Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1222

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
Wahv 200.195.576/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In strijd met artikel 11 van de Wahv heeft de griffier van de rechtbank niet gewezen op de mogelijkheid om het dossier in te zien. Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.195.576/01

CJIB-nummer

: 187996362

Uitspraak d.d.

: 13 februari 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 112,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Er zijn meerdere brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Kopieën daarvan zijn toegestuurd aan de advocaat-generaal.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert onder andere aan dat de rechtbank hem ten onrechte niet het gevraagde afschrift van het procesdossier heeft toegezonden. In zijn beroepschrift aan de kantonrechter heeft hij verzocht om een afschrift van het procesdossier.

2. In de fase van het beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van stukken geregeld in artikel 11, vijfde lid, (destijds: vierde lid) van de Wahv (vergelijk het arrest van dit hof van 4 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5606).

3. Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

4. Het hof kan op basis van de in het dossier aanwezige informatie niet vaststellen dat de griffier van de rechtbank Rotterdam voornoemde mededeling heeft gedaan aan de gemachtigde. Onder die omstandigheid kan niet worden gezegd dat de gemachtigde de mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van de stukken van het dossier of daarvan een afschrift op te vragen. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv. Gelet hierop dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter, waaronder die tegen de proceskostenvergoeding, hoeven nu niet meer besproken te worden.

5. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard en om die reden afgezien van het horen.

6. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond – in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt – het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie hoeven nu niet meer besproken te worden.

7. De bezwaren tegen de inleidende beschikking staan nu ter beoordeling. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E13 van bijlage I van het RVV 1990”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 februari 2015 om 15:22 uur op het Meijersplein-Noord in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

8. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar in het geheel niet bevoegd was tot handhaving. De buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa) is zeer waarschijnlijk werkzaam in het domein Openbare Ruimte en het handhaven op de verweten gedraging is slechts toegestaan in relatie tot de openbare orde. Hiervan is niet gebleken en dit is ook niet aannemelijk. Verwezen wordt naar de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (Beleidsregels boa). Volgens de hierbij behorende bijlage L moet op de foto's bovendien het betreffende verkeersbord te zien zijn, hetgeen niet het geval is.

9. Blijkens het zaakoverzicht is de onderhavige sanctie opgelegd door ambtenaar Person, beëdigd als boa in het domein Openbare Ruimte. Artikel 3, eerste lid, van het ten tijde van de gedraging geldende Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 juni 2010, nr. 5655037/Justis/10, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Stadstoezicht Rotterdam, houdt in dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is tot het opsporen van de strafbare feiten behorend bij domein I, Openbare Ruimte, van bijlage A-1 van de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: Circulaire).

10. Op grond van bijlage A-1 van genoemde Circulaire is de betreffende boa – voor zover hier van belang – bevoegd tot handhaving ter zake van artikel 24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Het criterium van de openbare orde is niet relevant in het kader van handhaving van artikel 24 van het RVV 1990. Het verweer met betrekking tot (het ontbreken van) de bevoegdheid van de ambtenaar faalt.

11. Verder wordt aangevoerd dat het voertuig van de betrokkene wel degelijk in een parkeervak stond. Het voertuig stond op een hoek-plaats of punt-plaats, aldus de gemachtigde. Hij wijst op de belijning. De belijning loopt door en is identiek zoals bij de andere parkeerplaatsen. Daarnaast is de bestrating ook anders dan bij de niet-parkeerplaatsen. De plek is verder ook niet voorzien van een duiding waardoor duidelijk is dat daar niet geparkeerd mocht worden. Ter onderbouwing heeft hij in hoger beroep foto’s overgelegd van de situatie. Verder merkt de gemachtigde op dat de aankondiging van beschikking, dan wel het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de opgelegde sanctie, niet is ondertekend. Om die reden kan de inleidende beschikking geen stand houden.

12. Het verweer met betrekking tot het ontbreken van een ondertekende verklaring zal het hof passeren, nu dit argument in vele zaken aan het hof is voorgelegd en inmiddels ook vele malen verworpen.

13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Voertuig parkeren op een parkeergelegenheid (borden E4 tot en met E13), buiten aangegeven parkeervakken. (…)’’

14. In het dossier bevindt zich verder een aankondiging van beschikking. Uit de aankondiging van beschikking blijkt dat ter plaatse een bord E4 met onderbord geplaatst stond. Op dit onderbord stond de tekst: “alleen in de vakken’’. Bij dit document is door de ambtenaar een foto bijgesloten van de gedraging. De gemachtigde heeft in hoger beroep foto’s in het geding gebracht waarbij de gedraging is gereconstrueerd. Het hof stelt echter vast dat het voertuig op deze foto’s een andere positie heeft dan op de foto van de ambtenaar. Om die reden heeft het hof openbaar toegankelijke informatie in de vorm van Streetview geraadpleegd. Deze informatie, in onderlinge samenhang bekeken met de foto die door de ambtenaar is gemaakt, geeft het volgende beeld. Het voertuig stond geparkeerd op een hoek. De bestrating is op de plek waar betrokkene stond aangelegd in vliegervorm en in het midden hiervan is een border aangelegd met een struik en een boom. Naast de locatie waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd, is te zien dat er meerdere voertuigen geparkeerd staan in (rechthoekige) parkeervakken. Verder is te zien dat het gedeelte waar de betrokkene staat, met donkere klinkers is bestraat. De rijbaan is voorzien van lichte klinkers. Het voertuig van de betrokkene staat met de twee linker wielen op het lichte gedeelte.

15. Ter discussie staat niet dat de betrokkene op de in de beschikking vermelde datum en plaats heeft geparkeerd en dat daar een E4-bord met onderbord “alleen in de vakken’’ geplaatst stond. Na het passeren van deze bebording gold voor de betrokkene aldus de verplichting om in de aanwezige parkeervakken te parkeren. Uit de verklaring van de ambtenaar en uit de foto’s in het dossier volgt dat er ter plaatse parkeervakken aanwezig zijn. Dit wordt ook niet betwist. De (gemachtigde van de) betrokkene is echter van mening dat de plaats waar het voertuig geparkeerd stond ook als parkeervak heeft te gelden dan wel dat niet voldoende duidelijk was dat er niet geparkeerd mocht worden.

16. Het hof deelt deze opvatting van de gemachtigde niet, nu de plaats waar het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond naar de uiterlijke verschijningsvorm niet als een tot parkeren bestemd weggedeelte kan worden aangemerkt. Dat de plek niet was voorzien van een duiding dat er niet geparkeerd mocht worden, doet aan het voorgaande niet af, omdat zonder die aanduiding al voldoende duidelijk was dat het geen parkeervak betrof. Het hof is daarom van oordeel dat de gedraging is verricht en dat de sanctie terecht is opgelegd. Overigens merkt het hof nog op dat als het vak wel als een parkeervak zou hebben te gelden de gedraging ook zou zijn verricht omdat het voertuig met twee wielen buiten het vak geparkeerd stond.

17. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking, nu geen van de verweren doel treffen, dan ook ongegrond verklaren.

18. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt afgewezen nu de inleidende beschikking in stand blijft.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.