Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1201

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
21-003890-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:2874
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:933
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van poging tot moord op zijn zusje, poging tot doodslag op haar vriend en overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar, met aftrek van het voorarrest. In het dossier bevinden zich sterke aanwijzingen dat sprake is van eergerelateerd geweld. Verdachte heeft gericht geschoten op de vriend van zijn zusje. Het schot miste. Vervolgens heeft verdachte geprobeerd om zijn zusje te verdrinken in het naastgelegen water door haar minutenlang onder water te houden. Zonder de adequate hulp van de politie en hulpverleners had zij de aanval van haar broer niet overleefd. Voor deze buitengewoon ernstige feiten acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend en geboden. Daarnaast heeft het hof de vorderingen tot schadevergoedingen deels toegewezen, alsook de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003890-18

Uitspraak d.d.: 14 februari 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2018 met parketnummer 16-705313-17 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

thans verblijvende in PI Zwolle te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 januari 2019, 21 en 22 januari 2020 en 14 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gevorderd dat deze volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot het inbeslaggenomen wapen en de munitie is door de advocaat-generaal gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.H. Jebbink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2018 ter zake van poging tot moord op [benadeelde partij] (feit 1), poging tot moord op [slachtoffer] (feit 2) en het voorhanden hebben van een pistool en scherpe patronen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen deels toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 februari 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- met een geladen pistool in de hand achter die [benadeelde partij] aan is gerend en/of

- die [benadeelde partij] dreigend de woorden heeft toegevoegd "Jij gaat dood ik ga je dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) dat pistool op die [benadeelde partij] heeft gericht en/of (vervolgens) op, althans in de richting van die [benadeelde partij] heeft geschoten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.
hij op of omstreeks 7 februari 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- met een geladen pistool in de hand achter die [slachtoffer] aan is gerend en/of

- dat pistool meerdere malen, althans eenmaal, heeft doorgeladen en/of heeft gericht op die [slachtoffer] (die zich in het water bevond) en/of

- die [slachtoffer] (die inmiddels uit het water was gekomen) (met kracht) heeft vastgepakt en/of (terug) in het water heeft gegooid en/of

- die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd (in het Irakees) "En jij bent al dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt bij de hals/nek en/of elders bij het lichaam en/of die [slachtoffer] (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, naar beneden onder water heeft getrokken en/of geduwd en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] (minutenlang) met haar gehele lichaam onder water geduwd heeft gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.
hij op of omstreeks 7 februari 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland,

- een wapen van categorie III sub 1, te weten een pistool (merk Ithaca, model 1911 A1, kaliber .45 ACP), en/of

- munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen (kaliber .45 ACP, merk IMI), voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

1 Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 7 februari 2017 ter hoogte van het voormalig gebouw van het Openbaar Ministerie (hierna: OM-gebouw) in [plaats] heeft geschoten in de richting van aangever [benadeelde partij] (verder: [benadeelde partij] ) en vervolgens zijn vuurwapen op zijn zusje [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) heeft gericht en haar heeft geprobeerd te verdrinken. Na minutenlang met [slachtoffer] in het water te zijn geweest is verdachte op vordering van de politie het water uitgekomen, waarna [slachtoffer] in kritieke toestand uit het water is gehaald. [slachtoffer] heeft het gebeuren ternauwernood overleefd.

1.1.

Standpunt openbaar ministerie

Zoals hiervoor is weergegeven, heeft de advocaat-generaal bij requisitoir gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, namelijk poging tot moord op [benadeelde partij] en [slachtoffer] en overtreding van de Wet wapens en munitie.

1.2.

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij van tevoren het plan had opgevat om [benadeelde partij] en [slachtoffer] van het leven te beroven. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij hen geheel onverwachts zag lopen. Het werd helemaal zwart voor zijn ogen. Hij heeft een waarschuwingsschot gelost. Vervolgens zag hij dat [slachtoffer] in het water was beland en wilde hij haar helpen. In het water hebben zij elkaar vastgepakt en onder water geduwd. Verdachte heeft [slachtoffer] ook onder water gehouden. Verdachte heeft [slachtoffer] naar zijn zeggen met haar hoofd boven water vanaf het muurtje meegesleurd naar het trapje. Op enig moment zag hij [slachtoffer] niet meer en dacht hij dat hij haar had doodgemaakt.

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 algehele vrijspraak bepleit en ten aanzien van feit 2 partiële vrijspraak. Hiertoe zijn de volgende verweren gevoerd.

Ten aanzien van beide feiten 1 en 2:

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2017 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] moet wegens onbetrouwbaarheid en/of ongeloofwaardigheid worden uitgesloten van de bewijsvoering.

  • -

    De verklaringen van [slachtoffer] zijn onbetrouwbaar, ongeloofwaardig of onjuist. Deze verklaringen moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering.

Ten aanzien van feit 1 in het bijzonder:

  • -

    Primair dient vrijspraak te volgen omdat niet overtuigend kan worden bewezen dat cliënt zijn opzet was gericht op de dood van [benadeelde partij] . Cliënt heeft verklaard dat hij niet gericht op [benadeelde partij] heeft geschoten, maar dat het een waarschuwingsschot betrof.

  • -

    Subsidiair kan voorbedachte raad met betrekking tot [benadeelde partij] niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 in het bijzonder:

- Er dient partiële vrijspraak te volgen aangezien niet kan worden bewezen dat:

- zoals ten laste gelegd onder gedachtestreepje 2, cliënt het pistool heeft doorgeladen en gericht op [slachtoffer] die zich in het water bevond. De verklaringen/bevindingen van [slachtoffer] , [benadeelde partij] , verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] en getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] kunnen niet voor de bewijsvoering worden gebruikt.

- zoals ten laste gelegd onder gedachtestreepje 3, cliënt [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en terug in het water heeft gegooid. De getuigen die stellen dat cliënt [slachtoffer] in het water gooide zijn niet betrouwbaar.

- zoals ten laste gelegd onder gedachtestreepje 6, cliënt [slachtoffer] ‘minutenlang’ onder water heeft geduwd of gehouden. De bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] kunnen volgens de verdediging van de bewijsvoering worden uitgesloten.

- De ten laste gelegde voorbedachte raad kan niet worden bewezen. Tot het tijdstip 14:35:08 heeft cliënt [slachtoffer] vast en met haar hoofd boven water gehouden, teruglopend naar het trapje. Daaruit blijkt dat cliënts intentie gericht was op het uit het water halen van [slachtoffer] . In ieder geval is tot dan toe cliënts intentie niet gericht op het verdrinken van [slachtoffer] . Na dit tijdstip kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een moment van kalm beraad op een door hem genomen besluit om [slachtoffer] te verdrinken. De gelegenheid tot beraad is hoogstens eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaan.

2 Feiten

2.1.

Uitgangspunt: het beeldmateriaal

Deze zaak kenmerkt zich door de zeer bijzondere omstandigheid dat hetgeen verdachte onder 1 en 2 op de tenlastelegging wordt verweten nagenoeg volledig is vastgelegd door verschillende camera’s van het voormalige OM-gebouw te [plaats] . Daarnaast zijn door getuigen met hun mobiele telefoons video-opnames gemaakt. Deze beelden vormen de kernbron van het bewijs in deze zaak.

Het hof heeft zowel ter terechtzitting als in raadkamer uitgebreid kennisgenomen van deze beelden. Het bestand “Schietincident OM gebouw”, bestand 1- Compilatie-met-melder-zoom_1, met geluid is meermalen ter zitting getoond op de schermen in de zittingszaal en in hoger beroep is verdachte in de gelegenheid gesteld om bij het tonen van de beelden een verklaring af te leggen.

Door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam als operationeel specialist A, is een proces-verbaal van bevindingen camerabeelden opgemaakt, d.d. 8 februari 20171, waarin door de verbalisant door middel van printscreens het gebeuren van 7 februari 2017 fotografisch wordt weergegeven met voorafgaand aan elke foto een beschrijving. Dit proces-verbaal wordt hieronder integraal weergegeven.

Standpunt van de verdediging over de beschrijving van het beeldmateriaal

Door de verdediging wordt de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] betwist. Hiertoe is aangevoerd dat – anders dan verbalisant stelt – op de camerabeelden onder meer niet zichtbaar is:

- dat cliënt het vuurwapen heeft doorgeladen of heeft geprobeerd op [slachtoffer] te richten of te schieten;

- dat cliënt het slachtoffer over de reling heeft gegooid; dit is een mening, conclusie of gissing.

