Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1280

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
21-005585-19
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1929
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemaximeerde oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege en oplegging van de maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht.

Het hof spreekt verdachte vrij van bedreiging van een reclasseringsmedewerker omdat de uitingen van verdachte, ook in de gegeven omstandigheden, niet van dien aard zijn dat bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, dan wel zwaar zou kunnen worden mishandeld.

Het hof spreekt verdachte ook vrij van een van de hem tenlastegelegde belagingen omdat in die zaak op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Het hof acht de andere hem tenlastegelegde feiten wel wettig en overtuigend bewezen. Het betreft twee bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht, twee belagingen en het eenmaal medeplegen van smaadschrift.

Het hof acht verdachte, gelet op de conclusies van een over hem opgemaakt PBC-rapport, niet strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist bovendien dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, aangezien de noodzakelijke langdurige behandeling niet in een ander kader kan worden gerealiseerd.

Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat de totale duur van de maatregel wel gemaximeerd is, nu het hof oordeelt dat géén sprake is van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof ziet voorts ambtshalve aanleiding om - naast de tbs-maatregel - tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen indien dat in verband met alsdan bestaande risico's noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005585-19

Uitspraak d.d.: 17 februari 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 oktober 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-830158-18 en 18-830184-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in Zwolle PPC te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 23 december 2019 en 3 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de aan verdachte in de zaken met parketnummers 18-830158-18 en 18-830184-19 tenlastegelegde feiten, ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte en oplegging van de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de advocaat-generaal de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals neergelegd in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd in het geval het hof de terbeschikkingstelling wel maximeert. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft alle in de zaken met parketnummers 18-830158-18 en 18-830184-19, tenlastegelegde feiten bewezen verklaard, verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel van ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege ongemaximeerd opgelegd.

Het hof komt met betrekking tot de bewezenverklaring van een deel van de feiten, alsmede met betrekking tot de op te leggen maatregel(en), tot een ander oordeel dan de rechtbank en zal daarom het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 18-830158-18:


1.
hij op of omstreeks 10 juli 2018 te [plaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik regel een mitrailleur en ik schiet een kogel door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] ,

door met grote regelmaat bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende

brieven bij die [aangever 1] in de brievenbus te gooien met onder meer de volgende tekst, een afbeelding van een doodskist met daarop geschreven: " [aangever 1] R.I.P" en/of " [woord] " en/of " [woord] " en/of " [aangever 2] is het bastaardkind van [woord] " en/of " [aangever 1] is ten dode opgeschreven" en/of "pleeg euthanasie hersenbeschadigd stukje stront" en/of "pleeg zelfmoord stakker" en/of " [aangever 1] is 1 dislectisch stuk stront" en/of "Waar blijft het DNA bewijs van stalking" en/of

e-mail berichten naar die [aangever 1] te sturen met als inhoud onder meer: "Maak jezelf van kant kankerlijer" en/of "Kanker op junk" en/of " [partner] wil nog best een kopje koffie met je gaan drinken op jouw uitnodiging maar wil je dan wel die DNA-uitslag meenemen?" en/of

berichten en filmpjes op YouTube en Facebook te zetten waarin wordt beweerd (zakelijk weergegeven) dat [aangever 1] de verwekker is van de dochter van verdachte, en/of

door telkens bij de woning van die [aangever 1] te komen en/of met het oogmerk die [aangever 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3.
hij op of omstreeks 26 juli 2018 te [plaats] [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door een brief te overhandigen met de tekst "binnen drie dagen 1000.000 overmaken want anders Breivik wordt u afgeslacht", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of zijn hand te vormen tot een vuurwapen en tegen zijn hoofd te zetten;

4.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 27 december 2018 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 4] ,

door, meermalen bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende brieven bij die [aangever 4] in de bus te gooien met onder meer de volgende tekst: "wie oh wie is niet dislektafel" en/of "Ik ben 100% tegen hoeren en pooiers" en/of " [naam 2] is de dochter van Volkert van der Graaf " en/of "In ons koninkrijk lopen psychiatrische patiënten vrij rond" en/of " [aangever 4] is een misdadigster" en/of " [aangever 4] is een misselijke slet" en/of "dyslexie is mede veroorzaakt door [aangever 4] is een hele hele ernst doodzieke junk" en/of

facebook berichten te plaatsen waarin hij beweert dat die [aangever 4] dood moet en/of

bij de woning van die [aangever 4] te komen, met het oogmerk die [aangever 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;


