskundigenbericht en verzoekt die als herhaald en ingelast te beschouwen. Goedestede laat echter na systematisch in te gaan op wat de deskundige in bijlage D heeft geschreven ter weerlegging van deze kritiek. Daarmee heeft zij haar kritiek op het rapport van de deskundige en op diens conclusies onvoldoende onderbouwd, althans voor zover deze kritiek in de memorie verder niet wordt uitgewerkt. Hierna zal dan ook alleen nog worden ingegaan op de in de memorie uitgewerkte kritiek.

2.15

Een kernpunt van de kritiek van Goedestede is dat de deskundige voor de beoordeling van het geluid van blaffende honden aansluit bij de normen die er zijn voor het geluid dat een bedrijf veroorzaakt binnen een aangrenzende woning. In bijlage D heeft de deskundige deze keuze als volgt gemotiveerd:
De vragen van de rechtbank (overgenomen in bijlage A) zijn vooral gericht op aansluiting bij normen, richtlijnen, standaarden en voorschriften die van toepassing (kunnen) zijn op het meten en beoordelen van geluid van buren en hondengeblaf. Juridisch gezien zijn er geen wettelijke voorschriften voor het meten en beoordelen van het geluid van buren. In het deskundigenbericht is aansluiting gezocht bij voorschriften die van toepassing zijn op geluid van een (klein of middelgroot) bedrijf dat onder het Activiteitenbesluit valt. Motivering hiervoor is gegeven in paragraaf 3.1. De Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) kiest bij het beoordelen van burenlawaai voor dezelfde aansluiting. Op bladzijde 56 van een publicatie van de NSG over burenlawaai staat: “Hoe langer een hond blaft hoe meer hinder. Om daarin enig houvast te krijgen kan gebruik worden gemaakt van de geluidgrenswaarden die voor bedrijven gelden.”

Ook de beoordelingsmethode van Geluidconsult gaat uit van hetzelfde principe. Stel dat het niet zou gaan om hondengeblaf, maar om een meer continu geluid zoals van een airconditioning afkomstig van een naastgelegen woning, dan zou Geluidconsult dezelfde beoordelingsmethode en grenswaarden hebben gehanteerd die van toepassing zijn voor het geluid afkomstig van een bedrijf.

Volgens GoedeStede is dit geen goed uitgangspunt en is de vergelijking met een bedrijf (in dit geval een hondenopvang of dierenasiel) ongepast. GoedeStede zegt (samengevat) dat een huurder van een woonruimte naast een bedrijf zich bewust is van het feit dat er een zekere mate van geluidproductie zal zijn en zich daar vooraf rekenschap van heeft kunnen geven en dus een geheel ander uitgangspunt en normenpatroon hanteert voor wat betreft de vraag of er sprake is van lawaai of overlast. Dit is echter niet altijd het geval. Een bedrijf kan zich ook naast een woning vestigen. Voor de grenswaarden aan het geluid van bedrijven van het Activiteitenbesluit is het niet van belang wie er eerst was, de bewoner of het bedrijf. De grenswaarden zijn bedoeld om een bepaalde mate van bescherming te bieden tegen geluidhinder, maar niet om uit te sluiten dat een bepaald type (hoorbaar) geluid in de toekomst op een specifieke plaats kan optreden, of dat daarvan hinder wordt ondervonden. Een huurder van een woning krijgt dus geen garantie dat er in de toekomst nooit geluidhinder zal optreden van een bepaalde geluidbron. De meeste bewoners zullen zich daarvan bewust zijn, ongeacht of het gaat om geluid van bedrijven, verkeer of buren.