- dat [slachtoffer] krachtig verweer probeerde te bieden en dat cliënt ‘neerwaartse kracht’ heeft uitgeoefend; ook dit is een mening, conclusie of gissing.

De raadsman heeft bepleit dat het proces-verbaal dan ook wegens onbetrouwbaarheid en/of ongeloofwaardigheid van de bewijsvoering dient te worden uitgesloten.

Oordeel hof over beeldmateriaal

Door het bekijken en beluisteren van de camerabeelden heeft het hof kennisgenomen van hetgeen ter plaatse door de camera’s en omstanders is vastgelegd. Op deze wijze heeft het hof zelf een oordeel kunnen vormen van wat wel of niet zichtbaar is op de beelden. Op deze wijze is het hof goed in staat te toetsen en te beoordelen in hoeverre kan worden afgegaan op hetgeen verbalisant [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal van bevindingen heeft vermeld.

De verdediging heeft gesteld dat verbalisant [verbalisant 1] vermeldt dat verdachte ‘het pistool heeft doorgeladen’, terwijl dit ‘doorladen’ aldus de conclusie van de verdediging technisch niet mogelijk is bij het door verdachte gebruikte semi-automatische vuurwapen.

Het hof stelt vast dat verbalisant [verbalisant 1] over dit punt het volgende relateert:

“Vervolgens zie ik dat de verdachte onderuit glijdt op de rand waarop de reling is bevestigd en vervolgens weer omhoog krabbelt. Daarbij zie ik dat hij nog steeds het zwarte vuurwapen in zijn rechterhand heeft. Ik zie vervolgens dat hij halfzittend een trekkende beweging maakt (…) waarbij hij de bovenzijde van het vuurwapen vasthoudt. Ik herken deze beweging ambtshalve als een sledebeweging voor een pistool. Middels deze beweging kan er een nieuwe patroon in de pistoolkamer worden gebracht, waardoor deze weer gereed is voor gebruik.”

Het hof oordeelt dat verbalisant [verbalisant 1] in zijn beschrijving van hetgeen zichtbaar is een helder onderscheid maakt tussen hetgeen wordt gezien en hetgeen door hem wordt herkend en geconcludeerd. Aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen doet deze beschrijving niet af. Daar komt bij dat ook uit ander bewijs volgt dat verdachte handelingen met het wapen heeft verricht gelijkend op het doorladen van een pistool.

Het hof is ook met betrekking tot de vraag of door [verbalisant 1] op juiste wijze wordt beschreven dat [slachtoffer] door verdachte in het water wordt gegooid, het oordeel toegedaan dat sprake is van een adequate beschrijving van hetgeen op dat moment zichtbaar is. Ook op dit punt stelt het hof vast dat ook ooggetuigen hebben gezien en verklaard dat [slachtoffer] door verdachte in het water wordt gegooid.

Voor het overige acht het hof de beschrijving en (voorkomende) interpretatie van de zichtbare bewegingen en handelingen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer] adequaat verwoord en in overeenstemming met hetgeen zichtbaar is op het beeldmateriaal. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] – zoals hiervoor opgenomen – is ook gelet op de overige inhoud van het dossier begrijpelijk en geloofwaardig. Het hof is van oordeel dat de verbalisant een juiste, gedetailleerde en accurate beschrijving van de beelden geeft. Tot hetzelfde oordeel komt het hof ten aanzien van de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 3] in zijn proces-verbaal van bevindingen. Omdat het hof dit proces-verbaal niet zal bezigen als bewijsmiddel behoeft het verweer van de verdediging op dit punt geen verdere bespreking.

De door de verdediging aangevoerde afwijkende interpretatie van de beelden, waarbij soms op voor het hof onnavolgbare wijze nieuwe ‘feiten’ worden gecreëerd die niet corresponderen met het op het beeldmateriaal vertoonde, wordt door het hof dan ook als niet aannemelijk bevonden terzijde geschoven.

Al het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] betrouwbaar bewijs vormt en bruikbaar is voor bewijsvoering en dat het op bewijsuitsluiting gerichte verweer van de verdediging wordt verworpen.

2.2

Betrouwbaarheid van de (getuigen)verklaringen

Algemeen

Vooropgesteld wordt dat de Nederlandse strafrechter naar geldend recht vrij is ten aanzien van de selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en is het de rechter in feitelijke aanleg die (getuigen)verklaringen beoordeelt op consistentie, accuraatheid en volledigheid.

Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden (kunnen) voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd en zij eventueel steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Verklaringen van [slachtoffer]

De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar, ongeloofwaardig of onjuist zijn. Deze verklaringen moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering. De verdediging wijst in dat kader op hetgeen op de camerabeelden is te zien en constateert dat de verklaringen van aangeefster op onderdelen niet overeenkomen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Niet in discussie is dat de paniek waarin aangeefster belandde op het moment dat zij door verdachte – haar oudste broer – werd belaagd, groot moet zijn geweest. De wijze waarop zij tot tweemaal toe over de reling in het aanmerkelijk lager gelegen water is beland en het gevecht dat zij heeft moeten leveren in dat water moeten voor haar bijzonder schokkend en pijnlijk zijn geweest. Toen aangeefster door de politie uit het water werd gehaald was zij buiten bewustzijn en moest zij door reanimatie weer bij leven worden gebracht.

Het hof stelt vast dat [slachtoffer] kort na het voorval in het ziekenhuis is gehoord. Later heeft zij op nadere vragen van de politie geantwoord. In haar verklaring vertelt aangeefster over hetgeen haar is overkomen en benoemt zij vanuit haar herinnering specifieke onderdelen van het op haar uitgeoefende geweld door verdachte. Het hof stelt vast dat die verklaring geen chronologisch verslag behelst van hetgeen op de beelden kan worden waargenomen. Deze vaststelling maakt evenwel niet dat haar verklaringen onbetrouwbaar moeten worden bevonden.

Het hof acht het tegen de achtergrond van hetgeen aangeefster is overkomen goed voorstelbaar dat de hiervoor geschetste omstandigheden van invloed zijn geweest op de inhoud van haar verklaringen. Het hof ziet evenwel geen enkele reden om de verklaringen uit te sluiten voor het bewijs. De verklaringen van aangeefster over de ten laste gelegde feiten acht het hof authentiek en adequaat nu zij (ook) steun vinden in andere bewijsmiddelen zoals het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de hieronder weergegeven getuigenverklaringen. Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het op bewijsuitsluiting gerichte verweer wordt dan ook verworpen.

Verklaringen ooggetuigen

De verdediging heeft aangevoerd dat de waarnemingen van getuigen tegenstrijdigheden en/of onjuistheden bevatten. Deze verklaringen dienen daarom als onbetrouwbaar terzijde te worden gesteld.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vaststaat dat het incident zich in een kort tijdbestek heeft voltrokken. De gewelddadige gedragingen richting aangeefster in en rondom het water, die werden voorafgegaan door het schieten, hebben ongeveer zes minuten geduurd, waarbij de laatste drie à vier minuten het slachtoffer zich buiten het zicht onder water bevond. De door de verdediging genoemde getuigen waren als toeschouwers betrokken. Zij hebben op verschillende tijdstippen en vanaf verschillende plaatsen kennisgenomen van de voor hen onverwachte gebeurtenissen.

In het licht van het voorgaande blijkt het voor getuigen bepaald geen sinecure om achteraf een adequate en complete verklaring af te leggen over het geheel van handelingen. Afgaande op hetgeen op de camerabeelden, zoals beschreven door verbalisant [verbalisant 1] , wel zichtbaar is, stelt het hof vast dat in het algemeen kan worden gezegd dat de afgelegde verklaringen eerder fragmentarisch dan volledig zijn. Zij beperken zich tot de handelingen die zijn verricht tijdens een bepaalde fase in de chronologie van het verloop van de gebeurtenissen. Hierbij heeft het gezichtspunt van de desbetreffende getuige ook een rol gespeeld. Bepaalde handelingen kunnen bijvoorbeeld wel zijn verricht, maar niet zijn waargenomen, simpelweg omdat verdachte of aangeefster wel of niet in het gezichtsveld was. Dit maakt dat de beoordeling en waardering van de bedoelde getuigenverklaringen met terughoudendheid en zorgvuldigheid plaats dient te vinden. Daarom worden alleen verklaringen van getuigen gebruikt voor zover deze verklaringen steun vinden – en dus verankerd zijn – in verklaringen van andere getuigen dan wel in een ander bewijsmiddel.