5.
hij in of omstreeks de periode van 18 november 2018 tot en met 22 november 2018 te [plaats] [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon] in een brief dreigend de woorden toe te voegen: "De nieuwe Friese binaire baas van de psyche is [verdachte] verklaart u Dood gewoon Dood en/of Pleeg fuck te ing suicide idioot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


zaak met parketnummer 18-830184-19:


1.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 16 april 2019 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2] ,

door telkens brieven naar die [aangever 2] te sturen en/of te laten bezorgen met onder meer als inhoud: "Dag zuiplappen. Ik moet jullie er op wijzen dat een lid van jullie club ernstige misdaden heeft begaan: [aangever 2] " en/of "ze zegt al jarenlang ten onrechte dat ze de dochter is van de wereldberoemde internationale schaakgrootmeester , ben ik maar zij niet" en/of "Ze is hersenbeschadigd psychotische kindje van [aangever 1] die zelf ook volkomen psychotisch is" en/of " [aangever 2] is de biologische dochter van [aangever 1] " en/of " [aangever 2] is oliedom" althans woorden van gelijke aard en/of strekking, met het oogmerk die [aangever 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;


2.
hij op of omstreeks 17 juni 2019, althans in de maand juni 2019, te [plaats] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [aangever 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een mail te (laten) versturen naar de leden van de gemeenteraad [plaats] en/of het college van B&W [plaats 2] met onder meer als inhoud (zakelijk weergegeven) "dat [aangever 1] de toenmalige echtgenote van verdachte heeft verkracht en/of dat [aangever 1] de vader is van de dochter van verdachte".

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

18-830158-18 onder 5 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

parketnummer 18-830158-18 onder 5

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen.1

Uit het dossier blijkt dat [persoon] via het kantoor van de Reclassering Nederland, waar hij werkzaam is, eind november 2018 een brief heeft ontvangen die aan hem persoonlijk was gericht. Aan de schrijfstijl herkende [persoon] dat de brief afkomstig moest zijn van verdachte. In de brief staat de volgende tekst:

‘De Nieuwe Friese Binaire Baas van de PsYche is [verdachte] Verklaart u Dood Ge Woon Dood! => Pleeg Fuck The Ing Suïcide Idioot!’

Verdachte heeft hierover bij de politie verklaard dat deze brief inderdaad van hem afkomstig is en dat hij daarmee wilde aangeven dat [persoon] uit zijn buurt moest blijven.

Het hof is van oordeel dat de betreffende uitlatingen in de brief op zichzelf beschouwd niet van dien aard zijn dat van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven of zware mishandeling sprake is. Verdachte heeft in de brief immers niet gedreigd aangever te doden, dan wel zwaar te mishandelen. Dat de woorden "dood" en "suïcide" in de aan aangever gerichte brief hem schrik hebben aangejaagd is zonder meer voorstelbaar. Maar de uitingen zijn, ook in de gegeven omstandigheden, niet van dien aard dat bij [persoon] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, dan wel zwaar zou kunnen worden mishandeld.

parketnummer 18-830184-19 onder 1

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr verschillende factoren van belang zijn. Het gaat dan om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.2

Op 16 april 2019 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van belaging door [verdachte] , verdachte. Dit zou hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode tussen 1 december 2018 en 16 april 2019. Bij de politie heeft [aangever 2] verklaard dat zij via een architectenbureau vlakbij haar woning een aantal brieven heeft gekregen dat aan haar gericht was. Ook via de studentenvereniging waar zij bij zit, [studentenvereniging] , heeft zij een brief ontvangen.