Geluidconsult stelt op basis van eigen ervaring dat buren van elkaar minder geluid tolereren dan van bedrijven, omdat een bedrijf een economisch nut heeft voor de samenleving. Dit is niet de ervaring van TNO. Alleen als het gaat om grote, vooral niet verplaatsbare bedrijven (zoals een luchthaven of een groot industriegebied) is er tot op zekere hoogte begrip voor dat het geluid niet binnen de grenzen van het bedrijfsterrein kan blijven. Van een bedrijf dat geluidhinder veroorzaakt wordt (meer dan van buren) verwacht dat wordt geïnvesteerd in technisch en financieel haalbare mogelijkheden om met maatregelen bij de bron of in de overdracht het geluid te beperken. Daar staat tegenover dat (vanwege het economisch belang) van een bedrijf minder snel worden geëist dat bepaalde activiteiten die geluidoverlast veroorzaken worden gestaakt, dan van buren, zeker als de activiteiten essentieel zijn voor het kunnen functioneren van het bedrijf.

Een tweede argument van Geluidconsult is dat bewoners bij het geluid van bedrijven kunnen vertrouwen op een stelsel van wettelijke milieunormen, regelgeving en een handhavingsdienst. Dat lijkt echter alleen een reden om in het onderhavige geval, waar bewoners er onderling niet uitkomen, de mogelijkheid te bieden om via de rechtbank regels vast te stellen waar die anders juridisch niet kunnen worden afgedwongen, maar niet om andere regels te stellen. Het probleem is dat als de geluidonderzoeker andere regels zou moeten stellen dan er voor bedrijven gelden, het sterk van de bij het onderzoek betrokken personen afhangt hoe een geluidsituatie wordt beoordeeld.”
2.16 Met deze uiteenzetting heeft de deskundige zijn oordeel dat voor de beoordeling van het geluid van honden moet worden aangesloten bij de normen die gelden voor de beoordeling van het geluid van een bedrijf overtuigend onderbouwd. Uit het oordeel van de deskundige volgt dat er geen goed ander objectiveerbaar beoordelingskader is dan dat van de beoordeling van geluid door bedrijven. Het ligt dan ook voor de hand bij dit beoordelingskader aansluiting te zoeken, zoals de deskundige doet. Dat de deskundige daarin niet alleen staat blijkt uit zijn verwijzing naar de brochure van NSG. In deze brochure staat, zoals de deskundige in een voetnoot opmerkt, dat sommige gemeenten in hun APV voor de beoordeling van hinder door burenlawaai ook verwijzen naar de grenswaarden en beoordelingsmethode die voor buren van toepassing is.

2.17

Het hof vindt het van belang dat niet gebleken is dat er op dit moment andere normen zijn die een wettelijke basis hebben, of waarvoor een breed draagvlak bestaat. Dat over de juistheid van de normen die Geluidconsult hanteert consensus bestaat binnen de beroepsgroep van de geluidonderzoekers (laat staan binnen de instanties en organisaties die betrokken zijn bij het onderwerp van geluidhinder door buren) is niet aannemelijk geworden.
Onder deze omstandigheden is het hof er niet van overtuigd dat voor de beoordeling van geluidhinder door honden aansluiting moet worden gezocht bij de normen die Geluidconsult heeft ontwikkeld.

2.18

Volgens Goedestede leidt toepassing van geluidnormen die gelden voor een bedrijf tot veel strengere criteria, die niet bruikbaar zijn en in de praktijk tot grote bewijsproblemen zullen leiden. Zij heeft dit betoog onvoldoende onderbouwd. Niet valt in te zien waarom overtreding van een strengere norm minder gemakkelijk te bewijzen is dan overtreding van een minder strengere norm. In beide gevallen zal er immers gemeten moeten worden. Waarom bij de strengere norm van het bedrijfslawaai niet en bij de door Geluidconsult gehanteerde norm wel voldoende rekening wordt gehouden met “de gerechtvaardigde belangen van slachtoffers van geluidoverlast” maakt Goedestede niet duidelijk: beide normen beogen immers rekening te houden met die belangen en vormen de neerslag van een afweging tussen enerzijds de belangen van degene die geluid produceert en anderzijds de omwonenden die, letterlijk, met dat geluid moeten leven. Het verschil is dat de geluidnormen die gelden voor bedrijven een wettelijke basis hebben en dat daarover consensus bestaat en dat dit voor de normen van Geluidconsult (nog) niet het geval is.