Het hof heeft, anders dan de raadsman heeft bepleit, geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen voor zover deze hieronder zijn weergegeven en acht deze bruikbaar voor het bewijs. Het op bewijsuitsluiting gerichte verweer wordt dan ook verworpen.

Verklaring verdachte

Het hof overweegt tot slot dat het hof de verklaring van verdachte, zoals hij die ter terechtzitting van de rechtbank heeft afgelegd, in dezelfde zin als bewijs zal bezigen als de rechtbank dat ook heeft gedaan. De ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring komt op een groot aantal punten overeen met het overige bewijs, waaronder de registratie van de camerabeelden ter plaatse.

Dat is anders bij de verklaring van verdachte zoals hij deze ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd. Het hof acht verdachte op essentiële onderdelen in zijn bij het hof afgelegde verklaring niet geloofwaardig. Zo wordt zijn verklaring dat hij zijn zusje wilde helpen toen zij in het water was beland, weersproken door hetgeen is geregistreerd door de camera’s en ook door hetgeen getuigen, waaronder aangeefster zelf, hebben waargenomen en daaromtrent hebben verklaard. Evenmin is er ondersteuning in het dossier voor de stelling van verdachte dat hij slechts een waarschuwingsschot loste. De inhoud van de onderstaande bewijsmiddelen weerspreekt de lezing van verdachte omtrent de gebeurtenissen.

2.3

Bewijsmiddelen

Het hof gebruikt naast de hierboven betrouwbaar en adequaat bevonden beschrijving van de camerabeelden bij monde van verbalisant [verbalisant 1] de navolgende – eveneens door de rechtbank gebruikte – bewijsmiddelen voor het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

[slachtoffer] heeft op 7 februari 2017 verklaard2 dat zij die dag om half twee in [plaats] moest zijn bij de rechtbank. Ze had een verhoor van een zaak van april 2016 dat ging over een zaak van haar familie. Zij kwam met haar vriend [benadeelde partij] (het hof begrijpt telkens: [benadeelde partij] ) daar aan. Ze is met [benadeelde partij] naar buiten gelopen toen ze klaar was in de rechtbank. Ze liepen naar links de hoek om bij de rechtbank en daarna weer links bij het water. Ze liepen tussen het gebouw en het water. Ze hoorde iemand roepen: “Hey hey”. Ze keek achterom en zag haar broer [verdachte] . Ze zag direct dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen gericht op hen hield. Ze hoorde direct daarna een knal.

Ze is daarop in het water gesprongen. Ze zag haar broer haar kant op komen met het vuurwapen in zijn handen. Ze zag dat hij op haar probeerde te schieten maar het wapen deed het niet. Vervolgens gooide hij haar in het water. Ze heeft hem gesmeekt om haar leven. Vanaf dat moment weet ze niet meer wat er is gebeurd.

Hij heeft op haar geschoten en op [benadeelde partij] . Ze hoorde hem tegen [benadeelde partij] schreeuwen: “Jij gaat dood ik ga je dood maken”. Toen ze in het water lag zei hij tegen haar in het Irakees: “En jij bent al dood”.

[benadeelde partij] (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ) heeft verklaard3 dat [slachtoffer] zijn vriendin is. Nadat [slachtoffer] was verhoord liep hij met haar de rechtbank uit. [slachtoffer] en hij sloegen links en dan weer links af bij de rechtbank. Ze liepen langs de zijkant van het gebouw. [benadeelde partij] hoorde voetstappen aan komen rennen. Hij keek achterom en zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), de broer van [slachtoffer] , met een vuurwapen naar hem gericht op hun af kwam rennen. [slachtoffer] en hij renden weg. [slachtoffer] rende weg en hij rende naar rechts het grasveld op. Hij zag een kogel op de reling afketsen. [benadeelde partij] rende weg en zag dat hij achter hem aan kwam rennen. Hij keek om en zag dat [verdachte] (het hof begrijpt telkens: [verdachte] ) weer terug rende. Hij zag hem op de rug. Hij zag hem bewegingen maken gelijkend op het doorladen van een vuurwapen. Hij zag [slachtoffer] niet meer. Hierna is hij [verdachte] ook uit het oog verloren.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard4 dat hij zich op 7 februari 2017 omstreeks 14.50 uur op het NS-station te [plaats] bevond. Hij is de [naam straat 1] overgestoken in de richting van de [naam straat 2] . Halverwege twee gebouwen, gelegen aan de [naam straat 2] , hoorde hij een luide knal achter zich. Hij draaide zich om en zag achter zich, ongeveer acht meter bij hem vandaan, een donker gekleurde persoon met een baard die een pistool gericht hield op een donker gekleurde man. Hij zag dat die man wegrende vanaf het fietspad over het gras in de richting van de daar gelegen zorgflat.

Hij zag dat de man het wapen op het meisje richtte en dat hij haar vastgreep. Hij zag dat het meisje onder water werd gehouden door de man met de baard. Hij zag dat de man met twee gestrekte armen haar bovenlichaam onder water hield waardoor haar hoofd ook niet meer zichtbaar was. Hij dacht op dat moment dat de man het meisje aan het verdrinken was. [getuige 3] zag dat de man het meisje losliet en het water uitkwam. Hij zag dat het meisje met haar hoofd naar beneden gericht in het water achter bleef en dat zij niet meer bewoog. Hij zag de man het pistool pakken en het water ingaan. Hij zag dat de man het pistool voor zich in het water gooide. Hij zag dat de man opkeek in zijn richting. Hij hoorde hem zeggen: “wegwezen”. De man bleef rustig staan totdat er politie kwam.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard5 dat hij op 7 februari 2017 om 14.50 uur een afspraak had bij de rechtbank [plaats] . Hij kwam vanaf de achterzijde van de rechtbank aangelopen. Hij zag dat een man een vuurwapen tevoorschijn haalde, richtte en op een andere jongen schoot. Hij zag dat deze jongen richting de [naam straat 3] wegrende. Hij zag dat de man vervolgens het wapen op het meisje richtte. Het pistool ging niet af. De man probeerde het te herstellen door aan de loop te zitten. Hij zag dat de man het meisje op een gegeven moment optilde en over de reling het water in gooide. Ik heb nog gezien dat de man met beide handen het meisje onder water hield. Ik zag het meisje nog wel tegenstribbelen. De man bleef haar echter onder water drukken.

[getuige 4] heeft verklaard6 dat hij op 7 februari 2017 naar [plaats] was gekomen. Hij stond voor het verkeerslicht dat op rood stond. Vervolgens zag hij dat een jongen schuin achter hem vandaan kwam en door het rode licht rende. Vervolgens hoorde hij een harde knal. De jongen kwam links van hem vandaan rennen. [getuige 4] stond met zijn rug naar het spoor en met zijn gezicht naar de rechtbank voor het verkeerslicht. Als je schuin naar links kijkt zie je de rechtbank.

De jongen die achter hem vandaan kwam rennen duwde het slachtoffer de gracht in. Daarna sprong hij zelf de gracht in en hield vervolgens het slachtoffer onder water.

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt7 dat verbalisant [verbalisant 4] zich op 7 februari 2017 omstreeks 15.00 uur in reactie op een melding van een schietincident op de openbare weg te [plaats] bevond. Bij dit incident bleek het in het dossier nader genoemde slachtoffer [naam familie] te water te zijn geraakt. Door collega’s van de politie [plaats] werd zij uit het water gehaald. Verbalisant zag dat het slachtoffer niet aanspreekbaar was. Hij voelde en hoorde geen hartslag. Hij zag en voelde dat het slachtoffer niet ademde. Hij is gestart met reanimeren van het slachtoffer. Door collega’s werd de zogenaamde AED aangesloten. Na ongeveer één minuut zag en hoorde hij dat het slachtoffer zelfstandig begon te ademen en voelde hij een hartslag.

In een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] staat het volgende letsel omschreven8:

- diverse striemen over lichaam;

- buitenwater in mond en keel;

- storingen in het bewustzijn, van voorbijgaande aard;

- bijna verdrinking, reanimatie plek ongeval, bewaking intensive care.

Op 7 februari 2017 omstreeks 16.15 uur heeft de politie Midden-Nederland forensisch onderzoek verricht. Het onderzoek is verricht op de openbare weg, genaamd [naam straat 2] te [plaats] . Voorafgaand aan het onderzoek op de plaats delict heeft verbalisant in het voormalig pand van het Openbaar Ministerie beelden bekeken van de bewakingscamera’s naast het pand. Hierop was vrijwel het gehele incident te zien.