Het hof stelt vast dat zich bij de aangifte één brief bevindt met een datum die in de tenlastegelegde periode valt, te weten 26 februari 2019. De datum die op een andere brief staat, 22 augustus 2018, valt buiten de tenlastegelegde periode. Enkele andere brieven zijn ongedateerd. Achter de aangifte bevindt zich verder een foto van een aantal enveloppen, gericht aan aangeefster. Op deze enveloppen is geen datum zichtbaar. Niet duidelijk is wanneer deze enveloppen bij aangeefster terecht zijn gekomen en wat de inhoud is geweest.

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld of in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hoewel de inhoud van de brieven die bij de aangifte zijn gevoegd zonder meer als kwetsend voor aangeefster zijn aan te merken, kan belaging echter niet worden bewezen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de overige feiten

De verdediging heeft ook ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd - onder meer - dat van bedreigingen jegens [aangever 1] en [aangever 3] geen sprake is. Verdachte heeft zijn onvrede geuit en daarbij harde woorden gebruikt, maar daarmee is nog geen sprake van het opwekken van een zodanige vrees dat van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr kan worden gesproken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [aangever 1] en van [aangever 4] is aangevoerd dat de stelselmatigheid van de gedragingen van verdachte niet wordt betwist, maar wel de wederrechtelijkheid, omdat verdachte alleen aandacht wilde vragen voor het door hem ervaren onrecht. Hetzelfde geldt ten aanzien van het smaadschrift. Verdachte is ervan overtuigd dat er sprake is van een misstand zodat van smaad geen sprake kan zijn, aldus de verdediging.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

parketnummer 18-830158-18 onder 1 en 3

Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreigingen, gericht tegen respectievelijk [aangever 1] en [aangever 3] , overweegt het hof dat de door verdachte naar [aangever 1] geuite bewoordingen, inhoudende “Ik regel een mitrailleur en ik schiet een kogel door je kop”, onmiskenbaar als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is aan te merken. Hetzelfde geldt voor de aan [aangever 3] in een brief geuite bewoordingen, die verdachte heeft ondersteund met een handgebaar in de vorm van een pistool en die hand die hand tegen zijn hoofd gezet. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat de door hem in diverse kleuren geschreven tekst anders gelezen moet worden, maar door in zijn tekst te verwijzen naar een zeer gewelddadig persoon ( Breivik ) en door het gebruik van de term “afgeslacht” in combinatie met het handgebaar heeft verdachte bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat aangever dit als een bedreiging met de dood zou opvatten. Het hof overweegt dat [aangever 3] de combinatie van woorden en gebaar als bedreiging met de dood heeft kunnen opvatten.

parketnummer 18-830158-18 onder 2 en 4

Ten aanzien van de ten laste gelegde belagingen, gericht tegen respectievelijk [aangever 1] en [aangever 4] , overweegt het hof het volgende. Zowel uit het dossier als uit hetgeen door [aangever 1] ter terechtzitting in het kader van zijn spreekrecht als slachtoffer naar voren is gebracht blijkt dat de gedragingen van verdachte een grote impact hebben (gehad) op het leven van zijn broer [aangever 1] en ex-schoonzus [aangever 4] . Gelet op de aard en de frequentie van de brieven, berichten en filmpjes - met veelal een voor aangevers beledigende en grievende inhoud - waarmee verdachte zijn broer en zijn ex-schoonzus maandenlang heeft bestookt, is het hof van oordeel dat verdachte jegens hen wederrechtelijk heeft gehandeld en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan belaging.

parketnummer 18-830184-19 onder 2

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen van smaadschrift overweegt het hof dat in de e-mail die verdachte - samen met zijn partner [partner] Borghans - naar de gemeenteraad van [plaats] en het college van B&W van [plaats 2] heeft gestuurd onder meer staat dat [aangever 1] de toenmalige echtgenote van verdachte heeft verkracht en de vader is van de dochter van verdachte. Door een e-mail met een dergelijke inhoud naar verschillende personen te sturen heeft verdachte wederrechtelijk gehandeld jegens zijn broer [aangever 1] en zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) smaadschrift.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 18-830158-18:


1.
hij op 10 juli 2018 te [plaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik regel een mitrailleur en ik schiet een kogel door je kop";