2.19

Dat een huurder van een woning in een woonwijk niet hoeft te verwachten dat het door omwonenden geproduceerde geluid wordt beoordeeld aan de hand van normen die gelden voor bedrijven, zoals Goedestede aanvoert, is één kant van de zaak. De andere kant is dat de huurder van een woning in een woonwijk die geluid maakt, ervan mag uitgaan dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van dat geluid gebeurt aan de hand van objectieve en breed gedragen normen en niet aan de hand van normen die een door zijn verhuurder ingeschakelde deskundige hanteert, maar een andere deskundige weer niet.
In dit verband overweegt het hof dat Goedestede, als verhuurder, andere mogelijkheden heeft om het risico op geluidoverlast door dieren te verkleinen, bijvoorbeeld door in de huurovereenkomst regels op te nemen over het aantal huisdieren dat de huurder mag houden.

2.20

Goedestede kan zich niet vinden in het oordeel van de deskundige dat hondengeblaf niet op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als muzieklawaai. Deze kritiek heeft Goedestede ook al geuit op het concept-rapport. De deskundige heeft deze kritiek besproken, en naar het oordeel van het hof, afdoende weerlegd in bijlage D bij zijn rapport. Goedestede heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd en heeft haar kritiek op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd.

2.21

Het hof volgt Goedestede niet in haar betoog dat door het rapport van TNO de suggestie wordt gewekt dat [C] geluidgevoelig is. Uit het antwoord van de deskundige op vraag k volgt juist dat de deskundige geen uitspraak doet over de door [C] ervaren geluidhinder.

2.22

Ten slotte voert Goedestede nog aan dat het rapport van de deskundige innerlijk tegenstrijdig is. Goedestede doelt dan op het gegeven dat door Geluidconsult is vastgesteld dat op 17 mei 2014 sprake is geweest van 170 seconden en 23 seconden hondengeblaf in de nachtelijke uren (tussen 23:00 en 24:00) uur. Volgens de deskundige (bijlage C van zijn rapport) worden de grenswaarden voor geluid overschreden wanneer in de nachtelijke uren de honden anders dan incidenteel blaffen. Daarbij wordt opgemerkt:
dus ’s nachts zouden de honden (behoudens een incident) niet mogen blaffen
en
Het moet gaan om uitzonderingen, dus hiermee wordt zeker niet bedoeld dat iedere nacht een enkele keer blaffen toelaatbaar is.

2.23

Het hof is het met Goedestede eens dat bij het vastgestelde blaffen op 17 mei 2014 geen sprake was van incidenteel geblaf. Dat betekent dat die (late) avond de geluidnorm is overschreden. Dat betekent echter niet dat daarmee vaststaat is dat sprake is van ontoelaatbare geluidoverlast. Daarvan is pas sprake wanneer de geluidnormen structureel
- in elk geval meer dan eenmaal gedurende in totaal nog geen vier minuten in een periode van twee weken (de periode waarin het geluid door Geluidconsult is gemeten) - worden overschreden. Het oordeel van de deskundige dat de conclusie van Geluidconsult dat sprake is van “ontoelaatbaar veel geluidoverlast” niet wordt gedragen door de metingen, bevindingen en toepasselijke normen, wordt niet aangetast door de vaststelling dat in de periode van de metingen eenmaal sprake is geweest van een overschrijding van de toepasselijke geluidnorm.

2.24

De slotsom is dat de kritiek van Goedestede op het rapport van de deskundige onvoldoende onderbouwd is. Het hof zal uitgaan van deze bevindingen, die goed onderbouwd en op een inzichtelijke wijze zijn toegelicht.