Op de [naam straat 2] had de politie enkele pionnen neergezet op plaatsen waar ze voorwerpen hadden aangetroffen. Verbalisant heeft diverse voorwerpen voorzien van markeringsbordjes.

Verbalisant zag bij markeringsbordje nummer 2 een huls liggen. Dit komt overeen met de plaats waar verdachte in de richting van [benadeelde partij] heeft geschoten. Bij nummer 3 zag verbalisant een patroon liggen. Zowel de huls als het patroon waren van het kaliber .45.9

[verdachte] Hazam [naam familie] (hierna: verdachte) heeft ter zitting van de rechtbank verklaard10 dat het klopt dat hij op 7 februari 2017 omstreeks 11.30 uur op het centraal station [plaats] was. Hij had zicht op de rechtbank aldaar. Hij was aan het wachten. Verdachte had toen een geladen vuurwapen bij zich. Op een gegeven moment zag hij zijn zusje [slachtoffer] met de man die hem had neergeschoten. Hij zag ze bij het hoekje van de rechtbank lopen. Hij ging rennen en heeft een schot gelost. Daarna is zijn zusje in het water gevallen. [benadeelde partij] rende weg. Verdachte is naar zijn zus gegaan. Ze lag in het water. Verdachte kan zich herinneren dat hij met een geladen pistool op zijn zusje heeft gericht. Hij heeft het wapen op de grond gelegd en is vervolgens zelf het water in gegaan. Op de vraag van de voorzitter van de rechtbank of het klopt dat hij zijn zusje met kracht bij de hals en nek heeft vastgepakt en haar minutenlang onder water heeft gehouden, heeft verdachte geantwoord: “ja”. Verdachte dacht dat hij zijn zusje had doodgemaakt. Verdachte heeft het vuurwapen in het water gegooid.

3 Juridische kwalificatie: poging tot moord of poging tot doodslag

3.1

Opzet op de dood

3.1.1

Opzet op de dood van [benadeelde partij] (feit 1)

Door de verdediging is aangevoerd dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachtes opzet was gericht op de dood van [benadeelde partij] . Verdachte heeft PTSS als gevolg van een eerder incident tussen hem en [benadeelde partij] . Hij werd onverwachts geconfronteerd met [benadeelde partij] en zijn zusje [slachtoffer] . Het werd hem zwart voor zijn ogen. Verdachte heeft niet op [benadeelde partij] geschoten, maar heeft bewust een waarschuwingsschot gelost. Dat verdachtes opzet niet was gericht op het doden van [benadeelde partij] blijkt ook uit het feit dat hij [slachtoffer] en [benadeelde partij] eerst heeft aangeroepen. Bovendien is hij [benadeelde partij] niet achterna gelopen.

Het hof stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen de feiten – voor zover relevant – als volgt vast.

Verdachte verlaat om 14.50 uur rennend de stationshal. Hij rent met een geladen vuurwapen in de richting van [benadeelde partij] en [slachtoffer] . Verdachte schreeuwt naar [benadeelde partij] : ‘Jij gaat dood ik ga je dood maken’. Verdachte houdt zijn rechterarm met in zijn rechterhand het vuurwapen uitgestrekt en houdt deze gericht in de richting van het [benadeelde partij] en [slachtoffer] . [benadeelde partij] en [slachtoffer] rennen weg, waarbij [benadeelde partij] rechtsaf over de brug rent en [slachtoffer] rechtdoor rent. Verdachte richt het vuurwapen zichtbaar op [benadeelde partij] en schiet. Vervolgens rent verdachte achter [slachtoffer] aan.

Deze gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zozeer gericht op de dood dat het, behoudens bijzondere contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte dat gevolg ook wilde. Van contra-indicaties is niet gebleken. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte zozeer onder invloed van PTSS heeft gehandeld dat van opzet geen sprake kan zijn. De inhoud van het dossier en de gebleken feitelijke toedracht biedt daar geen enkele ondersteuning voor. Daarnaast mist de stelling van de verdediging dat sprake is geweest van een waarschuwingsschot feitelijke grondslag. Dat verdachte de slachtoffers heeft aangeroepen en [benadeelde partij] niet achterna is gelopen maakt dat niet anders. Dit temeer nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte eerst zijn aandacht had voor [benadeelde partij] en die aandacht vervolgens richtte op [slachtoffer] .

Het voorgaande brengt mee dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij] heeft begaan.

Het verweer wordt verworpen.

3.1.2

Opzet op de dood van [slachtoffer] (feit 2)

Door de verdediging is aangevoerd dat er deelvrijspraken moeten volgen, omdat het onder gedachtestreepjes 2, 3 en 6 ten laste gelegde niet kan worden bewezen.

 Gedachtestreepje 2: ‘het pistool heeft doorgeladen’

Het hof acht niet bewezen dat verdachte ‘het pistool heeft doorgeladen’ nu op grond van de inhoud het proces-verbaal van onderzoek aan het wapen niet kan worden vastgesteld dat doorladen mogelijk is bij het door verdachte gebruikte semi-automatische vuurwapen.

 Gedachtestreepje 6: ‘minutenlang’

Het hof stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte [slachtoffer] over de reling in het water heeft gegooid en dat hij [slachtoffer] , ook naar eigen zeggen volgens zijn verklaring bij de rechtbank, onder water heeft geduwd. Dat deze situatie minuten heeft geduurd volgt uit de camerabeelden, zoals beschreven door verbalisant [verbalisant 1] , waarop om 14.50.08 uur zichtbaar is dat verdachte [slachtoffer] over de reling gooit, waarna er – kortgezegd – een worsteling plaatsvindt waarbij op een gegeven moment alleen verdachte nog boven het water uitkomt. Om 14.54.37 uur komen de eerste politiemedewerkers aanrennen en kort daarna is zichtbaar dat het lichaam van [slachtoffer] met haar hoofd voorover in het water drijft. In de tussengelegen tijd is [slachtoffer] niet zichtbaar. Uiteindelijk wordt [slachtoffer] bewusteloos, zonder voelbare of hoorbare hartslag en ademhaling, uit het water gehaald. Na reanimatie en met behulp van de AED begint [slachtoffer] na ongeveer één minuut weer te ademen. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat is geconstateerd dat [slachtoffer] buitenwater in haar mond en keel had, een ‘bijna verdrinking’. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat verdachte [slachtoffer] minutenlang met haar gehele lichaam onder water heeft gehouden.

De suggestie van de verdediging dat verdachte telkens werd aangevallen door [slachtoffer] , dat verdachte [slachtoffer] naar het trapje geleidde met haar hoofd boven water en dat zij zich bij het trapje bewust onder water verschanste wordt als volstrekt onaannemelijk ter zijde geschoven.

Het verweer behoeft verder geen bespreking omdat het wordt weerlegd door de gebruikte bewijsmiddelen, die het hof betrouwbaar acht.

Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden onderdelen van de tenlastelegging, voor zover niets anders is overwogen, wettig en overtuigend bewezen acht.

Het verweer wordt verworpen.

3.2

Voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel 'voorbedachten rade' heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

3.2.1

Vrijspraak voorbedachte raad ten opzichte van [benadeelde partij] (feit 1)

In tegenstelling tot de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte ten aanzien van [benadeelde partij] met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof kan niet vaststellen dat verdachte wist of verwachtte dat [benadeelde partij] aanwezig zou zijn bij het verhoor van [slachtoffer] in de rechtbank, waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [benadeelde partij] van het leven te beroven. Dat er sprake is geweest van een eerder geweldsincident op 23 april 2016, waarbij eveneens is geschoten, en een doodsbedreiging op 27 juli 2016, maakt dit oordeel niet anders. Dat deze incidenten verband hielden met verdachtes daad op 7 februari 2017 kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld.

De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is, of de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad.

Het hof oordeelt dat vanaf het moment van in beeld komen van [benadeelde partij] voor verdachte en snel daarna het verlaten van de stationshal tot het lossen van het (te weten: één) schot de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een zodanig korte tijdspanne, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof zal daarom verdachte vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij] .

3.2.2

Bewezenverklaring voorbedachte raad ten opzichte van [slachtoffer] (feit 2)

Het hof is wel van oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. De aangehaalde tekst is afkomstig uit het vonnis van de rechtbank. Het hof kan zich grotendeels verenigen met deze overwegingen en sluit zich voor zover zij hieronder worden weergegeven bij aan.