2.
hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] ,

- door met grote regelmaat bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende

brieven bij die [aangever 1] in de brievenbus te gooien met onder meer de volgende tekst: een afbeelding van een doodskist met daarop geschreven: " [aangever 1] R.I.P" en " [woord] " en " [woord] " en " [aangever 2] is het bastaardkind van [woord] " en " [aangever 1] is ten dode opgeschreven" en "pleeg euthanasie hersenbeschadigd stukje stront" en "pleeg zelfmoord stakker" en " [aangever 1] is 1 dislectisch stuk stront" en "Waar blijft het DNA bewijs van stalking" en

- door e-mail berichten naar die [aangever 1] te sturen met als inhoud onder meer: "Maak jezelf van kant kankerlijer" en "Kanker op junk" en " [partner] wil nog best een kopje koffie met je gaan drinken op jouw uitnodiging maar wil je dan wel die DNA-uitslag meenemen?" en

- door berichten en filmpjes op YouTube en Facebook te zetten waarin wordt beweerd (zakelijk weergegeven) dat [aangever 1] de verwekker is van de dochter van verdachte, en

- door telkens bij de woning van die [aangever 1] te komen,

met het oogmerk die [aangever 1] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen;


3.
hij op 26 juli 2018 te [plaats] [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een brief te overhandigen met de tekst "binnen drie dagen 1000.000 overmaken want anders Breivik wordt u afgeslacht" en zijn hand te vormen tot een vuurwapen en tegen zijn hoofd te zetten;


4.
hij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 27 december 2018 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 4] ,

- door meermalen bedreigende en/of beledigende en/of intimiderende brieven bij die [aangever 4] in de bus te gooien met onder meer de volgende tekst: "wie oh wie is niet dislektafel" en "Ik ben 100% tegen hoeren en pooiers" en " [naam 2] is de dochter van Volkert van der Graaf " en "In ons koninkrijk lopen psychiatrische patiënten vrij rond" en " [aangever 4] is een misdadigster" en " [aangever 4] is een misselijke slet" en "dyslexie is mede veroorzaakt door [aangever 4] is een hele hele ernst doodzieke junk" en

- door Facebook berichten te plaatsen waarin hij beweert dat die [aangever 4] dood moet en

- door bij de woning van die [aangever 4] te komen,

met het oogmerk die [aangever 4] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen;


zaak met parketnummer 18-830184-19:


2.
hij omstreeks 17 juni 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door een e-mail te versturen naar de leden van de gemeenteraad [plaats] en het college van B&W [plaats 2] met als inhoud (zakelijk weergegeven) dat [aangever 1] de toenmalige echtgenote van verdachte heeft verkracht en dat [aangever 1] de vader is van de dochter van verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 2 en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

belaging.

Het in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van smaadschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof overweegt dat de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft het hof gelet op het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (Pieter Baan Centrum) van 26 september 2019, opgemaakt door T. den Boer, psychiater, en J. Heerschop, psycholoog.

In de rapportage concluderen de deskundigen dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis met uitgebreide wanen als gevolg van meerdere herseninfarcten in essentiële kwetsbare gebieden van het brein. Hierdoor is sprake van een sterk verstoorde realiteitstoetsing, ontremming in denken en voelen en een verhoogde associativiteit. Verdachte is niet in staat zijn beleving van de werkelijkheid te toetsen aan informatie die in strijd is met zijn overtuigingen. Perspectief innemen van de ander is niet langer mogelijk, waardoor ook zijn empathie ernstig verstoord is.

De deskundigen concluderen voorts dat het schrijven van brieven met bedreigende of beledigend overkomende teksten in de ogen van verdachte niets anders is dan het weergeven van de werkelijkheid en in de ogen van verdachte is dit noodzakelijk. In het handelen van verdachte staat de uitgebreide waan centraal, die diep is ingebed in zijn belevingswereld en die dusdanig hardnekkig is, dat elke poging er aan te tornen tot woede en eventuele nieuwe dreigementen leidt. Door zijn gebrekkige empathie en de cognitieve en emotionele ontremming, is hij niet in staat te reflecteren op zijn handelen en zich de werkelijke aard van de hem ten laste gelegde feiten te realiseren. Aangezien de ten laste gelegde feiten zozeer in het centrum van de ernstige psychische problematiek van verdachte staan, adviseren de deskundigen hem deze niet toe te rekenen.