2.25

Dat betekent dat ook met het rapport van Geluidconsult niet is bewezen dat (de honden van [appellante] ) ontoelaatbaar veel geluidoverlast veroorzaken. Zoals hiervoor is overwogen, is dat bewijs ook niet geleverd met de overgelegde schriftelijke verklaringen.
Goedestede biedt nog wel aan om de heren [D] (een werknemer van Goedestede) en [E] van Geluidconsult als getuigen te doen horen, maar zij vermeldt niet wat deze getuigen zouden kunnen verklaren over de geluidhinder. Het bewijsaanbod is dan ook onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van [E] geldt dat hij, gezien diens betrokkenheid bij het rapport van Geluidconsult, eerder als (partij)deskundige dan als getuige gehoord zou moeten worden. Het hof heeft echter geen behoefte aan een verklaring van een partijdeskundige en is daartoe ook niet verplicht (vgl. het woord “kan” in artikel 200 Rv).

2.26

Het bovenstaande betekent dat de grieven van [appellante] , voor zover deze opkomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] structurele en ernstige overlast veroorzaakt, slagen. Daarmee komt de grondslag aan de door de kantonrechter toegewezen vordering tot het verbod om honden te hebben in de door [appellante] van Goedestede gehuurde woning te ontvallen. Die vordering is niet toewijsbaar. Het hof zal deze vordering alsnog afwijzen.

2.27

Goedestede baseert haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst allereerst op het veroorzaken van overlast. De vordering is op deze grondslag niet toewijsbaar. In zoverre faalt grief A in het incidenteel appel.

2.28

Goedestede baseert haar vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in hoger beroep ook op een aanvullende grondslag, te weten dat [appellante] haar hoofdverblijf niet meer in de woning heeft, dit in strijd met artikel 6.2 van het huurreglement. Goedestede wijst op vier rapporten van haar medewerkers uit oktober en november 2015, inhoudende dat zij bij een bezoek aan de woning van [appellante] haar niet aantroffen, dat de woning een onbewoonde indruk maakte en dat buurtbewoners haar al maanden niet hadden gezien en op een mail van een buurtbewoner dat [appellante] niet meer in de woning woont en er alleen haar post maar komt ophalen.
heeft daartegen aangevoerd dat zij vanaf januari 2015 mantelzorg verleent aan haar partner, die in [F] woont en aan een ernstige huidziekte lijdt en intensieve zorg nodig heeft. Zij verwijst in dit verband naar een verklaring van de dermatoloog van haar partner, die inhoudt dat haar partner intensieve begeleiding krijgt van zijn partner, [appellante] dus, die om die reden bij hem inwoont. Volgens [appellante] is sprake van een tijdelijke situatie, die eindigt wanneer haar partner hersteld is. Zij zou “liever vandaag dan morgen” terugkeren naar haar woning in [A] , aldus [appellante] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel van 26 januari 2016.

2.29

Volgens Goedestede bewoont [appellante] de woning nog steeds niet of nauwelijks. [appellante] bestrijdt dat in haar memorie na deskundigenbericht en stelt dat zij “(gewoon)” in de woning woont. Zij verwijst naar wat zij daarover in de memorie van antwoord in incidenteel appel heeft opgemerkt. Die verwijzing roept vragen op, omdat zij daar juist niet had gesteld dat zij (laat staan “gewoon”) in de woning woont. Wanneer [appellante] nog steeds in [F] verblijft om mantelzorg te verlenen, verblijft zij al ongeveer vijf jaren niet meer in haar woning in [A] . De vraag rijst of dan inmiddels geen sprake is van een structurele situatie waarin [appellante] de door haar gehuurde woning niet bewoont.

2.30

[appellante] dient bij akte duidelijkheid te verstrekken over haar woonsituatie door de volgende vragen te beantwoorden:
a. Verblijft [appellante] nog vaak bij haar partner in [F] , al dan niet om hem mantelzorg te verlenen?
b. Zo nee, sinds wanneer niet meer?
c. Zo ja, op welke termijn zal deze situatie eindigen?
d. Hoeveel dagen per week heeft [appellante] in de afgelopen jaren, vanaf 1 januari 2015, in de woning van haar partner in [F] verbleven?

2.31

Goedestede kan op deze akte reageren.

3 De beslissing

Het gerechtshof, voordat het verder beslist:

verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2020 voor akte aan de zijde van [appellante] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. D.H. de Witte en mr. J.M. Rowel-van der Linden en is uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2020, in aanwezigheid van de griffier.