‘Geweldsincident op 23 april 2016 11

De familie [naam familie] heeft zich op 23 april 2016 verzameld en is met drie auto’s naar het huis van [benadeelde partij] gereden. Daar aangekomen zijn er stenen en stokken uit de kofferbakken van de auto’s gepakt. [benadeelde partij] zag vanuit het keukenraam dat [verdachte] richting de deur liep, dat hij naar zijn broeksband greep en een wapen op hem richtte. [benadeelde partij] heeft hierop met een vuurwapen op de benen van [verdachte] gericht. [verdachte] bleef naar voren lopen. Toen [benadeelde partij] een knal hoorde heeft hij twee keer geschoten. Hierbij is [verdachte] geraakt. De rechtbank Midden-Nederland heeft [benadeelde partij] bij vonnis van 14 december 2017 ter zake hiervan ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer.

[slachtoffer] had op 7 februari 2017 een verhoor van een zaak van april en over een zaak van haar familie. Nadat de politie haar vraagt wat er met haar familie is antwoordt zij als volgt: “Over de eerwraak en dat zij mij willen hebben en willen dood maken. Daarvoor ben ik gevlucht. Zij willen de eer behouden en daarom moet ik dood. Ik ben weggegaan zonder een Irakese man en dat is niet goed volgens hun”.12

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er in ieder geval vanaf 23 april 2016 animositeit bestond tussen de familie van verdachte enerzijds en [slachtoffer] en [benadeelde partij] anderzijds. Op genoemde datum heeft de familie van verdachte de confrontatie met [benadeelde partij] gezocht. [slachtoffer] is gevlucht voor haar familie.

Bedreigingen via bankafschriften

Van 20 tot 27 juli 2016 vinden diverse overboekingen plaats op de ING-rekening [rekeningnummer] van [slachtoffer] vanaf de rekening van [naam familie] met [rekeningnummer] :13

Datum

Euro

Omschrijving

27-07-2016

0,01

je bent een vieze//vuile kankerhoer allemaal door jou/is mijn hele kanker leven verpest.//ik maak [benadeelde partij] doood tause melek. k/kom terug//

22-07-2016

0,01

als ietsgebeurt met//onsvooral met papa en Mama en [naam] //gaa jij dood tause

Uit deze overschrijvingen blijkt dat de familie [naam familie] contact heeft gezocht met [slachtoffer] en haar en haar vriend met de dood bedreigen.

[slachtoffer] noemt haar vriend [benadeelde partij] .14

Oproep van [slachtoffer] om als getuige te verschijnen

Op 19 januari 2017 is vanuit de rechtbank Midden-Nederland een brief verstuurd aan [slachtoffer] naar het adres [adres] . In de brief wordt zij opgeroepen om als getuige te verschijnen in het gerechtsgebouw Stationsplein 15 te Lelystad op 7 februari 2017 te 13.30 uur.15 Uit onderzoek is gebleken dat op het adres [adres] meerdere familieleden van [slachtoffer] hebben gewoond. Volgens de gemeenschappelijke basisadministratie zijn er op 7 maart 2017 andere bewoners op het adres ingeschreven.16 [slachtoffer] heeft op 7 februari 2017 verklaard17 dat door de rechtbank een brief is gestuurd dat zij op 7 februari 2017 op de rechtbank moest verschijnen. Die brief is naar het adres van haar moeder gestuurd op [adres] .

Doordat de oproep van [slachtoffer] om op 7 februari 2017 om 13.30 uur als getuige een verklaring af te leggen bij de rechtbank in [plaats] is verzonden naar een adres van de familie [naam familie] , heeft de familie [naam familie] kennis kunnen nemen dat [slachtoffer] op genoemd tijdstip bij de rechtbank moest verschijnen.

Aanwezigheid van verdachte in de stationshal

De politie heeft de camerabeelden van 7 februari 2017 van 09.00 uur tot 12.30 uur bekeken naar de aanwezigheid van verdachte. Verdachte komt om 11.31 uur de stationshal binnenlopen.18

De politie heeft ook de camerabeelden van 7 februari 2017 van 12.30 uur tot en met 15.30 uur bekeken. Vanaf het eerste moment van de beelden, 7 februari 2017 te 12.31 uur, zag verbalisant verdachte. Verdachte was van 12.30 uur tot 14.50 uur aanwezig in en om de stationshal en ging nergens anders heen. Verdachte hield constant zicht in de richting van de rechtbank.19

Verbalisant ziet dat verdachte met een man spreekt. Om 12.42.00 uur schudden ze handen. Ze praten tot 12.42.40 uur. Om 12.42.52 uur loopt nn-man een dönerzaak binnen. Om 13.33.35 uur loopt nn-man de dönerzaak uit. Nn-man spreekt verdachte aan vanaf 13.33.45 uur. Ze spreken met elkaar tot 13.34.00 uur. Om 13.34.07 uur loopt nn-man richting de uitgang van de stationshal.20

Om 14.50 uur rent verdachte de stationshal uit in de richting van de rechtbank.21

[getuige 5] heeft in verband met een misdrijf waarvoor [verdachte] is aangehouden op 7 februari 2017 verklaard22 dat hij die dag bij het station naar de dönerzaak liep. Hij zag [verdachte] staan, ging naar hem toe en schudde zijn hand. [getuige 5] zei dat het koud was en nodigde hem mee naar binnen om thee te drinken. [verdachte] zei: “nee, ik ga zo weg”. [getuige 5] zag [verdachte] later nog een keer toen hij wegging en zei tegen hem: “Ga naar binnen je wordt ziek”.

Op 7 februari 2017 bevond verdachte zich aldus van 11.31 uur tot 14.50 uur in de stationshal van centraal station [plaats] . Hij was ruim vóór het tijdstip waartegen [slachtoffer] was opgeroepen in de stationshal aanwezig. Zijn blik was voortdurend op de rechtbank gericht. Hij werd twee keer aangesproken door een man die later [getuige 5] blijkt te zijn en gaat ondanks diens uitnodiging niet de dönerzaak in.

Verklaringen van verdachte omtrent zijn aanwezigheid in de stationshal

Op 8 februari 2017 heeft verdachte verklaard23 dat hij bij het station was, gewoon aan het eten. Hij wachtte op iemand die zou komen en hem weg zou brengen. Volgens verdachte was hij om 14.00 uur op het station. Het was 14.10 of 14.15 uur want hij keek op zijn telefoon. Hij heeft iets gegeten bij de snackbar in het station, een Turkse winkel. Verdachte wil de naam van de persoon op wie hij wachtte niet noemen. Hij stond op zijn vriend te wachten. Hij was daar een half uurtje à 40 minuten aan het wachten. Hij stond te wachten in de hal.

Zijn verklaring dat hij 30 tot 40 minuten stond te wachten komt niet overeen met de beschrijving van de camerabeelden waaruit blijkt dat hij zich van 11.31 uur tot 14.50 uur in de stationshal begaf.

Op 25 juli 2017 heeft verdachte verklaard24 dat hij op het station was. Hij stond te wachten op een vriend die een telefoon aan hem zou verkopen. Hij was rond een uur of twaalf op het station. Hij stond binnen het station aan de kant van de rechtbank. Hij heeft één bekende op het station gezien van wie hij denkt dat die [naam] heet.

De verdachte heeft ter zitting van 10 januari 2018 verklaard25 dat het klopt dat hij op 7 februari 2017 op het centraal station [plaats] was. Hij was op iemand aan het wachten omdat hij iets zou gaan kopen. Hij wil niet zeggen van wie hij iets zou kopen omdat hij die persoon er niet bij wil betrekken. Het klopt dat hij zicht had op de rechtbank. Iemand zou hem daar ophalen. Hij wil daar verder niets over zeggen. Hij wilde iets kopen wat niet hoorde. De persoon die hem zou ophalen was dezelfde persoon van wie hij iets zou kopen. Ze hadden daar afgesproken. Verdachte wil geen antwoord geven op de vraag waar die persoon vandaan moest komen. Verdachte heeft wat gegeten op het station. Hij heeft daar van alles gedaan. Hij was aan het wachten.

In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij een telefoon ging kopen van een vriend van wie hij de naam niet wil zeggen. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij aan het wachten was om iets illegaals te kopen van een persoon van wie hij de naam niet wenst te noemen. Uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte van alles heeft gedaan in de stationshal, zoals door hem verklaard.

