Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10914

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
200.285.983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 350 lid 3, aanhef en onder c Fw. Bekrachtiging tussentijdse beëindiging WSNP. Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de informatie- en sollicitatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht


zaaknummer gerechtshof: 200.285.983

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/17/542 R)

arrest van 14 december 2020

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.T. Willemsen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), van 28 augustus 2017 is, op verzoek van [appellant] , de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is [B] tot bewindvoerder benoemd.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank van 19 september 2018 is het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellant] afgewezen en is de toepassing van die regeling verlengd met 12 maanden, tot 28 augustus 2021. De rechtbank heeft [appellant] hierbij de gelegenheid gegeven om de tekortkomingen in de sollicitatie- en de informatieplicht te herstellen, omdat hij toch hulp had gezocht voor de ontstane problemen via de GGZ en het wijkteam.

1.3

Bij vonnis van de rechtbank van 12 november 2020 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] , op verzoek van de bewindvoerder, tussentijds beëindigd, zonder dat aan [appellant] de schone lei wordt verleend. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 19 november 2020ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 november 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat zijn schuldsaneringsregeling niet zal worden beëindigd, dan wel die regeling met een termijn van maximaal één jaar te verlengen of een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2

Het hof heeft naast het verzoekschrift met één bijlage kennisgenomen van twee emailberichten met bijlagen van 2 december 2020 van de bewindvoerder en van de op
3 december 2020 en 4 december 2020 van mr. Willemsen ontvangen stukken.
2.3 De mondelinge behandeling heeft op 7 december 2020 plaatsgevonden.
Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Willemsen, die het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Ook zijn verschenen de bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder, [C] van Yverius Bewindvoering.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd, kort gezegd, omdat hij ook na het vonnis van 19 september 2018 (waarin, zo heeft hij moeten begrijpen, aan hem een laatste kans wordt geboden opnieuw toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie- en de sollicitatieplicht.

3.2

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen gaat het hof uit van de hierna volgende feiten en omstandigheden:
- [appellant] is gehuwd geweest; hij heeft een zoon, met wie hij om de week omgang heeft;
verder ontvangt hij een uitkering ingevolge de Participatiewet;
- op 1 juli 2014 is voor [appellant] beschermingsbewind (met als bewindvoerder
[D] , h.o.d.n. Amsvort Bewindvoering) ingesteld; op 16 september 2019 is
[C] (per 1 oktober 2019) benoemd tot opvolgend beschermingsbewindvoerder;
- de schuldenlast van [appellant] bij toelating tot de schuldsaneringsregeling bedroeg
ongeveer € 125.000; [appellant] stond toen onder behandeling van een psychiater van de
GGZ; verder was sprake van gezondheidsproblemen bij zijn ouders, met name bij zijn
vader bij wie longkanker was geconstateerd; door de GGZ en het wijkteam is toen een plan
van aanpak voor [appellant] gemaakt;
- na het vonnis van de rechtbank van 19 september 2018 is [appellant] op 27 november
2018 medisch onderzocht door de verzekeringsarts van De Medisch Adviseur; in de
beoordelingsrapportage van die datum wordt [appellant] in staat geacht 50% te werken in
gestructureerd en overzichtelijk werk zonder grote prikkels of sterke afleiding en wordt de
verwachting uitgesproken dat hij in staat zal zijn per 1 juli 2019 voltijds te werken in
passend werk. Volgens de verzekeringsarts heeft [appellant] een niet te zware
ontwikkelingsstoornis waardoor hij wat impulsief kan reageren, graag actief is en
gemakkelijk zijn grenzen overgaat in werk, relaties en privé. Hierin is inzicht en externe
ondersteuning nodig, zodat [appellant] een en ander zou kunnen omzetten in uitvoerende
werkzaamheden. Van belang daarbij is wel dat [appellant] de externe ondersteuning
aanhoudt en zelf geen grote eindverantwoordelijkheid neemt, aldus de verzekeringsarts;
- bij beschikking van 17 december 2018 heeft de rechter-commissaris [appellant] tot
1 juli 2019 ontheffing verleend van de arbeids- en sollicitatieplicht voor 18 uur per week;
vanaf 1 juli 2019 is deze plicht weer volledig op [appellant] van toepassing;
- [appellant] heeft in maart en april 2019 circa vier weken op detacheringsbasis bij PostNL
gewerkt; hierop is geen vervolg gekomen omdat het contract tussen het uitzendbureau
waarvoor [appellant] werkzaam was en PostNL niet werd verlengd;
- ten tijde van zijn werk bij PostNL heeft [appellant] de door het wijkteam, Kwintes en
de GGZ aan hem geboden begeleiding - volgens hem in samenspraak met die instanties -
beëindigd; hierover heeft hij op 21 oktober 2019 de bewindvoerder telefonisch bericht;
- recent heeft [appellant] weer hulp gezocht bij het wijkteam; eind november/begin
december 2020 heeft [appellant] een intakegesprek gehad bij het wijkteam;
- [appellant] heeft op 28 november 2020 een rijbewijskeuring gehad; volgens [appellant]
is hij goedgekeurd; met het door hem nog te ontvangen rapport van de keuring zal hij de
gemeente vragen om aantekening C op zijn rijbewijs toe te voegen; daarna verwacht hij
via het uitzendbureau snel als vrachtwagenchauffeur aan het werk te komen.