Het hof zal mede gezien de inhoud van de bevindingen van de deskundigen verdachte het bewezen verklaarde niet toerekenen.

Het hof acht verdachte derhalve niet strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel terbeschikkingstelling

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Hij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de totale duur van deze maatregel niet in tijd gemaximeerd dient te zijn nu sprake is van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, gelet op de geweldsdreiging en mogelijkheid van escalatie.

Standpunt van de verdediging

De verdachte kan zich niet verenigen met de conclusies uit het PBC-rapport. De verdediging heeft bepleit dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging de zwaarste maatregel is die het Wetboek van Strafrecht kent. Hoewel aan de wettelijke vereisten is voldaan, dient het hof niet tot oplegging hiervan over te gaan. Zowel bedreiging als belaging zijn geen feiten waarop in het Wetboek van Strafrecht de hoogste strafmaxima staan. Daarmee heeft de wetgever de zwaarte en de ernst van de feiten willen uitdrukken. Van een ongemaximeerde tbs-maatregel kan dan ook geen sprake zijn. Een alternatief voor de oplegging van de maatregel van tbs is het traject van een zorgmachtiging, opgelegd door de strafrechter in het kader van de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet forensische zorg.

Oordeel van het hof

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel heeft het hof acht geslagen op de hiervoor genoemde psychiatrische en psychologische rapportage van 26 september 2019. Ten aanzien van herhalingsgevaar volgt uit voornoemde rapportage dat verdachte tijdens zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum het handelen waarvan hij verdacht werd, heeft gecontinueerd, waarbij de toon van de brieven steeds grimmiger werd. Het lukte niet om verdachte hierin af te remmen en een kritische noot leidt structureel tot boosheid. Op basis van de geconstateerde structurele psychische problematiek en het klinisch beeld, zagen de deskundigen een hoog risico op herhaling van soortgelijke feiten.

Ter beperking van het recidivegevaar achten de deskundigen een behandeling noodzakelijk. De psychische problematiek van verdachte is structureel van aard en beïnvloedt op ingrijpende wijze zijn gedrag. Eerdere pogingen om verdachte binnen een civielrechtelijk kader te behandelen, leidden niet tot een afname van de problematiek en een afname van delict-gerelateerd gedrag. Verdachte heeft geen ziektebesef of -inzicht en is niet geneigd hulp te accepteren. Een behandeling dient zich te richten op de gevolgen van de neurologische schade, waarbij gedacht kan worden aan medicamenteuze therapie ter stabilisering van het psychisch functioneren.

Daarnaast is een gestructureerde setting noodzakelijk, die tegemoet komt aan de blijvende beperkingen van verdachte. Mogelijk kan psychotherapeutische interventie bijdragen aan toenemend inzicht bij verdachte. Uiteindelijk kan een behandelafdeling gespecialiseerd in de zorg voor mensen met een niet aangeboren hersenafwijking de zorg voor verdachte overnemen. Hiervoor is stabilisering, toename van inzicht en het opstellen van een adequaat risicomanagement noodzakelijk. Een dergelijke behandeling zal niet onder voorwaarden kunnen plaatsvinden. Vanwege de verwachte duur van de behandeling en de ongunstige behandelprognose achten de deskundigen een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet haalbaar. Om het recidiverisico te verminderen, is langdurige klinische behandeling met externe structurering en ondersteuning aangewezen.

De deskundigen adviseren daarom aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof is gelet op de inhoud van bovenstaande rapportage, de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, en de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de overige over hem opgemaakte rapportages, van oordeel dat de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege passend en geboden is. Het hof De rechtbank realiseert zich dat het een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het ontbreken van ziekte-inzicht en behandelmotivatie bij verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren.