Verdachte heeft op de zitting van 12 juni 2018 verklaard dat hij op het centraal station [plaats] een verboden voorwerp zou kopen van een persoon van wie hij de naam niet wil noemen. Hij heeft met twee personen gesproken. Hij kan zich de namen van die personen niet herinneren. Verder heeft hij gezegd dat hij niet direct wist dat de twee personen die hij bij de rechtbank zag lopen zijn zusje [slachtoffer] en haar vriend [benadeelde partij] waren.

Uit de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige 4] blijkt dat verdachte vanuit de stationshal naar [slachtoffer] en haar vriend [benadeelde partij] is toegerend met uitgestrekte arm met daarin een pistool en direct in de richting van [benadeelde partij] heeft geschoten. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte niet direct wist of het [slachtoffer] en [benadeelde partij] waren die hij zag lopen.’

In hoger beroep is door de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte op het station stond te wachten op ‘ [naam] ’ om drugszaken mee te doen. Ook voor dit aangevoerde scenario geldt dat elke concrete nadere onderbouwing ontbreekt.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de duur en reden van zijn aanwezigheid in de stationshal. Op diverse punten strookt de verklaring van verdachte niet met de beschrijving van de camerabeelden en getuigenverklaringen. Ook is een aantal elementen uit zijn verklaringen niet te verifiëren doordat verdachte hier verder geen informatie over geeft.

Concluderend is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven over de reden waarom hij in de stationshal aanwezig was.

Deze conclusie leidt – in samenhang met de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden – tot de vaststelling dat verdachte zich op 7 februari 2017 van 11.31 uur tot 14.50 uur op station [plaats] heeft bevonden met geen ander doel dan het opwachten van zusje [slachtoffer] , die om 13.30 uur in de rechtbank [plaats] bij de rechter-commissaris moest zijn.

Het hof concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof kent betekenis toe aan het feit dat hij tijdens dat wachten in het bezit was van een schietklaar vuurwapen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder ook gelet op:

- de geschetste voorgeschiedenis tussen de familie [naam familie] enerzijds en [slachtoffer] en haar vriend [benadeelde partij] anderzijds, te weten: het geweldsincident op 23 april 2016 en de bankoverschrijvingen waar een zekere dreiging vanuit ging.

- de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte.

Verdachte heeft vanuit de stationshal tussen 12.30 uur en 14.50 uur constant zicht gehouden op de pal tegenover het station gelegen rechtbank. Uiteindelijk is verdachte om 14.50 uur vanuit de stationshal naar [slachtoffer] en [benadeelde partij] gerend. Verdachte heeft daarbij zijn rechterarm met daarin een vuurwapen uitgestrekt en gericht in de richting van [slachtoffer] en [benadeelde partij] . Toen zij vervolgens allebei een kant uitrenden heeft verdachte het vuurwapen gericht op [benadeelde partij] en een schot gelost. Vervolgens is verdachte achter [slachtoffer] aangerend, die het water in is gesprongen. Verdachte heeft wat handelingen aan het vuurwapen verricht en het vuurwapen gericht op de plek waar [slachtoffer] te water is geraakt. Vervolgens zijn door verdachte nog wat handelingen aan het vuurwapen verricht. [slachtoffer] heeft zich in de richting van het trapje aan de overzijde bewogen, waarop verdachte over de brug naar de overzijde is gelopen. Op de kant bij het trapje heeft verdachte [slachtoffer] die net op de kant was geklauterd vervolgens over de reling terug het water ingegooid. Hierop is ook verdachte zelf in het water gesprongen. Het lukt verdachte vervolgens om [slachtoffer] die probeert via het trapje uit het water te klimmen van dat trapje te ontzetten. Vervolgens heeft er een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden in het water waarbij hij haar uiteindelijk langdurig onder water heeft gehouden. Verdachte heeft [slachtoffer] daarbij nog in het water verplaatst richting het trapje alwaar hij op haar is gaan staan en enkele seconden op en neer heeft bewogen. Uiteindelijk is verdachte op vordering van de politie het water uitgegaan. Kort voor dat moment komt het lichaam van [slachtoffer] in de directe nabijheid van verdachte boven water drijven.

Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Verdachte heeft urenlang in de stationshal gewacht tot hij zijn zusje zag waarna hij naar haar toe is gerend en de beschreven geweldshandelingen heeft gepleegd. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.


Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de onder 2 ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer] bewezen.

Voorwaardelijke verzoeken

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht om nader onderzoek te doen verrichten.

Horen deskundige prof. dr. M.M. van Bruinessen

De verdediging heeft in hoger beroep de stelling van Van Bruinessen inhoudende dat ‘er rekening mee [moet] worden gehouden dat de familie wraak zal willen nemen’ op [benadeelde partij] betwist. Indien het hof wél betekenis zou toekennen aan deze stelling dan verzoekt de verdediging om het horen van Van Bruinessen als getuige. Deze getuige dient onder meer te verklaren of het citaat een opvatting is op grond van zijn deskundigheid, en zo ja, op welke gronden hij die opvatting baseert.

Het hof overweegt dat verdachte onder 1 zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij] . Bij de bewezenverklaring van de poging tot doodslag heeft het hof genoemde stelling van Bruinessen niet betrokken. Het hof volstaat daarom met de vaststelling dat de voorwaarde niet is ingetreden.

Deskundigenrapport door vuurwapendeskundige en horen als getuigen/deskundigen [verbalisant 2] en [verbalisant 5]

De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om een deskundigenrapport van een vuurwapendeskundige alsook het horen van [verbalisant 2] en [verbalisant 5] als getuigen/deskundigen. Onder meer dienen deze deskundige en getuigen de vraag te beantwoorden of in deze zaak sprake was van een voor de ingang van de loop klemzittend patroon, en zo ja, op grond van welke omstandigheden dat kan worden vastgesteld en of daarop van invloed is dat het vuurwapen in het water heeft gelegen. Ook dienen zij de vraag te beantwoorden op welke wijze een patroon het vuurwapen heeft kunnen verlaten.

Het hof stelt voorop dat het verzoek wordt beoordeeld op basis van het noodzaakcriterium.

Het hof acht zich op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, voldoende geïnformeerd voor beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. In het bijzonder wordt overwogen dat de beantwoording van de door de raadsman opgeworpen vragen voor de bewezenverklaring van de poging tot doodslag op [benadeelde partij] dan wel de poging tot moord op [slachtoffer] niet relevant zijn. Ook in zoverre acht het hof zich voldoende voorgelicht. Het hof zal - zoals hierboven overwogen - vrijspreken van het onderdeel dat het wapen doorgeladen werd. Het hof ziet dan ook geen noodzaak om te voldoen aan het verzoek van de raadsman.

Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

Opsomming bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Nu verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsman voor dit feit geen vrijspraak heeft bepleit zal het hof volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, inhoudende:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2018;

  • -

    een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 17 februari 2017 (map deel 2, pagina’s 8 en verder van het in noot 1 genoemde dossier);

  • -

    een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2017 (map deel 2, pagina’s 45 en verder van het in noot 1 genoemde dossier);

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 7 februari 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet,

- met een geladen pistool in de hand achter die [benadeelde partij] aan is gerend en

- die [benadeelde partij] dreigend de woorden heeft toegevoegd "Jij gaat dood ik ga je dood maken" en

- vervolgens dat pistool op die [benadeelde partij] heeft gericht en vervolgens in de richting van die [benadeelde partij] heeft geschoten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


2.
hij op 7 februari 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - met een geladen pistool in de hand achter die [slachtoffer] aan is gerend en

- dat pistool heeft gericht op die [slachtoffer] (die zich in het water bevond) en

- die [slachtoffer] , die inmiddels uit het water was gekomen, (met kracht) heeft vastgepakt en terug in het water heeft gegooid en

- die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd in het Irakees "En jij bent al dood" en

- die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt bij de hals/nek en elders bij het lichaam en die [slachtoffer] vervolgens meerdere malen naar beneden onder water heeft getrokken en geduwd en

- vervolgens die [slachtoffer] minutenlang met haar gehele lichaam onder water geduwd heeft gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


3.
hij op 7 februari 2017 te [plaats]

- een wapen van categorie III sub 1, te weten een pistool, merk Ithaca, model 1911 A1, kaliber .45 ACP, en

- munitie van categorie III, te weten drie scherpe patronen, kaliber .45 ACP, merk IMI, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Samenloop

Het hof stelt voorop dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.

Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

In tegenstelling tot de raadsman oordeelt het hof dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van meerdaadse samenloop. Het betreft twee afzonderlijke feiten waaraan afzonderlijke wilsbesluiten ten grondslag liggen. Dat sprake is van een samenhangend feitencomplex maakt niet dat verdachte (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

Ook ten aanzien van feit 3 overweegt het hof dat, in het bijzonder gelet op de strekking van deze strafbepaling, sprake is van meerdaadse samenloop met de feiten 1 en 2. Voor wat betreft het ‘dubbel’ kwalificeren geldt dat verdachte ook daadwerkelijk twee verwijten wordt gemaakt.

Kwalificaties

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn de volgende rapportages door gedragsdeskundigen opgemaakt.

Het dossier bevat een rapportage van het Pieter Baan Centrum van 27 juli 2017 waarin wordt geconcludeerd dat geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of er sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling vanwege het feit dat verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt en zijn weigering adequaat heeft kunnen vormgeven.

Daarnaast omvat het dossier een rapportage Pro Justitia van 27 november 2019 opgemaakt door J.M. Oudejans, psycholoog. Dit rapport is ingebracht door de verdediging. In zijn rapport concludeert Oudejans dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hiervan was ook ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake. Oudejans concludeert dat het ten laste gelegde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof kan zich verenigen met de bevindingen van deskundige Oudejans over de geestvermogens van verdachte en neemt deze over.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een strafbare dader, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 7 februari 2017 schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn zusje [slachtoffer] en een poging tot doodslag op haar vriend [benadeelde partij] .

Verdachte heeft die dag urenlang gewacht op het moment dat [slachtoffer] uit de rechtbank zou komen. Toen hij haar zag is hij vanuit de stationshal in [plaats] met een geladen vuurwapen op [slachtoffer] en [benadeelde partij] afgerend. In eerste instantie heeft verdachte zich gericht tot [benadeelde partij] en een schot in zijn richting gelost. Vervolgens heeft verdachte zijn vuurwapen op [slachtoffer] gericht, die in grote paniek over een hoge reling in het veel lager gelegen water is gedoken. Toen het haar gelukt was aan de overzijde van het water naar boven te klauteren, heeft verdachte [slachtoffer] hoofdwaarts over die reling in het dieper gelegen water gegooid. Verdachte is [slachtoffer] achterna gesprongen en heeft haar - na een korte worsteling - minutenlang onder water gehouden. Daarbij is verdachte zelfs op [slachtoffer] gaan staan en heeft hij op en neer bewogen terwijl hij zich vasthield aan de trap. Op het moment dat de politie arriveerde stond verdachte nog in het water met vlak voor zich het drijvende lichaam van [slachtoffer] . Op het moment dat verdachte zijn handen op bevel van de politie uit het water omhoog deed, kwam haar lichaam boven met haar gezicht voorover in het water.

[slachtoffer] is voor dood, bewusteloos, zonder voelbare of hoorbare hartslag en ademhaling, uit het water gehaald. Zonder de adequate hulp van de politie en hulpverleners had [slachtoffer] de aanval van haar broer niet overleefd. De beelden van het gevecht dat [slachtoffer] in het water tegen haar oudste broer heeft moeten leveren zijn buitengewoon schokkend.

Verdachte heeft door zijn handelen gepoogd het kostbaarste te ontnemen dat [slachtoffer] en [benadeelde partij] bezitten, namelijk hun leven. Hij heeft hiermee geen enkel respect getoond voor het leven van beide slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen op zeer gewelddadige wijze een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .

Naast de gevolgen voor de slachtoffers, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig wordt geschokt en versterkt dergelijk verwerpelijk gedrag gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geldt temeer nu het bewezenverklaarde is begaan op klaarlichte dag op de openbare weg nabij het centraal station [plaats] , waardoor ook omstanders en voorbijgangers getuige zijn geweest van het geweld.

Tot slot wordt verdachte ook verweten dat hij een vuurwapen en drie scherpe patronen voorhanden heeft gehad. Verboden wapenbezit brengt voor de maatschappij onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich mee, welke risico’s zich in de onderhavige zaak daadwerkelijk hebben geopenbaard.

Verdachte, die de feiten grotendeels ontkent, heeft ook in hoger beroep geen inzicht gegeven over het motief voor zijn handelen. Het dossier bevat evenwel sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van eergerelateerd geweld. [slachtoffer] en [benadeelde partij] hielden zich voor 7 februari 2017 al maanden schuil uit angst voor de familie van [slachtoffer] . Doordat de oproep voor het verhoor was verzonden naar het ouderlijk huis van [slachtoffer] wist de familie haar te traceren. Indien sprake is van eergerelateerd geweld zal [slachtoffer] voor de rest van haar leven in angst en onveiligheid verkeren, zo volgt uit het dossier.

Ter zitting in hoger beroep hebben [slachtoffer] en [benadeelde partij] het spreekrecht uitgeoefend. Uit hun verklaringen blijkt dat de gevolgen voor hen diepingrijpend en dagelijks voelbaar zijn. Het handelen van verdachte heeft een ongekende impact op hun leven nu en in de toekomst. Vanwege de niet aflatende dreiging leven de slachtoffers tot op de dag van vandaag in grote angst. Zij worden van overheidswege beschermd. Dit heeft als gevolg dat zij sterk worden beperkt in hun bewegingsvrijheid waardoor zelfs de normaalste zaken in het leven zoals vrienden bezoeken of boodschappen doen moeizaam gaat. [benadeelde partij] beschrijft hun leven als donker en stressvol. Door het handelen van verdachte is [slachtoffer] veranderd in een kwetsbare jonge vrouw. [slachtoffer] lijdt aan een ernstige vorm van PTSS, heeft dagelijks last van nachtmerries en paniekaanvallen. Daarnaast heeft [slachtoffer] nog altijd lichamelijke klachten. Ook [benadeelde partij] ervaart veel angst en heeft nog altijd last van nachtmerries.

Al het voorgaande maakt dat een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf niet aan de orde is.

Het hof heeft bij de straftoemeting ook in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 december 2019 eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Alles afwegend is het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt de beperktere bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 niet tot een matiging. Het hof heeft daarbij de brute doelgerichtheid waarop verdachte heeft geprobeerd zijn zusje van het leven te beroven en zijn opzet daarnaast [benadeelde partij] door hem te beschieten om het leven te brengen in aanmerking genomen. Een gevangenisstraf van 18 jaar is passend en geboden voor deze buitengewoon ernstige feiten

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een vuurwapen en drie scherpe patronen, toebehorende aan verdachte, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met behulp van deze voorwerpen het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.514,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.085,00, bestaande uit € 10.000,- immateriële schade en € 2.085,- aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering is voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep aangevuld.

Immateriële schade.

De verdediging heeft aangevoerd dat namens [benadeelde partij] onvoldoende is onderbouwd dat hij door een ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht in zijn persoon is aangetast. De nadelige gevolgen zijn in deze zaak niet evident, aldus de raadsman. Daarnaast is aangevoerd dat gelet op de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie hoogstens een bedrag van € 7.500,- kan worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse immateriële schade heeft geleden.

Hiertoe overweegt het hof het volgende.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten.

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

Van de onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan ook sprake zijn indien de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde dit met zich meebrengen. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Door en namens de benadeelde partij is aangevoerd dat door verdachte gericht op [benadeelde partij] is geschoten. Hij heeft voor zijn leven gerend. Het bewezenverklaarde heeft een ongekende impact op het leven van [benadeelde partij] nu en in de toekomst. De dreiging aan het adres van [slachtoffer] geldt evenzeer voor [benadeelde partij] . Hij is met [slachtoffer] voor de rest van zijn leven beperkt in zijn bewegingsvrijheid en mogelijkheden vanwege opgelegde restricties van allerlei aard van overheidswege vanuit het toegepaste persoonsbescherming op beiden. Daarnaast geldt dat [benadeelde partij] niet alleen een aanslag op zijn eigen leven heeft doorgemaakt, ook is hij ooggetuige geweest van de kille poging tot moord op zijn geliefde. [benadeelde partij] zegt ook gezien te hebben dat verdachte in het water op het lichaam van [slachtoffer] heeft gestaan en dat haar lichaam uit het water werd gehaald en dat vervolgens werd gereanimeerd. Als gevolg van het handelen van verdachte kampt [benadeelde partij] met psychische klachten. Uit het rapport van psychiater/psychoanalyticus dr. H. de Jong volgt dat [benadeelde partij] een constante dreiging voelt, hij slecht slaapt en heeft nachtmerries heeft. [benadeelde partij] is geshockeerd door het schietincident en lijdt sterk onder de impact en dreiging van eerwraak, zowel door grote inperking van de bewegingsvrijheid als door zorg om het leven van zichzelf en zijn dierbaren.

Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat – mede gelet op de aard en ernst van de normschending en de omstandigheden waaronder die werd gepleegd en de diepingrijpende consequenties die zij tot gevolg hebben – sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW onder b. 3). Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van [benadeelde partij] en meer in het bijzonder het leven van zijn vriendin te beëindigen terwijl zij zich gezamenlijk op straat bevonden toen verdachte hen aanviel. Die aanval van verdachte is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt dat het onrechtmatige handelen van verdachte nadien zeer diep heeft ingegrepen in het leven van [benadeelde partij] . De impact op het dagelijks leven als gevolg van het handelen van verdachte is heel groot.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 10.000,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen.

Proceskosten

Namens de benadeelde partij is in hoger beroep aangevoerd dat het liquidatietarief niet als maatstaf moet gelden. Dit is slechts een de rechter niet bindende richtlijn. In deze zaak was het verlenen van bijstand vanwege de persoonsbescherming moeilijker, waardoor meer werk is verricht. Gelet op de bijzondere aard van de zaak lenen de werkzaamheden zich niet voor een vertaling naar het liquidatietarief. Ook de vertrouwensrelatie tussen de benadeelde partij en de advocaten speelt in dit verband een rol. Gezien dit alles wordt verzocht om over te gaan tot een volledige proceskostenvergoeding. Subsidiair wordt verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Meer subsidiair wordt verzocht om enkel in appel het liquidatietarief toe te passen en daarbij vier punten toe te kennen.

Het hof stelt voorop dat nu de vordering gedeeltelijk is toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, verdachte als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de juridische begeleiding van de benadeelde partij vanwege de bijzondere aard van de zaak moeizamer is verlopen maakt dit niet anders.

Anders dan gevorderd stelt het hof de proceskosten vast overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven waarbij krachtens tarief III (tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-) ieder punt wordt gewaardeerd op
€ 695,- met een maximum van 7 punten.

Voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg kent het hof in totaal drie punten toe. Daarnaast kent het hof in hoger beroep vier punten toe voor het aanvullen, handhaven en nader onderbouwen van de vordering en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Dit brengt het toe te wijzen bedrag op € 4.865,- (7 x € 695,-).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.200,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 27.891,90, bestaande uit € 806,90 materiële schade, € 25.000,- immateriële schade en € 2.085,- aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering is voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep aangevuld.

Materiële schade

Namens de benadeelde partij is € 814,94 materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit de kosten voor beschadigde kleding en een kapotte telefoon. De vordering is voor zover mogelijk onderbouwd.

Het hof acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse (materiële) schade heeft geleden. Het hof acht de door de benadeelde partij geschatte schade van € 814,94 voldoende onderbouwd en toekenning daarvan billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 30.000, bestaande uit immateriële schade.

De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover de vordering is onderbouwd met de stelling dat [slachtoffer] de rest van haar leven in onveiligheid en angst zal verkeren omdat het verdachte niet is gelukt haar om het leven te brengen en dat er dreiging komt vanuit de gehele Yezidigemeenschap, er wordt verzocht om vergoeding van toekomstig leed en leed dat wordt veroorzaakt door andere personen dan verdachte. In zoverre dient de vordering te worden afgewezen. Daarnaast is verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag binnen een bandbreedte van € 10.000,- en 12.500,- en het overige af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof overweegt het volgende.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten. Daarbij is in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van [slachtoffer] te beëindigen. Die is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt bovendien dat het onrechtmatige handelen van verdachte voor [slachtoffer] een grote schok teweeg heeft gebracht en zeer diep heeft ingegrepen in haar leven nadien. [slachtoffer] heeft het meedogenloze handelen van verdachte ternauwernood overleefd. Zij heeft nog altijd fysieke klachten. [slachtoffer] leeft nog altijd in grote angst. Zij leeft samen met haar partner in een beschermingsprogramma, waardoor haar dagelijks leven in zeer ernstige mate wordt belemmerd. Daarnaast is blijkens het rapport van dr. H. de Jong, psychiater/psychoanalyticus vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van het gewelddadige handelen door verdachte lijdt aan een ernstige vorm van PTSS. Zij heeft vrijwel constant last van herbelevingen, waardoor zij niet alleen kan zijn. Ook kan [slachtoffer] niet normaal slapen en heeft zij vrijwel elke nacht nachtmerries.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 30.000,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen.

Proceskosten

Namens de benadeelde partij is in hoger beroep aangevoerd dat het liquidatietarief niet als maatstaf moet gelden. Dit is slechts een de rechter niet bindende richtlijn. In deze zaak was het verlenen van bijstand moeilijker, waardoor meer werk is verricht. Gelet op de bijzondere aard van de zaak lenen de werkzaamheden zich niet voor een vertaling naar het liquidatietarief. Ook de vertrouwensrelatie tussen de benadeelde partij en de advocaten speelt in dit verband een rol. Gezien dit alles wordt verzocht om over te gaan tot een volledige proceskostenvergoeding. Subsidiair wordt verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Meer subsidiair wordt verzocht om enkel in appel het liquidatietarief toe te passen en daarbij vier punten toe te kennen.

Het hof stelt voorop dat nu de vordering gedeeltelijk is toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, zal verdachte als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de juridische begeleiding van de benadeelde partij vanwege de bijzondere aard van de zaak moeizamer is verlopen maakt dit niet anders.

Anders dan gevorderd stelt het hof de proceskosten vast overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven waarbij krachtens tarief III (tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-) ieder punt wordt gewaardeerd op
€ 695,- met een maximum van 7 punten.

Voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg kent het hof in totaal drie punten toe. Daarnaast kent het hof in hoger beroep vier punten toe voor het aanvullen van de vordering en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Dit brengt het toe te wijzen bedrag op € 4.865,- (7 x € 695,-).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 63, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien).

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een vuurwapen, merk Ithaca, model 1911 A1, kaliber.45 ACP;

- drie scherpe patronen, kaliber. 45 ACP, merk IMI.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
4.865,00 (vierduizend achthonderdvijfenzestig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 85 (vijfentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 februari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 30.814,94 (dertigduizend achthonderdveertien euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 814,94 (achthonderdveertien euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
4.865,00 (vierduizend achthonderdvijfenzestig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 30.814,94 (dertigduizend achthonderdveertien euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 814,94 (achthonderdveertien euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 189 (honderdnegenentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 februari 2017.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 14 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 525 en verder van het dossier met nummer 2017039879, onderzoek MD2R017520 – poging moord/doodslag [naam straat 2] [plaats] ). Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers uit het dossier betreft dit telkens het hiervoor genoemde dossier, bestaande uit twee afzonderlijke mappen (deel 1 en deel 2).

2 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 533 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

3 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 536 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

4 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 550 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

5 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 februari 2017 (map deel 1, pagina's 662 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

6 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2017 (map deel 1, pagina's 602 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

7 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina 510 van het in noot 1 genoemde dossier).

8 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 10 februari 2017, opgemaakt door de behandelend arts (map deel 1, pagina 584 van het in noot 1 genoemde dossier).

9 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 17 februari 2017 (map deel 2, pagina's 8 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

10 Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 10 januari 2018 en 12 juni 2018.

11 Vonnis van 14 december 2017 in de zaak [benadeelde partij] , parketnummer 16-659560-16.

12 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 533 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

13 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen bankrekening [slachtoffer] d.d. 10 maart 2017 (map deel 1, pagina's 659 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

14 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 533 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

15 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2017 (map deel 1, pagina 647 van het in noot 1 genoemde dossier).

16 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2017 (map deel 1, pagina 647 van het in noot 1 genoemde dossier).

17 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 februari 2017 (map deel 1, pagina's 533 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

18 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 638 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

19 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 632 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

20 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 700 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

21 Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 632 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

22 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 maart 2017 (map deel 1, pagina’s 711 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

23 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 februari 2017 (map deel 1, pagina’s 115 en verder van het in noot 1 genoemde dossier).

24 Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 juli 2017 met documentcode 2017072511006395 (los stuk in het hof dossier).

25 Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 10 januari 2018.