3.3

Het hof is van oordeel dat de rechtbank de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] terecht en op goede gronden tussentijds heeft beëindigd. [appellant] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof licht zijn oordeel als volgt toe.

3.4

Uit de hiervoor onder rov. 3.2 vermelde feiten is gebleken dat [appellant] tot 1 juli 2019 gedeeltelijk was vrijgesteld van de sollicitatieplicht en dat hij, behoudens een nieuwe door de rechter-commissaris te verlenen ontheffing, vanaf die datum moest gaan solliciteren naar fulltime betaald werk. Vaststaat dat [appellant] niet om verdere ontheffing van de sollicitatieplicht heeft verzocht en dat hij ook in de afgelopen tijd geen sollicitatie-activiteiten heeft ondernomen. [appellant] heeft zich volgens zijn eigen verklaring geheel gericht op de functie van vrachtwagenchauffeur. Door de succesvolle keuring die hij onlangs heeft gehad, verwacht hij op korte termijn als zodanig aan het werk te komen.
Het hof is van oordeel dat [appellant] met deze handelwijze voorbijgaat aan de belangen van de schuldeisers, die van hem als tot de schuldsaneringsregeling toegelaten saniet mogen verwachten dat hij zich tot het uiterste inspant om zoveel mogelijk inkomsten in de schuldsaneringsboedel te brengen. In de lijn daarvan moet [appellant] overeenkomstig de Recofa-richtlijnen solliciteren naar uiteenlopende functies op de arbeidsmarkt en mag hij zich dus niet beperken tot (een) functie(s) van zijn voorkeur. Gelet op de naar hem gestuurde brieven en emailberichten van de bewindvoerder en de door de rechtbank verlengde looptijd van zijn regeling als sanctie op de niet nagekomen sollicitatieplicht (en de informatieplicht), was [appellant] op dit punt ruim voldoende gewaarschuwd en wist hij of behoorde hij te weten wat van hem werd verwacht.

3.5

Verder heeft [appellant] niet voldaan aan de informatieplicht.
Dat de bewindvoerder inmiddels vooral via de beschermingsbewindvoerder de meeste financiële informatie heeft ontvangen, neemt het aan [appellant] te maken verwijt niet weg dat hij naast de niet overgelegde sollicitatiebewijzen feitelijk tijdens de gehele looptijd van zijn regeling de bewindvoerder niet of in onvoldoende mate heeft ingelicht over zijn persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld over de in het voorjaar van 2019 gestopte hulpverlening. Uit niets is gebleken dat dit is gebeurd in overleg met de hulpverleners. Ook is onbestreden dat de bewindvoerder [appellant] voortdurend om informatie heeft moeten vragen en dat regulier contact in de zin van de schuldsaneringsregeling met hem lange tijd niet mogelijk was, althans zeer moeizaam verliep.
Het enige bericht - het e-mailbericht van 9 maart 2020 - dat [appellant] met betrekking tot (een uiteenzetting van) zijn persoonlijke situatie aan de bewindvoerder heeft gestuurd is, zonder verdere onderbouwing met stukken, in elk geval niet toereikend om aan te nemen dat de bewindvoerder in de regeling op dit punt wel voldoende informatie heeft gekregen.

3.6

Het hof is van oordeel dat de schending van de informatie- en de sollicitatieplicht (kernverplichtingen in het wettelijk schuldsaneringstraject) [appellant] ook moet worden toegerekend. Dat de persoonlijke situatie van [appellant] van invloed zal zijn geweest op de wijze waarop [appellant] is omgegaan met deze verplichtingen wil het hof wel aannemen, maar deze situatie is met name door het ontbreken van onderliggende stukken onvoldoende toegelicht om de schending van die verplichtingen gedurende vrijwel de gehele regeling (drie jaren) verschoonbaar te achten. Gelet op de ernst van de verzaakte verplichtingen bestaat geen aanleiding de regeling voort te zetten of te verlengen. Verder moet er voor een voortzetting of verlenging van de regeling voldoende vertrouwen aanwezig zijn dat verplichtingen in de toekomst wel naar behoren zullen worden nagekomen. Dat vertrouwen ontbreekt in het geval van [appellant] . Hierbij betrekt het hof dat de door [appellant] aan het wijkteam gevraagde ondersteuning bij het solliciteren, de privézaken en de regelzaken nog moet beginnen (in de aan [appellant] na het intakegesprek gestuurde e-mail van het wijkteam van 3 december 2020 staat dat intern overleg zal moeten uitwijzen welke partij het beste bij [appellant] past) en dat [appellant] in de huidige situatie, waarin hij nog geen betaald werk heeft (of een concrete toezegging daarop), zoals hiervoor al is overwogen, zijn schuldeisers potentiële baten onthoudt door andere mogelijkheden op de arbeidsmarkt onbenut te laten.

3.7

Het hoger beroep faalt. Het vonnis van 12 november 2020 zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
12 november 2020.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, H.L. Wattel en J.G.B. Pikkemaat, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Wattel, en op 14 december 2020
in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.