Vorengaande brengt met zich dat het hof de door de raadsman geopperde mogelijkheid om behandeling van verdachte te laten plaatsvinden op basis van een zorgmachtiging niet als een reële mogelijkheid ziet. De PBC-rapporteurs schrijven dat behandeling van verdachte onder meer bestaat uit medicamenteuze therapie. Verdachte daarentegen heeft verklaard dat hij geen medicatie – in zijn ogen: drugs en gif – zal innemen.

Het hof overweegt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Blijkens de psychiatrische en psychologische rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Voorts betreffen de door verdachte begane feiten - voor zover hier van belang - de misdrijven omschreven in de artikelen 285, eerste lid en 285b Sr. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist bovendien dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, aangezien de noodzakelijke langdurige behandeling, zoals hiervoor is uiteengezet, niet in een ander kader kan worden gerealiseerd.

Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat de totale duur van de maatregel wel gemaximeerd is, nu het hof oordeelt dat géén sprake is van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof overweegt hiertoe dat de misdrijven bedreiging en belaging niet zonder meer kunnen worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf en dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.3

Voor het oordeel dat bedreiging en belaging evenwel zijn aan te merken als geweldsmisdrijven dient het hof feiten en omstandigheden vast te stellen waaruit gedragingen van de verdachte kunnen worden afgeleid die onmiskenbaar zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e, eerste lid Sr.4 Daarbij kan het hof onder meer betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei andere wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.

Naar het oordeel van het hof zijn de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen en die een rol hebben gespeeld bij de bewezenverklaarde feiten zorgwekkend, maar bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de gedragingen van de verdachte onmiskenbaar zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e, eerste lid Sr. Hoewel zowel de aangever [aangever 1] als [aangever 4] en de rapporteurs van het PBC een escalatie naar fysieke agressie naar hen of anderen niet uitsluiten, is er tot op heden echter, buiten een incident in 2014, niet daadwerkelijk van fysieke agressie van de kant van verdachte sprake geweest. Dit gebeurde ook niet toen verdachte zich in een omgeving zoals het Pieter Baan Centrum bevond waarin hij veelvuldig met conflicterende wereldbeelden werd geconfronteerd en waarin hij, naar eigen zeggen, vergiftigd werd doordat hem medicatie werd voorgeschreven.

Resumerend overweegt het hof dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat sprake is van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit brengt met zich mee dat de termijn van de terbeschikkingstelling in beginsel geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. Tot slot zal de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Motivering van de maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet voorts ambtshalve aanleiding om - naast de maatregel van tbs met dwangverpleging - tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen indien dat in verband met alsdan bestaande risico's noodzakelijk is.

Ook in dit verband heeft het hof acht geslagen op het hierboven reeds aangehaalde rapport van het PBC. Hieruit komt onder meer naar voren dat de psychische problematiek van betrokkene structureel van aard is, dat verdachte geen ziektebesef of -inzicht heeft en dat de kans op recidive groot is. De deskundigen verwachten een langdurige behandelduur en een ongunstige behandelprognose. Structurele verbetering van het chronische toestandsbeeld valt immers niet te verwachten, wel een afname van de gedrevenheid en een toename van rust, waardoor op gedragsmatig niveau meer evenwicht wordt bereikt, tenminste, als de behandel context hiertoe de mogelijkheid biedt.

De deskundigen hebben in hun rapportage het in hun ogen aanwezige recidiverisico en de noodzakelijkheid van risicomanagement, behandeling en toezicht ook na het eindigen van een eventueel op te leggen maatregel van ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege beschreven. De door het hof op te leggen gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling zal na ommekomst van ten hoogste vier jaren van rechtswege eindigen. De vereiste langdurige behandeling van verdachte kan dan niet meer plaatsvinden in het kader van een dergelijke maatregel. Toekomstige risico's ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kunnen op die manier niet ondervangen worden.

Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Monitoring van verdachte gedurende een langere periode na zijn ter beschikkingstelling acht het hof zeer waarschijnlijk. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde ter beschikkingstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 38z, 47, 261, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 5 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-830158-18 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-830184-19 onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en

ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van D. Janssen, griffier,

en op 17 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Vgl. Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659.

2 Vgl. Hoge Raad 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en Hoge Raad 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095.

3 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434.

4 Vgl. HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116.